Intelligent Design (ID)

Intelligent Design (ID): een overzicht.

Intelligent Design (ID). Sinds vorig jaar zweeft er bij de meesten van ons wel een beeld voor ogen bij deze term. Vorig jaar werd namelijk het eerste boek van deze beweging in Nederland uitgegeven: ‘Schitterend ongeluk, of sporen van ontwerp?’ Dit jaar kwam het tweede boek uit: ‘En God beschikte een worm’. Cees Dekker, Ronald Meester en Rene van Woudenberg zijn de redacteuren van deze boeiende boeken. Wat is ID? Om met de deur in huis te vallen: de meeste ID’ers zijn evolutionisten. Ze hangen onvoorwaardelijk de evolutietheorie aan die als slingerkruid met alle facetten van de academische wereld is vergroeid. Een inleiding.

Een opmerking vooraf: in dit artikel gaat het uiteindelijk om de aloude schepping of evolutie discussie en de plek van ID daarin. Daarom wil ik eerst aangeven hoe ik schepping en evolutie definieer. Evolutie is een theorie die omschrijft hoe een natuurlijk proces alles heeft laten ontstaan. Ook als God af en toe in dat proces in heeft gegrepen noem ik dat evolutie. Schepping zoals dat in de Bijbel staat wil zeggen dat God alles uit het niets tot aanzijn riep. Hij sprak en het was er. Wetenschappers die daar ook van uitgaan noemen we creationisten. Met betrekking tot het leven heeft God alle basissoorten geschapen. Ons toenemend inzicht in de natuur laat ons zien dat bijvoorbeeld de grote Deense Dog en de kleine Chiwawa niet direct zo door God zijn geschapen. Die zijn beide nog niet zo heel lang geleden doelbewust gefokt door deskundigen. Beide honden lagen al in de genetische informatie van de oerwolf besloten. Tot nu toe heeft de evolutietheorie nog niet aan kunnen tonen hoe al het leven uit elkaar is ontstaan en heeft de ‘scheppingstheorie’ nog niet aangegeven waar de soortgrenzen liggen. Werk genoeg nog dus…….

De vragen.
De biologische structuur van het leven is uiterst complex. Dat wordt in toenemende mate ontdekt. Zozeer zelfs dat er geen wetenschappelijke taal meer is om die complexiteit te beschrijven. Dat geldt niet alleen voor de biologische structuren en de fysiologische processen die zich daarin afspelen, maar ook voor de moleculen die de puzzelstukjes van die biologische puzzel zijn. Maar het gaat verder. De moleculen zijn niet de kleinst denkbare puzzelstukjes. Het doorgaand onderzoek in de fysica naar de structuur, het wezen van de materie heeft steeds kleinere deeltjes aan het licht gebracht. Steeds hogere energieën zijn nodig geweest om deze structuren bloot te leggen. Momenteel lopen we tegen de grenzen van onze menselijke mogelijkheden aan. Er zijn geen krachtiger werktuigen meer te maken om nog dieper te gaan en nog kleinere deeltjes op te sporen. Anders gezegd, we zijn te zacht. We hebben geen kracht om nog verfijnder te onderzoeken. We vragen ons af hoe de materie op nog kleinere schaal in elkaar zit.

In het groot is het net zo. Met het blote oog kunnen we de hemel boven ons afspeuren. We zien dan ontzettend veel dat in een complexe samenhang functioneert. Met een verrekijker zien we meer. Maak daar een telescoop van en er gaat een nog fascinerendere wereld voor je open. De grootste telescoop kan natuurlijk het verste zien. Hoe groot we de telescopen ook maken, we zien het eind van de kosmos niet. Met andere woorden, we zijn te klein, te beperkt. Laat staan dat we een allesverklarend model ontwikkelen die het ontstaan en de werking van het geheel beschrijft. We vragen ons af wat daarboven nog allemaal is en hoe het in elkaar zit.

Bij het zoeken naar antwoorden op die vragen betreden we het lastige terrein van de inductie. Inductief denken is de sprong van een eindig aantal waarnemingen naar conclusies met universele geldigheid. Hoewel we niet ver genoeg kunnen kijken, we weten immers niet zeker wat er buiten onze waarneming is, geloven we wel dat daar precies dezelfde regels gelden. Maar waarom zou dat zo moeten zijn? Het blijkt dat het universum zich, zowel in het groot als in het klein, zover we kunnen kijken, op een regelmatige manier gedraagt. Waarom is er die orde? Waarom bestaat alles eigenlijk? Waarom is er iets en niet niets? En waarom kunnen wij dat universum begrijpen en beschrijven?

De wiskunde.
Daar komt nog het verhaal van de natuurconstanten bij. Wat wil dat zeggen? Wij mensen onderzoeken de natuur. We doen dus waarnemingen. Doen we dat vaak en goed genoeg, dan kunnen we die waarnemingen gaan generaliseren in regelmatigheden, oftewel wetmatigheden. We gaan wetten schrijven. Natuurwetten. Vervolgens gaan we zoeken naar de logische samenhang tussen deze wetten. Daar gaan we theorieën over bedenken. Die leggen dus het waarom van de wetten uit. Tot slot kunnen we dan modellen opstellen om zoveel mogelijk theorieën in samenhang te bestuderen en in woorden te vatten. Die woorden vormen een taal. Geen taal van letters, maar van cijfers. De taal van de wiskunde. Hiermee staan we voor een uiterst raadselachtig iets. De voor ons zichtbare werkelijkheid komt namelijk op miraculeuze wijze uit de wereld van de wiskundige voort. Anders gezegd: alle natuurwetten, theorieën en modellen zijn alleen handelbaar in de taal van de wiskunde. Waarom? Direct naar het probleem: heeft de mens de wiskunde bedacht of ontdekt? Bij dit laatste is de wiskunde, de wereld van het getal een achterliggende werkelijkheid. Niet een door de mens verzonnen raster wat over onze ervaringen heen gelegd wordt en wonderlijk genoeg steeds weer past.
Trouwens, kan dat laatste wel? Als de evolutietheorie waar is, dan zijn wij mensen dus ontstaan uit puur materie. Kan wat wij geest noemen, alleen maar een bijkomend proces zijn? Een toevallig, willekeurig bijproduct van de evolutie? Hoe kan de materie ooit geest voortbrengen? Daar is geen verklaring voor. Mensen die toch willen geloven dat ook onze geest uit het stof is voortgekomen beroepen zich vaak op emergentie. Dat is een mooi woord, maar geen verklaring. Het betekent zoiets als: des te meer cellen er zijn, des te meer geestelijke activiteit er is. We gaan verder: als die geest een toevalligheid is, hoe kan die dan de wiskunde bedenken? Is dat dan slechts een product van onderlinge afspraak? Maar dan komen we weer bij het bovenstaande raadsel: hoe kan dan die bedachte en onderling afgesproken wereld van het getal, de wiskunde, zo wonderlijk passen op de materie die de geest voortgebracht heeft die weer de wiskunde heeft bedacht? Een lange zin. Anders gesteld: als wiskunde een toevallig bedenksel was uit een toevallig brein, kon het niet het gedrag van al dat toeval bepalen. Kort gezegd: het past te mooi. De drie werelden van geest, materie en wiskunde, moeten er vanaf het begin geweest zijn en op elkaar toegesneden zijn.

Terug naar de natuurconstanten: dat zijn vaste waarden in de wiskundige taal. Bijvoorbeeld waarden voor de krachten in de atoomkernen, of voor de zwaartekracht. Nu blijkt dat die waarden geen enkele afwijking toelaten. Ze moeten de waarde hebben die ze hebben, anders was de kosmos er niet geweest! Hoe kan dat? Wat was er eerst? De kosmos of de wetten die het gedrag van de kosmos bepalen? Is er dan toch een Geest die de materie heeft geschapen volgens Zijn vaste wetten? Het probleem gaat verder. Denk eens na? De hand die dit artikel schrijft is ook materie. Hoe is de verhouding tussen wil, geest en stof? Wat bedoelt de Bijbel met geest, ziel en lichaam? Wat is de verhouding tussen Gods besluit en de menselijke wil? Hier betreden we het terrein van theologie, filosofie en fysica. Daarover gaat deze inleiding niet.

De filosofie.
De vraag hoe materie en geest op elkaar inwerken is een oude en lastige vraag die wetenschappers en filosofen in verwarring heeft gebracht. We kunnen deze inleiding verder uitweiden richting de verschillende filosofische systemen die er zijn bedacht om antwoorden te formuleren. Zouden al die denksystemen door de tijd heen steeds een beetje dichter bij de waarheid zijn gekomen? Als we goed kijken dan blijkt echter dat sedert er gedachten opgeschreven en bewaard zijn, zodat wij ze kunnen lezen en vergelijken, er maar betrekkelijk weinig wereldbeschouwingen zijn en dat in de tijd, dezelfde typen steeds weer terug keren. De grote vragen waar het steeds weer op neer komt zijn als volgt te formuleren: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen?
Welnu, op ieder van deze vragen zijn in grote lijnen slechts enkele antwoorden mogelijk. Wat kan ik weten? Kan ik wel iets weten? Dat is de insteek van het Scepticisme. Reikt mijn kennis niet verder dan de verschijnselen, het uiterlijke? Zo denkt het Positivisme. Ben ik daarbij in mijn weten vooral aangewezen op ervaring, gewaarwording, waarneming? Dat is wat het Empirisme zegt. Van de andere kant benadert het Rationalisme de zaak door te stellen dat het juist het verstand, de rede is die als hoogste kenbron moet worden geëerd. Dit noemen we ook wel het verschil tussen het inductief (vanuit het kleine naar het grote) of deductief (vanuit het grote naar het kleine) denken. Mag ik trouwens wel aannemen dat aan mijn bewustzijn, mijn voorstellingen wel een werkelijkheid buiten mij beantwoordt? Dat vraagt het Realisme zich af. Het Idealisme slaat door in deze vraagstelling door te poneren dat er helemaal geen stoffelijke werkelijkheid is! Alleen de gedachten bestaan. Is er trouwens een hoogste Denker, een God? Is Hij het die alles heeft geschapen? Is Hij daarbij hoog verheven boven de wereld, onkenbaar en ongenaakbaar zoals het Deïsme stelt? Of is Hij één met de wereld, is de wereld, de kosmos zelf God zoals het Pantheïsme denkt? Of is God beide tegelijk, in de materie, maar tegelijk erboven verheven? Zowel immanent als transcendent? Dat is de lijn van het Theïsme. “Ach wat”, zegt het Materialisme, “er is helemaal geen hogere macht. Alles laat zich herleiden tot materie en energie”.

Zo kunnen we de vragen naar alle kanten uitbreiden en combineren. Toch zijn er steeds maar enkele antwoorden mogelijk. Het zou te ver voeren om al deze gedachten in de tijd uit te werken. Daar is deze inleiding te kort voor. We kiezen hier ook niet de lijn van de filosofie, maar van de wetenschap. Om de hele mikmak op een hoop te gooien en de zaak samen te vatten kunnen we stellen dat er momenteel drie concurrerende denksystemen zijn die hun visie op de werkelijkheid geven. En dat zijn het Christendom (Theïsme), het wetenschappelijk Naturalisme (Materialisme) van het moderne denken en uiteenlopende postmoderne alternatieven (de rest). Waarom?

De wetenschap.
Nu is het zo dat de wetenschap zich vanuit de filosofie heeft ontwikkeld. De oudst overgeleverde gedachten hieromtrent zijn die van de Griekse natuurfilosofen. Ze probeerden de werkelijkheid om hen heen in een alomvattend systeem te duiden. Natuurverschijnselen worden door deze denkers niet langer meer toegeschreven aan rechtstreeks ingrijpen van hun goden, maar als effecten van de in de natuur zelf schuilende krachten, al dan niet in samenspel met de goden. Daaruit zijn al die bovenstaande denklijnen ontstaan. In de vroege Middeleeuwen is bij die filosofische speculaties over de natuur een cruciale component voor de ontwikkeling van de Westerse wetenschap bijgevoegd: het experiment. We gingen onze gedachten toetsen aan de werkelijkheid. Het Christendom heeft hierin een onmisbare rol gespeeld. Christelijke denkers en onderzoekers geloofden dat hun God alles ordelijk geschapen had en dat het hun scheppingsopdracht was om die schepping te doorgronden, te bebouwen en te bewaren. Andere denksystemen en godsdiensten hebben dat vertrouwen niet. Er is dan geen grond om de werkelijkheid doelgericht te onderzoeken. Het Christendom is de katalysator geweest tot de ontwikkeling van de wetenschap zoals we die nu kennen. In toenemende mate wordt dat door onderzoekers weer onderschreven. Het is niet de Verlichting geweest, maar het Christendom die de stoot tot ontwikkeling gaf. Sterker nog: de Verlichting is oorspronkelijk een christelijke beweging geweest.

Door de toenemende kennis van de natuur en het ontdekken van de taal waarin de natuur te beschrijven is (de wiskunde) kwam er vanaf de 17e eeuw een soort euforie over de onderzoekers die hun het zicht op de Schepper van henzelf en hun onderzoeksmaterie deed verliezen. De mens was niet meer onderworpen aan het lot van de grillige natuur, maar kreeg steeds meer vat op die natuur en kon haar krachten tot eigen welzijn gaan manipuleren. De euforie van de macht om de natuur te bedwingen. Toen geleerden eenmaal zover van hun christelijke basis waren losgeweekt dat ze genoeg hadden aan de door hen beschreven natuurwetten, hadden ze God niet meer nodig. In zekere zin was dit ook een reactie op de Middeleeuwse Scholastiek. Dit was een verstrengeling van wetenschap, filosofie en theologie. Christelijke denkers probeerden geloof en verstand met elkaar te verzoenen door naar godsbewijzen in de natuur te zoeken. Dit ging vaak op zeer spitsvondige wijze. Hoewel ze nog maar weinig wisten, nog maar weinig puzzelstukjes voorhanden hadden, wilden ze al wel alles verklaren, de hele puzzel volleggen. Vandaar dat er een reactie kwam die stelde dat als God niet nodig is om een verklaring voor iets te zoeken, God ook niet genoemd moest worden.
Zo ontstond via het Deïsme het wetenschappelijk Naturalisme. Waarbij het Deïsme stelt dat God op de achtergrond nog mee mocht doen door aan het begin van het ontstaan van alles de wekker van de natuurwetten, later gespecificeerd als wetten van de evolutie, op te draaien en sindsdien rustig door te laten tikken. Het Naturalisme had uiteindelijk God niet meer nodig en zag de (wording van de) natuur als een zelfregulerend proces. Er is dus alleen materie. Vandaar ook Materialisme genoemd. Bij nadere beschouwing lijkt dit een terugkeer naar het magische verleden van het heidendom waaruit wij Europeanen gekomen zijn. Onze voorouders van voor de kerstening geloofden dat het uitsluitend de natuurgoden waren die alles bestuurden. Naturalistische wetenschappers geloven dat het alleen de natuurwetten zijn die alles besturen.

Toch schiet het moderne denken van het Naturalisme tekort. Het heeft geen uiteindelijke verklaring en kan geen antwoorden op de waarom?-vragen geven. Toen dat eenmaal bleek is het Postmoderne denken ontstaan. Deze denklijn geeft het op om de werkelijkheid te verklaren. Als denksystemen maar op dit moment voldoen, is het genoeg. Er wordt onder de postmodernen niet meer gezocht naar een uiteindelijke naturalistische verklaring van alles. Met alle wetenschappelijke vragen gaan ze pragmatisch om; als een model maar werkbaar is, is het voldoende. Naar het uiteindelijke waarheidsgehalte wordt niet meer gezocht.
Dus eerst was er het Christendom, daaruit ontstond het Naturalisme. De reactie daar weer op was het Postmodernisme.

Hoewel postmodernen uiterst kritisch staan tegenover de naturalistische aanspraken op de werkelijkheid, aanvaarden ze echter wel in grote lijnen de naturalistische evolutionaire visie op het ontstaan der dingen. Hoewel ze dus wel het verhaal van de naturalisten in grote lijnen aanhangen, halen ze bij de voor het Naturalisme onoplosbare problemen de schouders op, of ze vermoeden hier toch krachten van een hogere orde. En hier komen we eindelijk bij het onderwerp van deze inleiding: de stroming van het Intelligent Ontwerp. In het engels: Intelligent Design, of ook wel de Design Movement genaamd. Afgekort ID.

Kort overzicht.
We hebben tot nu toe kort beschreven dat het voortgaande wetenschappelijk onderzoek op alle terreinen een enorme en onvermoede complexiteit blootlegt. Dit doet de vragen alleen maar toenemen. Vooral ook nu blijkt dat de wiskunde een achterliggende werkelijkheid is: de taal waarin vastgelegd is hoe de materie zich dient te gedragen. Wie schreef die taal? Dit blaast de aloude discussie rond het wezen van de geest weer nieuw leven in. Van oudsher hebben denkers zich over dit probleem gebogen, en verschillende filosofische stromingen ontstonden. Het Christendom boog de natuurfilosofie om naar natuurwetenschap. Met het loslaten van de God van de Bijbel werd dit naturalistische wetenschap, de nu dominante wetenschapsstijl die alleen uitgaat van de natuurwetten en een hogere orde buiten het onderzoek plaatst. Nu gaat dat in zekere zin op voor het hier en nu, maar niet voor het verleden. Oorsprongsvragen overstijgen wetenschappelijk onderzoek. We kunnen modellen over de oorsprong opstellen, maar vervolgens kunnen we die modellen niet testen. We kunnen de schepping niet even overdoen. Overigens is het onzinnig van het Naturalisme om te claimen dat wereldbeschouwing of religie buiten het wetenschappelijk bedrijf kan gehouden worden. Bewijsmateriaal wordt geen bewijs voor iets zolang het niet gezien wordt door de bril van een wereldbeschouwing. De stap van waarneming naar verklaring kan niet zonder veronderstelling. Het is het verhaal, de wereldbeschouwing, het geloof waar je voor staat die de losse puzzelstukjes, de bewijzen, de argumenten in een logische samenhang plaatst. De uitdaging is: in welke ideologische puzzel passen de puzzelstukjes het beste?

ID.
Wat is nu de plaats van ID in dit alles en waar staat het eigenlijk voor? Kort gezegd: evolutie alleen is niet genoeg. Er moet wat bij. Waarom? ID is van oorsprong een beweging onder biologen en in toenemende mate ook onder filosofen, (astro)fysici en wiskundigen, die stelt dat de evolutietheorie aantoonbaar tekort schiet om de werkelijkheid te verklaren. Die zit te complex in elkaar om door alleen natuurlijke processen te kunnen zijn ontstaan. Stel je het maar voor dat je lukraak probeert je schoenen over je rug te smijten om ze netjes naast elkaar, precies op het plekje te krijgen waar je wilt. Heel misschien zou je dat lukken na honderdduizend keer gooien. Maar probeer nu eens om je paar schoenen daar te krijgen terwijl onder het gooien de veters worden gestrikt! Dat kan natuurlijk niet. Waarom niet? Het strikken van veters duidt op intelligentie. Meerdere handelingen moeten tegelijkertijd en op elkaar afgestemd uitgevoerd worden. Gestrikte veters zijn een complexe structuur. Een structuur die informatie vraagt voordat ze gemaakt kan worden. Het moet van te voren ontworpen zijn. Eenvoudig toeval kan niets toevoegen. We noemen dat onherleidbaar complex. Het strikken van veters is helemaal niets vergeleken met wat er allemaal wel niet voor een levende cel geregeld moet worden.

ID’ers hebben natuurlijk ook hun plaats in de geschiedenis. Waar komen ze vandaan? Zijn het naturalisten? Nee. Naturalisten geloven dat er alleen maar materie is en ID’ers proberen juist aan te tonen dat die verklaringsweg doodloopt. Vanwege hun wetenschappelijk werk traceren ze onherleidbaar complexe structuren in het leven en ze ervaren ‘een intelligentie’ achter de informatie die ze in levende structuren opgeslagen zien. Een Ontwerper van alles.

Zijn ID’ers dan christenen? Hoewel elke christen een potentiële ID’er is (natuurlijk zien wij een ‘Hogere Intelligentie’ achter het zichtbare, alleen niet elke christen is geleerd om dat in academische termen uit te drukken), is ID als beweging toch niet onder het Christendom te scharen. Waarom niet? Veel ID’ers zijn agnostisch over de Intelligentie die ze zien. Het zou de God van de Bijbel kunnen zijn, maar bijvoorbeeld ook de Demiurg van de gnostici, of iets anders. Bovendien heeft de werkwijze van God volgens de ID’ers die zich christen noemen, niets te maken met de manier van werken zoals orthodoxe christenen dat vanouds in de Bijbel lezen. En die lezen het gewoon zoals het er staat. God maakte alles in zes dagen en Adam moest de dieren een naam geven. Door de opstand van Adam kwam er echter strijd, pijn, bloed en dood in de wereld. ID’ers zeggen precies het omgekeerde: door het evolutionaire proces van strijd, pijn, bloed en dood van de niet aangepasten stond uiteindelijk Adam op. Dus wel een opstand, maar een radicaal andere! Het stempel van Gods ‘zeer goed’ behelst volgens ID’ers een gruwelijk proces van ellende! ID’ers lezen het scheppingsverhaal als een sprookje, een allegorisch verhaal. Adam wordt dan een overdrachtelijke naam voor ieder mens. En de eerste Adam is dan een mensachtige aap die begint na te denken. Nog confronterender gesteld: als wij die Adam tegen zouden komen, dan zou hij ons als prooi zien en niet als gesprekspartner.
Maar hoe zit dat dan met het paradijs en de zondeval? Zijn dat ook sprookjes? En de moederbelofte dan? De moederbelofte betekent dat uit de nakomelingen van Eva Jezus geboren zou worden. Hij zou de schuld vereffenen. Nadrukkelijk wordt Zijn geboorteregister in de Bijbel aangegeven. Met klem worden de profetieën over Zijn komst ons nagelaten. Allemaal om ons duidelijk te maken dat Hij de Beloofde is en dat Hij als de tweede Adam, de mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde, het werk van de eerste Adam over zou doen. Maar in een evolutionistische context is deze achillespees van het Christendom alleen maar projectie en niet echt gebeurd. Als de scheppingsgeschiedenis niet echt is gebeurd zoals het in de Bijbel staat, waar begint dan wel de echte geschiedenis in de Bijbel en wie gaat dat bepalen? Als dat oordeel afhangt van evolutionistisch denkende archeologen en historici, dan blijf je knippen in de Bijbel. Moest Jezus dan voor een sprookje op aarde komen en die onvoorstelbare prijs betalen? Uiteindelijk knip je dan de Heiland Zelf uit de Bijbel. Profeteren? Puur geluk, of achteraf opgeschreven. Wonderen? Opstanding? Kan natuurlijk niet. Moet je overdrachtelijk lezen. Hemelvaart? Onmogelijk. Trouwens, weten we wel zeker dat Jezus echt geleefd heeft? Enzovoorts. De evolutietheorie speelt bij elke bijbelkritische ‘theoloog’ een zeer grote rol! Nee, ID als beweging is niet christelijk te noemen en al helemaal niet bijbelvast. Let op, dat zegt dus niets over afzonderlijke wetenschappers die ontwerp in de natuur zien. Maar de beweging in zijn geheel is per definitie niet christelijk.

Dat willen ID’ers trouwens ook niet. Als ze namelijk aan zouden geven dat hun christen zijn de beweegreden zou zijn voor hun evolutiekritisch onderzoek, dan zouden ze nergens meer aan de bak komen. Wereldbeschouwing en wetenschapsbeoefening dienen namelijk strikt uit elkaar gehouden te worden. Die claim perst het Naturalisme ieder door de strot. Net alsof het Naturalisme geen ideologie is! En Naturalistische geleerden kunnen dat eisen, want ze zijn ‘de baas’.

Geen Naturalisme. Niet christelijk. Volgens bovenstaande indeling van de huidige concurrerende denksystemen blijft dan het Postmodernisme over. Postmodernistisch wil zeggen dat het Naturalisme van het moderne denken tekort schiet. En dat is precies wat ID doet. Maar het wonderlijke is dat ID’ers op een naturalistische wijze naar een niet naturalistisch bewijsbare hogere intelligentie toe willen redeneren.
ID is als filosofie al wel goed uitgewerkt, maar er is nog geen eigen werkmethode. Alleen aantonen dat de evolutietheorie - sinds Darwin ermee op de proppen kwam - nog niets aan verklarende kracht heeft gewonnen, is niet genoeg. Dat weten evolutionisten beter dan wij. Dus wat wordt het onderzoeksprogramma van ID? Wat worden de vragen waar ze zich op gaan richten? Dat wordt best spannend.

En het wordt nog spannender wanneer de echte christenen in deze beweging zich uiteindelijk uit durven spreken voor de (ook historische) waarheid van de Bijbel. Vreemd genoeg zien ze structuren die niet door de evolutietheorie zijn te verklaren, maar toch hangen ze deze theorie aan. Waarom? Dat komt door de dwang van een andere wetenschap: de geologie. ID’ers accepteren evolutie onder invloed van de onvoorstelbaar lange perioden die de geologie doceert. Ook zien ze voor hun ogen in de rotsen, van beneden naar boven, een opklimming van eenvoudige naar ingewikkelde fossielen (versteende diersoorten). Biologen weten niets van geologie. Toch is dat de wetenschap die de miljoenen jaren afdwingt. Het zou onvoorstelbaar lang duren voordat zand verhardt tot steen. Steen wat tergend langzaam samengedrukt en omhoog geperst wordt tot gebergte. Waarna het gebergte weer langzaam afslijt tot zand dat weer versteent, dat weer samengeperst en omhoog gedrukt wordt, afslijt, enzovoort. Het zou dan van intellectuele luiheid getuigen om niets met deze wetenschap te doen. Naturalistische geologie dwingt dus geleerden om het verslag van de schepping in de Bijbel niet letterlijk te nemen. De kosmologie laat ik hier buiten beschouwing omdat daar veel gegevens ontbreken en veel interpretatie vereist is. Geologie kun je vastpakken. Geologie is daarom de sleutel. Hoe verklaren wij de aardlagen met fossielen? Als wij geloven dat de Bijbel de hele wereldgeschiedenis, vanaf de schepping tot aan de herschepping beschrijft, waar zijn in die geschiedenis dan al die aardlagen ontstaan? Daarover wellicht meer in een andere inleiding.
Samenvattend kunnen we stellen dat ID onze steun verdient, want elke christen is immers een potentiële ID’er? Maar pas op! Dat betekent niet dat een ID’er automatisch christen is! ID vraagt om wetenschappers die voor de volledige waarheid van de Bijbel staan!

De gevaren.
Het net getekende aspect van ID is het gevaarlijkste: Gods Woord wordt niet helemaal serieus genomen. Theologen die in de arm genomen zijn door de ID-beweging zullen nu direct overeind steigeren. Ze zullen aanvoeren, zoals in hun boeken gedaan wordt, dat het ‘harde’ creationisme slechts een recent verschijnsel is. En let nu eens op hoe subtiel hun argumentatie is! Wat zij zien als het harde creationisme, dat uitgaat van een historische lezing van het scheppingsverslag met zes letterlijke dagen, is volgens hen slechts een reactie op de dwingende dogma’s van de evolutietheorie. Vroegere kerkvaders moeten volgens hun zeggen reeds zo pragmatisch en flexibel met deze teksten omgegaan zijn, dat ze er een allegoriserend verhaal van maakten. Maar! Vergeestelijkten (allegoriseerden) ze deze teksten omdat die teksten ooit zo verzonnen waren zodat zij daar nu bij konden allegoriseren, of namen zij een historische gebeurtenis (de schepping) als basis voor hun vergeestelijkingen? Dat laatste is een radicaal andere benadering! Een benadering die recht doet aan de Bijbel. En dat betekent dat we de Bijbel letterlijk nemen tenzij de Bijbel duidelijk aangeeft dat zoiets niet de bedoeling is en dat we ‘Schrift met Schrift’ vergelijken. Ter verklaring van de Bijbel zoeken we dus in eerste instantie in de Bijbel zelf en niet in een naturalistische wetenschapsbeoefening.
Daarom doet het mij pijn dat wat zo’n goede beweging voor het christendom zou kunnen zijn, nu juist een gevaar op gaat leveren! De schrijvers constateren zelf in het tweede boek ‘En God beschikte een worm’, dat geen enkele evolutionist ID’er is geworden, maar dat er wel een toenemend aantal orthodoxe gelovigen is die nu toch wat moderner en ruimer naar de Bijbel zijn gaan kijken. Kuitert is ook zo begonnen! En al die andere bijbelkritische theologen. Wie geeft ons het recht om zo met Gods Woord om te gaan, als de tekst zelf daar geen enkele reden voor geeft? Ik ben bang dat al diegenen die gewichtig disputeren over het begin van Gods Woord dat niet doen omdat de Bijbel hen daartoe dwingt, maar omdat ze zelf het zicht er op zijn kwijt geraakt. Daarom hullen ze Genesis in filosofische mist. Hun fundamentele geloofsvertrouwen, al mag dat nog zo kritisch zijn (!), heeft plaats gemaakt voor de fundamentele twijfel die de duivel influisterde bij Eva.

Overigens wil ik dit inleidende artikel afsluiten met een vergelijking tussen Cees Dekker en Andries Knevel. Waarom? Cees en Andries zijn twee kopstukken die een sleutelpositie in de geestelijke strijd van nu innemen. Want daar hebben wij toch zicht op, dat zich een geestelijke strijd afspeelt achter de coulissen van het zichtbare? Eigenlijk hoort de rol van Willem Ouweneel hier ook besproken te worden, maar hem laat ik nu nog even buiten beschouwing.

Cees Dekker is het boegbeeld van ID in Nederland geworden. Hij heeft inmiddels, met een keur aan medeschrijvers, twee boeken over ID het licht doen zien in ons land. Daar is veel beroering door ontstaan. Felle discussies in de Tweede Kamer over de scheiding tussen kerk en staat en over het zuiver houden van de wetenschap waren het gevolg. Het leek plotseling wel of heel Den Haag verstand van wetenschap had. Ook columnisten buitelden met bijtend sarcasme over de schrijvers heen. Cees is christen. En voorzover ik kan beoordelen een integer christen. Een broeder van ons. Alleen, Cees gelooft in evolutie en wel op postmodernistische wijze: in grote lijnen hangt hij de naturalistische evolutietheorie aan, maar betwist de claim van het Naturalisme om alles te kunnen verklaren. En dat doet hij gigantisch goed! Waarom gelooft Cees dan toch in evolutie? Ik kan mij dat helemaal voorstellen. Als jonge knaap is hij de academische wereld binnengestapt. Op een leeftijd dat al je ideeën nog in beweging zijn. In al die jaren is hij gekneed en in een malletje gewalst door de evolutionistische catechismus van het Naturalisme. Uiteindelijk bezwijk je in deze strijd en ga je zo denken. Om toch intellectueel je Bijbel hoog te houden, ga je dan maar (naturalistisch) onmogelijke passages allegoriseren. Klinkt onschuldig toch? Door zijn hoogstaand onderzoek is hij er inmiddels in geslaagd om aan te tonen dat evolutie nooit een mechanisme op zal kunnen leveren dat de werkelijkheid verklaart. In de onherleidbaar complexe structuren ziet Cees de hand van de Ontwerper. De hand van zijn God. Laten we bidden dat zijn God hem de ogen gaat openen voor de vruchteloze weg die hij is opgegaan. Ik heb vertrouwen dat het ooit zover komt. Cees heeft zich meerdere malen nadrukkelijk gedistantieerd van het Creationisme. Hij ziet creationisten als broeders van hem, zij het broeders die niet altijd even verstandig opereren. Die handschoen wil ik graag opnemen en Cees ter verantwoording roepen over deze en dergelijke uitspraken. Zie bijvoorbeeld het familieblad Terdege van september vorig jaar.

Verdrietiger kijk ik naar Andries Knevel. De man van de EO. Eind jaren 70 kwam hij bij die televisieorganisatie. Midden in de strijd rond evolutie of schepping. En hij ging tekeer als een furie. Niet direct omdat hij geraakt was door de aantasting van Gods eer, maar door de drang van de kijkcijfers. Hij moest zijn achterban tevreden stellen! Precies zo stelde hij het bij de presentatie van het eerste boek van Cees Dekker in hotel Sofitel in Den Haag. Ik voelde me hopeloos opgelaten toen ik daar zat acht juni vorig jaar rond twee uur ‘s middags. Ik krijg sterk de indruk dat Andries zijn organisatie handig bij Cees Dekker aanhaakt om de EO ook als intellectueel, jong, modern en dynamisch te profileren. Ten koste van de boodschap waar de EO voor staat: Gods eer! En ten koste van het Creationisme.
Kunnen we zeggen dat hij al te enthousiast van stapel is gelopen? Hij kan beter weten. Het is een kwestie van kiezen. Vele jaren eerder zijn de boeken van Ouweneel en Rehwinkel in Nederland uitgekomen. Ze waren razend populair. Het waren kopieën van Amerikaans creationistisch werk. Juist in die jaren kwam het Creationisme in Amerika op als reactie op het tot dogma verheven evolutiedenken. Het was een eerste reactie en niet meer te vergelijken met het prima werk wat daar nu vandaan komt. Toen was het wetenschappelijk niveau echter nog erg laag. Het functioneerde meer als een soort geloofsuitspraak. Hier in Nederland werd het echter als topwetenschap gepresenteerd en de gemiddelde christen achtte het evolutieprobleem uit de wereld geholpen. De student die met de werkelijkheid werd geconfronteerd, raakte echter in een hopeloze spagaat. Er klopte niet zoveel van het Creationisme! Andries Knevel leek zich daar echter niet zo in te verdiepen en hij ging vol enthousiasme door met zijn kruistocht tegen de evolutietheorie. Totdat… ook bij de EO door begon te sijpelen dat het niet allemaal koek en ei was wat ze rondbazuinden. En toen werd het stil. Opmerkelijk stil. De agnostische boeken van Arie van den Beukel van begin jaren 90 vormden een welkome aandachtsverlegging. Professor van den Beukel betwist in zijn heel leesbare boekjes de trotse aanspraken van het Naturalisme. Maar van den Beukel ,was ook toen al duidelijk geen creationist.

Inmiddels is de EO om, zij is overtuigd van de grote lijn van de evolutie, haakt aan bij ID en verguist, en dat vind ik het ergste, het Creationisme. De EO, met Andries als vurig aanvoerder, heeft in haar – laten we zeggen - enthousiasme van de jaren 70 en 80 het Creationisme een slechte naam bezorgd. Na een tijd van stilte kraken ze het af. Maar dat is niet eerlijk. Ze doen hun huiswerk niet. Publiekelijk wordt het Creationisme afgekraakt, maar creationisten krijgen geen kans om zich publiekelijk te verantwoorden. Kritiek op het Creationisme richt zich altijd op werk uit de jaren 70 en 80. Is er nog bereidheid om zich te verdiepen in de huidige stand van het Creationisme? Vandaar dat ik stel dat het een kwestie van kiezen is voor de EO. Het lijkt erop dat de EO (en de EH?) momenteel in hetzelfde proces zitten dat nog niet zo heel lang geleden de fundamenten van de (toen nog Gereformeerde) VU aantastte. Zo niet, laat ze dat dan duidelijk aantonen!

Laten we bidden voor inkeer en terugkeer! Durft de EO het Creationisme weer als geuzennaam te dragen?

Groetenis,
Jan Rein de Wit Azn.


Overigens sta ik open voor kritiek op dit schrijven.

Jan Rein de Wit (37) is getrouwd met Willeke en ze hebben vijf kinderen. Ze wonen vlak bij de vuurtoren van Urk. Hij is voorzitter van Stichting De Oude Wereld (www.oude-wereld.nl), een stichting die zoveel mogelijk christen wetenschappers, autodidacten en denkers bijeen probeert te roepen om een front te vormen tegen de verwoestende werking van de evolutietheorie.
Momenteel werkt hij samen met drs. Hans Hoogerduijn aan een boek over de aardgeschiedenis. Tien jaar literatuurstudie en onderzoek is vertaald in dit boek dat inmiddels in een vergevorderd stadium is. De eerste reacties op proefmanuscripten zijn bijzonder lovend. Waarschijnlijk gaat het een grote katalysator worden voor verder onderzoek. Steeds meer gaat blijken dat wij christenen geroepen worden om de werkelijkheid op een adequate wijze te kunnen verklaren. Wij geven in ons boek een verantwoording richting de geologie. Maar er is meer. Wie doet wat? Christen zijn betekent niet alleen geloven, maar vervolgens ook in beweging komen!

Bijgevoegd een literatuurlijst met betrekking tot dit artikel.

1. Andrews, E.H.(red), Concepts in Creationism, 1986, Evangelical Press, Welwyn.
2. Besten, G.J. den, Een nieuw millennium!, 1999, Biblion, Den Haag.
3. Bettex, A., De ontdekking der natuur, 1965, Gaade, Den Haag.
4. Beukel, A. van den, De dingen hebben hun geheim, 1990, Ten Have, Baarn.
5. Beukel, A. van den, Met andere ogen, 1994, Ten Have, Baarn.
6. Blockmans, W.(red), Europa door de eeuwen heen, 1994, Kosmos, Utrecht/Antwerpen.
7. Brederode, D. van, Mijn denken is hartstocht, 2002, Contact, Amsterdam/Antwerpen.
8. Bryson, B., Een kleine geschiedenis van bijna alles, 2004, Atlas, Amsterdam/Antwerpen.
9. Byl, J., God en de kosmos, 2002, De Groot Goudriaan, Kampen.
10. Byl, J., De ultieme uitdaging, 2003, De Groot Goudriaan, Kampen.
11. Conlan, R.(red), De werking van het heelal, 1992, Time-Life Boeken, Amsterdam.
12. Coudert, A., Alchemie, 1984, Ankh-Hermes, Deventer.
13. Dekker, C.(red), Schitterend ongeluk, of sporen van ontwerp?, 2005, Ten Have, Kampen.
14. Dekker, C.(red), En God beschikte een worm, 2006, Ten Have, Kampen.
15. Duncan, D.E., De kalender, 1998, BZZTôH, Den Haag.
16. Fast, J.P., Materie en leven, Centrale uitgeverij, Heerlen.
17. Fischer, E.P., Eureka!, 2002, Schuyt&Co, Haarlem.
18. Fischer, E.P., Einstein, Hawking, Singh&Co, 2004, Fontaine Uitgevers.
19. Gould, S.J., Time’s arrow, Time’s cycle, 1987, Harvard University Press, Cambridge.
20. Hawking, S., Het heelal, 1997, Bert Bakker, Amsterdam.
21. Herten, S., De universiteit van de duivel, 2002, Houtekiet, Antwerpen.
22. Hill, A.(red), Cambridge encyclopedie van de astronomie, 1978, Unieboek, Bussum.
23. Hulspas, M.&Nienhuys, J.W., Tussen waarheid en waanzin, 1997, Scheffers, Utrecht.
24. Jorink, E., Het boeck der natuere, proefschrift ter verkrijging van het doctoraat in de letteren, Rijksuniversiteit Groningen.
25. Junker, R.(cs), Entstehung und geschichte der lebewesen, 1986, Weyel lehrmittelverlag, Gießen.
26. Keestra, M., Tien Westerse filosofen, 2001, Nieuwezijds, Amsterdam.
27. Kruseman, W.M. cs., Grote denkers, van Hellas tot heden, 1956, Gaade, Delft.
28. Lippincott, K.(red), Het verhaal van de tijd, 1999, Schuyt&Co, Haarlem.
29. Margulis, L., De symbiotische planeet, 1999, Contact, Amsterdam/Antwerpen.
30. Morris, S.C., Hoe het leven de dingen regelt, 2004, Veen Magazines, Diemen.
31. Mortenson, T., The great turning point, 2004, Master Books, Green Forest.
32. Murray, C., Het menselijk genie, 2004, Het Spectrum, Utrecht.
33. Oele, P.C., En daar was licht, 2004, De Groot Goudriaan, Kampen.
34. Paul, M.J.(red), Bijbelcommentaar Genesis-Exodus. Studiebijbel Oude Testament Deel 1, 2004, Centrum voor bijbelonderzoek, Veenendaal.
35. Peursen, C.A. van, Filosofische oriëntatie, 1964, Kok, Kampen.
36. Roth, A., Oorsprong, 2003, Groen, Heerenveen.
37. Schaeffer, F.A., Hoe zouden wij dan leven?, 1977, Callenbach, Nijkerk.
38. Schilthuizen, M., Het mysterie der mysteriën, 2002, Nieuwezijds, Amsterdam.
39. Simpson, G.G., De betekenis van de evolutie, 1962, Het Spectrum, Utrecht.
40. Simpson, G.G., Het wereldbeeld van een evolutionist, 1968, Het Spectrum, Utrecht.
41. Smith, D.G.(red), Cambridge encyclopedie van de aardwetenschappen, 1983, Unieboek, Bussum.
42. Stewart, I., Over sneeuwkristallen en zebrastrepen, 2002, Uniepers, Abcoude.
43. Störig, H.J., Geschiedenis van de filosofie, 1959, Het Spectrum, Utrecht.
44. Swanenburg, B.D., De verovering der materie, 1950, de Haan, Utrecht.
45. Tukker, C.A., Bronnen bij de belijdenis, 2000, De Banier, Utrecht.
46. Waterink, J.(red), Cultuurgeschiedenis van het Christendom, 1957, Elsevier, Amsterdam/Brussel.
47. Wetenschappelijke Bibliografie, Natuur&Techniek, Maastricht/Brussel.
48. Wetenschappelijke Bibliotheek, Natuur&Techniek, Maastricht/Brussel.
49. Zimmer, C., Evolutie, 2002, Het Spectrum, Utrecht.
50. Toonder, Maarten, De Tijwisselaar, 1970, De Bezige Bij, Amsterdam. Dit laatste boekje geeft een leuke cartoon van de verhouding tussen wetenschap en (bij)geloof.


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Schriftkritiek