Homoseksualiteit

Homoseksualiteit

________________________________________
© Door Joe Dallas

Samenvatting

Het succes van de homorechtenbeweging kan worden gezien in de verschuivende publieke houding ten opzichte van homoseksualiteit. Voorstanders van homorechten hebben de afgelopen 30 jaar vaak en nadrukkelijk drie pro-homoseksuele argumenten herhaald. Deze argumenten hebben een ideologie gevormd die door enkele van onze meest krachtige culturele instellingen ondersteund wordt, en zelfs het denken van sommige christenen over het thema homoseksualiteit hebben omgevormd. Ze zijn geworden tot ‘conventionele wijsheid’. Het pro-homoseksuele publiek verwerpt niet alleen de traditionele visie op homoseksualiteit, maar bespot deze als onwetend, onverdraagzaam en gevaarlijk. Uiteraard vormt dit voor christenen een enorme uitdaging. Elke poging om met betrekking tot dit gevoelige onderwerp ‘de waarheid in liefde te spreken’ vereist dat christenen op deze drie punten van kritiek reageren op een beargumenteerde en evenwichtige manier.

Een van de argumenten van de homorechtenbeweging is dat homoseksualiteit ‘aangeboren’ zou zijn; en daarom zou het ook normaal en zo door God bedoeld zijn. Traditionalisten kunnen daarop antwoorden dat, hoewel de homoseksuele geaardheid/gerichtheid niet kan worden gekozen, homoseksuele handelingen duidelijk wel worden gekozen, waardoor de persoon die ze kiest toch moreel verantwoordelijk is. Bovendien is de menselijke natuur bezoedeld door de zonde. Net zoals aangeboren maar immorele neigingen als alcoholisme aantonen, betekent ‘aangeboren’ daarom niet noodzakelijk ‘normaal’ of ‘door God verordend’.

Een ander argument stelt dat de meeste homoseksuelen gewone fatsoenlijke mensen zijn en dat daarom een nadelig effect van hun homoseksualiteit te verwaarlozen zou zijn. Traditionalisten kunnen daarop antwoorden dat de Bijbel beweert (en menselijke ervaring bevestigt dat), dat homoseksualiteit een zonde is die significante negatieve gevolgen heeft. We zien die negatieve gevolgen in homoseksuele individuen, bij kinderen die zijn opgevoed door ouders van hetzelfde geslacht, en in samenlevingen die homoseksueel gedrag als normaal accepteren. 

Tenslotte wordt nog het intolerantie-argument gehanteerd, dat stelt dat het traditionele standpunt achterlijk en gevaarlijk is en daarom tot zwijgen moet worden gebracht. Traditionalisten kunnen antwoorden dat zij de waarde van homoseksuelen als personen volledig erkennen, en de irrationele overtuiging verwerpen dat het niet eens zijn met iemands gedrag hetzelfde zou zijn als hem of haar ontmenselijken of verwerpen.

Mijn ervaring in 1991

In 1991 nodigde Joan Rivers me uit om in haar show een christelijke visie op homoseksualiteit weer te geven. Even daarvoor hadden Rivers en het publiek in haar studio in New York een homostel hartelijk ontvangen. Het stel had verteld hoe zij als homoseksueel waren geboren en daarom niet konden veranderen, en toch God liefhadden en hun leven integer leidden. Het publiek uitte haar goedkeuring door gejuich en applaus, en dit publiek aanvaardde elk genoemd punt zonder vragen te stellen. Toen ik, met een tegengestelde opvatting, op het podium werd uitgenodigd, werd duidelijk dat ‘de schurk’ was aangekomen.

Rivers was ongelovig. "Hoe kun je zeggen dat homoseksualiteit verkeerd is," vroeg ze, "als God die gevoelens aan homo’s heeft gegeven?". “Ja, en wij zijn christenen, net als Joe”, viel de homo haar bij, "dus wij verwerpen zijn versie van de Bijbel”.

Mijn reactie werd afgebroken en ik werd overgeleverd aan het studiopubliek, dat geen poging deed om haar vijandigheid te verbergen, en mij belaagde met sarcastische vragen en het uiten van beschuldigingen. In het volgende half uur werd de Joan Rivers Show een ‘klaslokaal’ waar de leraren (de gastheer, een homopaar en een sociaal-liberaal publiek) tevergeefs probeerden mijn ‘achterhaalde’ ideeën te corrigeren.

Vijftien jaar later laten vergelijkbare lezingen van enkele van de meest invloedrijke seculiere instellingen (onderwijs, geestelijke gezondheidszorg, media en entertainment) zien dat ze niet alleen een pro-homo standpunt innemen, maar het zelfs agressief promoten. De daaruit voortvloeiende wijziging in de houding van de maatschappij ten opzichte van homoseksualiteit getuigt van het verbazingwekkende succes van homo-activisten en hun bondgenoten, en welke uitdaging dit succes vormt voor de kerk.

Groeiende kloof

Er is een groeiende kloof betreffende de visie op homoseksualiteit tussen traditionalisten (degenen die geloven dat heteroseksualiteit de morele standaard is) en revisionisten (degenen die geloven dat de morele standaard moet worden herzien om homoseksualiteit te legitimeren). Traditionalisten zijn ten tijde van dit schrijven een kleine meerderheid (namelijk 55 procent van de Amerikanen was in juni 2006 tegen het homohuwelijk, aldus een onderzoek van het Pew Research Center1), maar velen van hen voelen zich verworpen zoals ik tijdens dat interview in 1991. Dat komt omdat degenen die de microfoons vasthouden (verslaggevers, acteurs, gastheren in talkshows, en hoogleraren) ronduit ervoor uitkomen revisionist te zijn. Ze geven dezelfde visie over homoseksualiteit die ik in New York hoorde, vaak met veel passie en stijl. Hun visie noemt meestal een van de volgende drie argumenten:

Aangeborenheid: Homoseksualiteit is aangeboren en onveranderlijk; daarom is het normaal en door God zo verordineerd.

Het is niet belangrijk / waar maak je je druk over?: De meeste homoseksuelen zijn toch fatsoenlijke, respectabele burgers die toevallig homo zijn; daarom is hun seksuele gedrag niet zo van belang.

Intolerantie: De traditionele opvatting over homoseksualiteit is achterlijk en stimuleert anti-homo sentimenten, die leiden tot vooroordelen en geweld, en is daarom onaanvaardbaar.

Deze argumenten worden vaak gepresenteerd alsof ze bewezen zijn of vanzelfsprekend waar zijn. En iedereen, die deze argumenten niet onderschrijft, wordt als homofoob en intolerant voorgesteld. Veel christenen schrikken alleen al hierdoor terug voor een gedachtewisseling over het onderwerp. Er zijn echter tijden, dat christenen controversieel moeten zijn en zelfs de confrontatie moeten durven aangaan ter wille van de waarheid. We hebben een goddelijke opdracht van Christus ontvangen om niet alleen in de wereld te evangeliseren (Matt. 28:16-20), maar ook om het te beïnvloeden (Matt. 5:13-16). Jezus predikte het evangelie, maar sprak ook over sociale kwesties zoals racisme en seksisme (Johannes 4:4-11), religieuze hypocrisie (Matt. 6:1-2, 5-6), en het misbruik van macht (Matt. 20:25-26).

Paulus instrueerde de Efeziërs niet alleen om zich af te scheiden van immoraliteit, maar ook om het openlijk terecht te wijzen (Ef. 5:11). Wij zijn ook geroepen en nodig om in de huidige cultuur duidelijke bijbelse standpunten te formuleren over controversiële kwesties die in onze hedendaagse samenleving relevant zijn. Seksuele thema’s zijn niet van dit mandaat vrijgesteld. Als we weigeren deze uitdaging aan te gaan, dan verzaken we ook onze roeping om zowel zout als licht te zijn voor hen die verloren dreigen te gaan.

Voorbeelden

De wereldwijde westerse cultuur toont een ongekend verzet tegen iedere visie op homoseksualiteit vanuit een traditioneel perspectief, zowel in de openbare fora (discussieplatforms), in academische kringen, of zelfs in onze eigen kerken en kringen. Enkele voorbeelden:

  • In 2004 bekeerde een vrouw uit Colorado zich tot het christendom en trok als gevolg daarvan zich terug uit een lesbische relatie. Toen zij en haar ex-partner naar de rechter gingen om de voogdij te regelen voor de dochter die ze samen hadden opgevoed, beval de rechter haar dat ze haar dochter niet mocht blootstellen aan religieus materiaal dat kritisch staat tegenover homoseksualiteit.2
  • In Washington DC oordeelde een rechter dat de katholieke kerk ‘verschrikkelijk geweld’ had begaan tegenover een homoseksuele man aan wie zij de communie geweigerd had vanwege zijn openlijke homoseksualiteit.3
  • In Canada zijn openbare verklaringen (ook al zijn die gemaakt vanaf de kansel) die ‘aanzetten tot haat’ jegens homoseksuelen illegaal verklaard, maar wat ‘aanzetten tot haat’ is blijft onduidelijk.4
  • In Zweden werd in 2005 een predikant veroordeeld tot gevangenisstraf voor het overtreden van Zweedse ‘haat en misdaad’ -wetten vanwege zijn preken in zijn gemeente tegen homoseksualiteit.5

Revisionisten hebben het recht aangevochten om de traditionele opvatting over homoseksualiteit uit te dragen, en de eis gesteld dat voorstanders van deze traditionele visie moeten uitleggen waarom ze het revisionistische standpunt verwerpen. Een redactioneel artikel in Christianity Today tijdschrift merkt op: "Dit wordt steeds meer een onontkoombaar conflict voor elke kerk die de duidelijke bijbelse boodschap over seks durft te leren”.6

Spreken over homoseksualiteit is dus onontkoombaar. Sommigen van ons hebben geliefden, collega's of familieleden die homo zijn of die de homo-ideologie omarmen en met wie we erover zouden willen praten. Anderen behoren tot denominaties die verdeeld zijn over de kwestie. Sommigen van ons werken in bedrijfstakken die sterk beïnvloed zijn door de homo-lobby; anderen zijn gewoon bezorgde burgers. Ieder van ons wordt beïnvloed door het thema, en het is zeer waarschijnlijk dat ieder van ons op een bepaald moment, ofwel zich gedwongen zal voelen de revisionistische positie over te nemen of onze argumenten voor het handhaven van de traditionele visie duidelijk zal moeten maken. Teneinde beter uitgerust te zijn om deze uitdaging aan te kunnen gaan, zal dit artikel een antwoord aanreiken betreffende de drie fundamentele argumenten van het revisionistische kamp.

Aangeborenheid

De bewering dat sommige individuen als ‘homo geboren’ zijn maakt de kwestie voor velen heel eenvoudig omdat het gevolg ervan is dat mensen zich prettiger voelen over hun seksuele geaardheid, of over iemand om wie ze geven. Het kan familieleden troosten, omdat je, zoals een moeder van een homoseksuele verklaarde, kunt zeggen: "Een genetische component zegt dat dit niet een fout is; dat het niet jouw schuld is".7 Iemand die homo is kan dit als een opluchting ervaren: “Het gaf me een goed gevoel over mezelf", en "Ik voelde me minder een zondaar", zoals een homoseksuele man opmerkte. 8 Het kan zelfs een traditionalist, zoals William Cheshire, conservatieve uitgever voor de Republiek van Arizona, doen veranderen in een revisionist. Cheshire verklaarde in 1993 dat zijn "gevoelens over homo's en lesbiennes werden gedomineerd door religieuze overtuigingen". Na het lezen van studies die suggereren dat homoseksualiteit zou zijn aangeboren, werd zijn houding volledig omgekeerd waardoor hij homorechten ging ondersteunen.9

Geen wonder dus dat de veronderstelde aangeborenheid van homoseksualiteit een geliefd argument is voor revisionisten. Als homoseksualiteit aangeboren is, moet het net zo worden gezien als ras of geslacht, waardoor homoseksuelen dezelfde minderheidsstatus krijgen als bijvoorbeeld Afro-Amerikanen of vrouwen. Het koppelen van homorechten aan burgerrechten verleent aan homoseksuelen de status van een bepaalde onderdrukte groep die strijdt voor waardigheid en een eerlijke behandeling. Het plaatst traditionalisten in dezelfde onderdrukkende klasse als hen die tegen burgerrechten zijn.

Dat is een winnende strategie. In de eerder aangehaalde peiling van het Pew Research Center werd een directe samenhang gevonden tussen het geloof dat homoseksualiteit is aangeboren en de steun voor het homohuwelijk. Onder de respondenten die geloofden dat homoseksualiteit is ‘aangeboren’, ondersteunde 58 procent ook een herdefiniëring van het huwelijk aan koppels die tot hetzelfde geslacht behoren, maar onder degenen die geloofden dat homoseksualiteit is ontstaan na de geboorte, was meer dan 70 procent tegen deze herdefinitie.10 Het verband tussen geloof in de aangeborenheid van homoseksualiteit en de acceptatie van homoseksualiteit is dus sterk. Als homoseksualiteit is aangeboren, aldus revisionisten, is het onveranderlijk, en moet het dus zo door God geschapen zijn.

Traditionalisten zijn geneigd om hier een van de volgende twee fouten te maken. De eerste is een voorspelbare, a.h.w. reflexmatige reactie die de integriteit van de onderzoekers die homoseksualiteit koppelen aan biologie aanvalt en hen beschuldigt van politieke motieven. Het is uiteraard legitiem om dergelijke studies in twijfel te trekken, maar het is verkeerd om ze ronduit af te wijzen; elk onderzoek moet een eerlijk proces krijgen, zonder dat men toevlucht neemt tot drogredenen (‘ad hominem’ argumenten). Rob Schenck, mede-oprichter van de evangelische beleidsgroep ‘Geloof en Actie’ in Washington DC, stelt: "Als het niet te ontkennen is dat er een bepaald wetenschappelijk bewijs zou zijn, moeten we bereid zijn dat met een liefdevolle reactie te aanvaarden. Als we die niet hebben, zijn evangelicalen niet geloofwaardig".11

Zo'n antwoord stelt de eis dat de studies zijn geverifieerd en door collega-onderzoekers zijn aanvaard. Het bevestigt verder de resultaten die onaantastbaar lijken. Daarmee geeft het aan revisionisten geen ondersteunende bevestiging, omdat deze studies alleen maar gaan over de oorsprong van homoseksualiteit; ze bewijzen niet dat het normaal is of dat het iets zegt over moraliteit.

Dit leidt tot een tweede veel voorkomende fout. Traditionalisten nemen vaak aan dat wij theorieën over het ontstaan van homoseksualiteit moeten weerleggen teneinde vast te kunnen houden aan het bijbelse standpunt dat homoseksualiteit immoreel is: ofwel homoseksualiteit is aangeboren en dus niet immoreel of het is immoreel en dus niet aangeboren. Traditionalisten lopen daardoor in de val van lange, ineffectieve debatten die het kernpunt missen: een eigenschap kan een genetische of biologische oorsprong hebben, maar toch nog steeds ongezond en immoreel zijn. Met andere woorden, de veronderstelling dat homoseksualiteit aangeboren is, kan waar zijn, maar zelfs indien het zo is, kan daarmee niet de conclusie worden getrokken dat homoseksualiteit ‘dus’ moreel verantwoord is.

Veel deskundigen beweren dat alcoholisme, zwaarlijvigheid, en geweld geheel of gedeeltelijk worden beïnvloed door genen. Experts beschouwen deze gedragingen ook als onveranderlijke, aanhoudende neigingen die men een leven lang onder controle moet houden en waartegen men weerstand moet bieden.12 Niemand pleit voor de morele legitimiteit van deze kenmerken, alleen maar omdat ze aangeboren kunnen zijn. De consensus onder professionals en leken is dat ‘aangeboren’ niet noodzakelijk ‘goed’ betekent, en dat ‘onveranderlijk’ niet het normaliseren van een eigenschap rechtvaardigt. Homoseksualiteit is niet vrijgesteld van deze overeenstemming op basis van het gezonde verstand.

Een christelijk antwoord

Het argument dat homo-seksualiteit is aangeboren, krijgt zijn kracht uit de mening dat wat we zijn datgene is zoals we bedoeld zijn. De ervaring leert ons anders; geboorteafwijkingen zoals bijvoorbeeld een bochel of andere misvormingen van ledematen, en een vroege neiging tot antisociaal gedrag zijn niet het werk van een liefdevolle Schepper. We zijn onvolmaakt vanaf de geboorte; wij zijn onvolmaakt in het leven. Dit getuigt van het feit dat onze menselijke natuur gevallen is, d.w.z. zondig is, een fundamenteel begrip in het christendom.

David klaagt dat hij werd geboren in zonde (Ps. 51:5) en Paulus bevestigt zowel de aangeboren zondige aard en onze voortdurende strijd ermee (Rom. 6-7). De eerste menselijke tragedie die we in de Schrift zien, spreekt hierover wanneer God aan Adam duidelijk maakt dat de invloed van de zonde op hem en zijn nageslacht zowel geestelijk als lichamelijk zal zijn (Gen. 3:17-19; zie ook Romeinen 5:12-20.). De zondige natuur manifesteert zich vanaf de geboorte en we worstelen ermee tot de dood.

Traditionalisten zien de homoseksuele gerichtheid of aantrekking als een van de vele manifestaties van de gevallen natuur, en homoseksueel gedrag als een bewuste, immorele reactie op een dergelijke geneigdheid. We kunnen toegeven dat de geneigdheid onvrijwillig is; immers mensen kiezen er niet voor om te worden aangetrokken tot hetzelfde geslacht net zomin als mensen ervoor kiezen om te worden geboren met een zondige natuur, maar het overgrote deel van het bewijs over de oorsprong van homoseksualiteit wijst nog steeds naar een combinatie van biologische, psychologische en omgevingsfactoren als de wortel ervan.13 Gezien het samenspel van deze factoren, lijkt het waarschijnlijk dat homoseksuele gerichtheid ontstaat in de loop van het ontwikkelingsproces van een persoon in plaats van te worden bepaald bij de geboorte, als het ware als een weg van de minste weerstand. Wat de oorzaak ook is, homoseksuele geaardheid wordt meestal niet gekozen, maar ontdekt.

Zodra een persoon zijn of haar homoseksuele gerichtheid ontdekt, kan die persoon ervoor kiezen al of niet naar die gerichtheid te handelen, net zoals ieder lid van Adams geslacht er al of niet voor kan kiezen te handelen naar zijn of haar zondige natuur. Dit is waar de morele schuld aan de orde komt: eigenschappen kunnen 

niet-gekozen zijn, maar daden worden wel gekozen. Het is uiteraard moeilijk ​​om diepgewortelde zondige gevoelens te weerstaan, maar dat is nu juist de uitdaging die de gevallen mens onder ogen moet zien.

Dezelfde logica geldt voor de gevoelens die onveranderlijk lijken. Ik heb in mijn eigen leven en onder de mensen die ik sinds 1987 heb geholpen, gemerkt dat wanneer een eerder vastgeroest seksueel gedrag wordt losgelaten, de verleidingen nog wel kunnen blijven, maar in de loop van de tijd minder sterk worden. Dit bevestigt de traditionalistische visie. De zondeval beïnvloedt zowel ons lichaam als onze ziel, en Paulus spreekt over de strijd tussen vlees en geest (Rom. 7:14-25; Gal. 5:17), een strijd waarvan iedere eerlijke gelovige zal kunnen getuigen.

De volgende drie punten vatten het antwoord van de traditionalisten tegen het argument dat homoseksualiteit aangeboren is, samen. Ten eerste lijkt homoseksualiteit, net als veel seksuele of emotionele neigingen, vroeg in het leven te verschijnen en gedurende een leven diep ingesleten te blijven; hoewel homoseksuele gerichtheid niet kan worden gekozen, is homoseksueel gedrag wel duidelijk gekozen; dus degenen die het kiezen, zijn moreel aansprakelijk. Ten tweede betekent ‘niet-gekozen’ en ‘onveranderlijkheid’ niet noodzakelijkerwijs ‘aangeboren’. Het is nog onduidelijk welke rol genetische, biologische, of andere factoren spelen bij de vorming van homoseksuele verlangens. Tot slot betekent ‘aangeboren’ niet ‘normaal’ of ‘zo door God verordend’. Veel eigenschappen zijn aangeboren, maar hun oorsprong bepaalt niet perse hun normaliteit of moraal. Dat laatste vereist een meer inhoudelijke norm dan de verklaring van ‘het is zo aangeboren’.

Het is te verwaarlozen: het is niet belangrijk / waar maak je je druk over?

Het uitgangspunt dat de meeste homoseksuelen respectabele burgers zijn, kan waar zijn, maar de conclusie dat hun homoseksuele gedrag daarom niet van belang is niet. Bij het spreken over dit onderwerp ben ik vaak benaderd door een goedbedoelende persoon die zegt: "Ik heb een homo broer / zus / vriend die een liefdevol en verantwoordelijk mens is. Dus waarom maak je je druk over iemands seksleven als hij of zij niemand pijn doet?” Voor sommige mensen is het moeilijk om de seksualiteit van iemand die sympathiek en van behoorlijk karakter als een groot probleem te zien, vooral wanneer het wordt vergeleken met de dringende problemen die onze media-verzadigde cultuur ons dagelijks laat zien, zoals terroristische dreigingen, wereldwijde armoede, ongebreideld geweld en andere wreedheden.

Het wordt nog moeilijker om de traditionalistische opvatting vast te houden wanneer deze het gedrag van iemand die we liefhebben, veroordeelt. We zouden het liever met elkaar eens zijn dan verdeeld te zijn over morele kwesties, en dat verlangen naar eenheid leidt bij veel mensen, inclusief christelijke leiders, ertoe de impact van homoseksualiteit te minimaliseren. Voorbeelden te over: voormalig president Jimmy Carter14, auteur Brian McLaren15, gospelzangeres Cynthia Clawson16 en Chuck Smith Jr., zoon van de hoog aangeschreven grondlegger van de Calvary Chapel beweging (zie Reviews, blz. 47)17, hebben publiekelijk hun geloof verwoord dat homoseksualiteit hooguit een secundaire kwestie is, en dat traditionalisten hun positie opnieuw moeten heroverwegen, en dat de homoseksuele praktijk niet veroordeeld moet worden door of zelfs binnen de kerk.

Het samengaan van waarheid en emoties is zowel verward als verwarrend. Seksuele zaken tussen met elkaar instemmende volwassenen worden in onze cultuur, en zelfs in toenemende mate ook in de kerk, gezien als onbelangrijk, als iets wat die ander zelf moet weten en slechts een kwestie is van ieders individuele geweten, zoals ook bij het drinken van alcohol of dansen het geval is, maar beslist geen reden tot bezorgdheid. De traditionalist die de zaak serieuzer ziet, wordt gezien als iemand die wettisch is en kibbelt over kleine zaken, terwijl gewichtiger zaken door hem genegeerd worden.

Een christelijk antwoord

Vanuit een bijbels perspectief is seksueel gedrag echter allesbehalve onbelangrijk. Volgens het scheppingsverhaal in Genesis juichte God toen Hij alles zag wat Hij gemaakt had, met inbegrip van de man en de vrouw in hun naakte seksualiteit. Later wordt in de Schrift aan de seksuele gemeenschap de hoogste eer toegekend, wanneer het wordt gebruikt als een type (of voorbeeld) van Gods intieme, hartstochtelijke toewijding tot Zijn volk (Jes. 54:5-6, Hos. 2:19-20; Ef. 5:22-33). Daarentegen wordt homoseksualiteit slechts in negatieve zin in de Schrift genoemd; en als een verbintenis tussen twee mensen van hetzelfde geslacht kan het niet de belichaming zijn van het complementaire mysterie dat een relatie, een vereniging tussen en man en vrouw biedt (Lev. 18:22; 20:13; Rom. 1:26-27; 1 Kor. 6:09; 1 Tim. 1:10).

Vandaar dat traditionalisten seksualiteit zien als iets dat belangrijk is en krachtig moet worden beschermd. We nemen de richtlijnen erover letterlijk en serieus, omdat de Schrift in ijzingwekkende details de wanorde beschrijft die volgt wanneer mensen deze leefregels loslaten.18 We promoten deze richtlijnen in de hoop onze vrienden en buren het verdriet te besparen dat seksuele verwarring met zich meebrengt.

Wanneer verschillende staten, en misschien uiteindelijk de Verenigde Staten als natie, de legalisering van het homohuwelijk overwegen, en dus de legitimatie van homoseksualiteit zelf, wordt de noodzaak tot deze promotie van de traditionele opvatting versterkt door drie overtuigingen: a) het traditionele huwelijk stabiliseert de samenleving; b) herdefiniëren van het traditionele huwelijk zal een destabiliserend effect hebben op het huwelijk en op de cultuur; en c) ouders van hetzelfde geslacht kunnen niet de voordelen aan kinderen bieden die ouders van tweeërlei geslacht wel kunnen bieden.

Er is bewijs in overvloed dat het traditionele huwelijk iemands levensduur, en de lichamelijke en psychische gezondheid en financiële zekerheid verhoogt.19 Wat voor individuen geldt, gaat dus ook op voor de cultuur; dat wat stabiliteit oplevert voor de een, is ook een voordeel voor ieder ander. Indien men het ​​homohuwelijk overweegt, dan is het de vraag of dit het ​​instituut huwelijk zal verzwakken, versterken, of dat het geen invloed erop of op de cultuur zal hebben. Het tot nu toe aanwezige bewijsmateriaal wijst, zoals uit het volgende zal blijken, op een duidelijk verzwakkend effect.

Een decennium geleden voorspelde de vermaarde homo-journalist Andrew Sullivan dat, wanneer homoseksuele paren het recht zouden krijgen om te trouwen, dit de manier zou veranderen waarop heteroseksuele paren het homohuwelijk zouden opvatten, vooral waar het monogamie betreft.  Met ‘de behoefte aan buiten-huwelijkse alternatieven’ als argument, suggereerde hij dat de praktijk van niet-monogamie, die zo vaak voorkomt bij homoseksuele paren, de gedachten van heteroseksuele koppels zou openen voor de vrijheid van een ‘open contract’ dat het mogelijk zou kunnen maken dat zowel de man als de vrouw van meerdere seksuele partners zouden moeten kunnen genieten.20

Sullivan’s schijnbaar schandelijke woorden zijn achteraf profetisch geworden. De bewering dat het legaliseren van het homohuwelijk de homoseksuele mannen aan het huiselijke leven zal doen gewennen, is niet waar gebleken. Integendeel, homoseksuele paren veranderen het huwelijk meer dan het huwelijk hen verandert.

Uit een studie in Nederland, waar het homohuwelijk het eerst werd gelegaliseerd, bleek dat homoseksuele mannen in het homohuwelijk een gemiddelde van acht sekspartners per jaar buiten hun huwelijk of partnerschap hadden, gewoonlijk met volledig medeweten van hun partner.21 Columnist Stanley Kurtz merkte op dat het in Zweden en Noorwegen verlenen van huwelijksrechten aan paren van hetzelfde geslacht heeft geresulteerd in een algemene culturele trend van het huwelijk af in de richting van ‘meer buitenechtelijke geboorten en een dramatische ontbinding van het gezin’.22 Iets dergelijks rapporteert het New York Magazine: "Veel heteroparen worstelen met het thema monogamie, kijken naar homoseksuele mannelijke vrienden, voor wie een meer vloeiende en losser idee over betrokkenheid en trouw de praktijknorm is". Het artikel beschrijft de wens van een heteroseksuele man zijn huwelijk ‘open’ te maken toen hij hoorde wat zijn homoseksuele vriend vertelde over diens seksuele bezigheden buiten zijn vaste relatie.23

Niemand kan redelijkerwijs stellen dat bredere acceptatie van overspel en de daaruit voortvloeiende huiselijke instabiliteit ooit in het belang kan zijn van echtparen, kinderen, of de samenleving als geheel. Verder kan niemand de voordelen ontkennen die de opvoeding door een heteroseksueel paar (met de inherente visies en sterke punten van beide geslachten) biedt, in tegenstelling tot de gelijkheid van een homoseksueel paar.24 Sommigen zouden kunnen tegenwerpen dat het huwelijk zich al in een jammerlijke toestand bevindt en wijzen op het hoge aantal echtscheidingen en onredelijk hoge niveaus van huiselijk geweld en disfunctioneren, maar dit argument wijst echter op de noodzaak om het huwelijk te hervormen, en niet om het te herdefiniëren. Meer rommel toevoegen aan een reeds rommelig huis is niet de oplossing. Daarom willen we met respect maar dringend oproepen tot een totale schoonmaak, ook qua cultuur.

Onder christelijke gelovigen bepleiten wij niet alleen voor het aanvaarden van de traditionele standaard, maar ook voor de versterking ervan. We zijn het dus niet eens met degenen die de betekenis van homoseksualiteit in de kerk bagatelliseren, en wel om drie redenen.

Ten eerste omdat de Bijbel, die onze autoriteit is voor het leven en handelen, incest, overspel, bestialiteit, ontucht, prostitutie en homoseksualiteit in negatieve en verbiedende bewoordingen beschrijft. Wij bevestigen dat er zoiets bestaat als seksuele zonden, die specifieke en unieke gevolgen (1 Kor. 6:18) met zich brengen, en dat homoseksualiteit een van deze vele zonden is.

Ten tweede, in tegenstelling tot beweringen dat homoseksualiteit onder christenen slechts een persoonlijke of secundaire kwestie is, is betrokkenheid bij voortdurende seksuele zonde in feite een van de weinige redenen die Paulus gaf voor het excommuniceren van een kerklid of om zich van hem of haar te distantiëren (1 Kor. 5:1-5, 11-13). Als we bevolen worden ons af te zonderen van een gelovige die betrokken is bij dergelijke zonde, kunnen we het nauwelijks als iets onbelangrijks beschouwen.

Ten derde, de handhaving van deze normen is noodzakelijk voor de zuiverheid en de gezondheid van de kerk in het algemeen (1 Kor. 5:6). Wij erkennen dit als een noodzaak en belangrijker dan ‘het maar op zijn beloop laten’.

Deze visie ontkent niet de erkenning door traditionalisten van het karakter en de kwaliteiten van vele homoseksuelen. We kunnen onderscheid maken tussen goede eigenschappen en fout gedrag zonder dat het ene het andere teniet doet. Zo kunnen we bijvoorbeeld de humor van Ellen DeGeneres, de virtuositeit van Elton John, of de inzichten van journalist Andrew Sullivan waarderen. We kunnen ook de kwaliteiten van onze homoseksuele vrienden en geliefden waarderen, terwijl we toch een duidelijk standpunt over homoseksualiteit als zodanig vasthouden en onder woorden brengen.

Het argument dat als het karakter van een homoseksueel goed is, zijn seksualiteit vanwege zijn karaktergoedheid niet van belang is, gaat voorbij aan wat zowel de Schrift als het gezonde verstand ons leren. Goede mensen kunnen slechte dingen doen, en slechte dingen kunnen niet worden heringedeeld vanwege de goedheid van de mensen die ze doen.

Rachab de hoer, bijvoorbeeld, speelde een centrale rol in de Israëlische verovering van Jericho. Door een afspraak te maken met de verspieders van Jozua gaf ze hen onderdak, redde ze zichzelf en haar familie van de vernietiging die over Jericho’s andere bewoners werd gebracht (Jozua 2) en verwierf ze daarmee een plaats in de lijst van ‘geloofshelden’ (Hebr. 11:31). Ze was niettemin een hoer. Is er iemand die zou willen suggereren dat juist vanwege het feit dat Rachab iets goeds deed en daarmee haar zaligmakend geloof had laten zien, dat ‘dus’ prostitutie zou kunnen worden gelegitimeerd?

Koning David werd aangeduid als ‘een man naar [Gods] eigen hart’ (1 Sam. 13:14 NBV). Kon zijn beruchte overspel met Bathseba en de moord op haar man Uria (2 Sam. 11:2-5, 6-25) worden beschouwd als ‘onbelangrijk’ vanwege die onmiskenbare aanduiding? Ondanks Davids ereplaats in Gods Koninkrijk, was de prijs die van hem en zijn familie werd afgeëist vanwege zijn zonde (de dood van het kind dat in het overspel was verwekt) ernstig. Er is een dus een duidelijk verschil tussen een goed karakter en slechte daden, die beide naast elkaar in dezelfde persoon kunnen bestaan.

Homoseksualiteit is een belangrijke zonde die een duidelijk en alomvattend christelijke antwoord rechtvaardigt. Wanneer het in onze cultuur wordt gepraktiseerd, zou de kerk erop moeten reageren net zoals we zouden (moeten) doen tegenover elke andere zonde die door de cultuur openlijk geaccepteerd en verheerlijkt wordt: met liefdevolle zorg voor de zondaar, met steekhoudende argumenten tegen de zonde, en met vurig gebed dat de revisionisten binnen onze cultuur van gedachten zullen veranderen. Wanneer zonden binnen de kerk voorkomen, moet de kerk die duidelijk afwijzen en berispen, en de zonde corrigeren opdat de broeder of zuster die gezondigd heeft, tot berouw komt.

Andere levens-dominerende zonden bestaan ​​ook in de kerk. Revisionisten beschuldigen traditionalisten vaak ervan zich uitsluitend te richten op de seksuele zonden, terwijl zij op hypocriete wijze andere niet-seksuele zonden, die even zwaar zijn, door de vingers zien. Dit is een kritiek die de kerk zich dient aan te trekken. De kerk moet zonden erkennen zoals bijvoorbeeld hebzucht, materialisme, en roddels wanneer deze ​​onder gelovigen aanwezig zijn, en corrigerend optreden. Te vaak negeert de kerk ze, waardoor zij aan revisionisten grond geeft voor hun beschuldiging van huichelarij aan het adres van de kerk.

Dezelfde fout maken met betrekking tot homoseksualiteit door het gewoon maar te negeren, is echter niet het antwoord. De meest effectieve en bijbelse reactie lijkt te zijn om alle zonden ernstig op te vatten en te eisen dat de zondaar zich bekeert, vergeving van God vraagt, en dat er in de reactie van de kerk een fijngevoelig evenwicht bestaat tussen genade en discipline.

Onverdraagzaamheid

In Through the Looking Glass illustreerde Lewis Carroll de macht in handen van degene die bepaalt wat een woord betekent:

"Als ik een woord gebruik", zei Humpty Dumpty op een nogal smalende toon, "betekent het gewoon datgene wat ik kies dat het betekent, niets meer en niets minder."

"De vraag is," zei Alice, "of je woorden zo veel verschillende dingen kunt laten betekenen".

"De vraag is", zei Humpty Dumpty, "wie de meester is, dat is alles".

Wie de meester is, is inderdaad de vraag, want wie beslist over de betekenis van een woord bepaalt en beheerst het debat, en houdt zich het recht voor om woorden te definiëren zoals hij of zij wil. Daarin ligt de kracht van het intolerantie-argument.

In het verleden waren mensen het over het algemeen eens over de betekenis van de woorden haat, geweld en fanatisme, en dat die handelingen als immoreel werden beschouwd. Wanneer een persoon de term ‘haat’ hanteerde met betrekking tot een andere persoon of groep van mensen, vatten zowel de spreker als de luisteraar de term op als een kwaadaardig verlangen om iemand met woorden en/óf daden schade toe te brengen. Als iemand sprak over ‘geweld’, begrepen alle partijen dat dit letterlijk en fysiek letsel betekende. Met andere woorden, de maatschappij werd geordend door dezelfde regels: er was een onderlinge overeenstemming over de betekenis van termen.

Net als Alice zijn we tegenwoordig via de spiegel in een vreemde nieuwe wereld gestapt waarin een gemeenschappelijk begrip van termen en definities niet meer bestaat. Voor velen in onze postmoderne wereld betekent ‘geloof’ nu ‘fanatisme’ of ‘haat’ en een ‘morele standaard’ betekent ‘veroordelend intolerantie’. Bijna iedereen in onze cultuur is het er nog steeds mee eens dat dingen zoals fanatisme en intolerantie verkeerd zijn, maar we hebben onze gemeenschappelijke perceptie verloren van wat moet worden beschouwd als fanatisme of intolerantie. Er is een taalkundige anarchie ontstaan waarin termen gemakkelijk en strategisch kunnen worden ingevuld zoals het iemand ‘goed’ uitkomt.

Nergens heeft deze perversie van het taalgebruik zich duidelijker laten zien dan in debatten over homoseksualiteit. De meest heftige beschuldigingen komen van degenen die etiketten als ‘haat’, ‘fanatisme’ en ‘onverdraagzaamheid’ op de opvattingen van traditionalisten plakken. Deze beschuldigingen komen vaak van gerespecteerde leiders, en dus zij hebben een grote impact.

Coretta Scott King, de overleden vrouw van de leider van de burgerrechtenbeweging van Martin Luther King Jr. zei bijvoorbeeld: "Homofobie is als racisme en antisemitisme en andere vormen van onverdraagzaamheid die ernaar streven een grote groep mensen te ontmenselijken, hun menselijkheid, en hun waardigheid en persoonlijkheid te ontkennen". 25 In dezelfde trant verklaarde aartsbisschop Desmond Tutu: "Ik ben blij dat ik heel vurig geloof dat Jezus zich niet zou bevinden aan de kant van de potenrammers".26

Deze twee algemeen erkende leiders van de burgerrechtenbeweging stellen ‘homofobie’ en ‘potenrammen’ (een uitdrukking voor het mishandelen van homoseksuelen) gelijk aan anti-semitisme en racisme, en maken duidelijk waar ze denken dat christenen betreffende dit onderwerp zouden moeten staan. Op het eerste gezicht zijn wij het eens met deze uitspraken. Het ontmenselijken van een groep is verkeerd, en onverdraagzaamheid en ‘potenrammen’ zijn onaanvaardbaar. Op deze punten zijn traditionalisten en revisionisten het met elkaar eens. De cruciale vraag is hoe termen zoals homofobie, onverdraagzaamheid en potenrammen worden gedefinieerd. Als ze worden gedefinieerd als 'wrede woorden of acties gericht tegen homo's’, dan zal niemand die definitie betwisten.

Om een voorbeeld te noemen. Toen twee mannen een jonge homoseksueel, Matthew Shepard, in 1998 op een sadistische manier vermoordden, was sprake van een duidelijke en zonder twijfel gewelddadige wijze van het mishandelen van een homoseksueel. En wanneer voorganger Fred Phelps van Kansas zijn cult-achtige parochianen bij de begrafenissen van aids-patiënten borden mee laat dragen met teksten als "God haat flikkers", lijkt de term onverdraagzaamheid nog een te mooi woord om te gebruiken. Traditionalisten en revisionisten zijn het niet alleen volledig eens over het gebruik van deze termen bij die gelegenheden, maar ook wat betreft de afschuw, verontwaardiging en minachting over dergelijk gedrag.

Indien echter deze termen ook worden toegepast op overtuigingen en verklaringen die alleen maar kritisch zijn over homoseksualiteit, dan worden ze als wapens gebruikt om de traditionalistische visie het zwijgen op te leggen, en die stilte is het ultieme doel van vele activisten. Kardinaal John O'Connor ondervond dit toen hij zich uitsprak tegen de distributie van condooms en een pro-homo-leerplan in het openbare schoolsysteem in New York. In december 1989 werd hij tijdens het opdragen van de mis in de St. Patrick's Cathedral door activisten toegeschreeuwd die hem beschuldigden van moord. Deze activisten gingen in de gangpaden liggen, ketenden zich vast aan de kerkbanken en stampten op de hostie die hij net had ingewijd. Toen ‘Colorado-based Focus on the Family’ een officieel standpunt innam inzake een amendement ten aanzien van homoseksualiteit, werden stenen door de ramen van het gebouw gegooid, werknemers werden in restaurants verbaal aangevallen door homo-activisten, en dode delen van dieren werden achtergelaten bij de voordeur van het ministerie. Omdat Chuck McIlhenny, een presbyteriaanse predikant in San Francisco, zijn kerkorganist had ontslagen vanwege onboetvaardig homoseksueel gedrag, werd het huis van de predikant bekogeld met brandbommen, en toen een conservatieve spreker geprobeerd had in een avonddienst in de Hamilton Square Baptist Church (ook in San Francisco) te spreken werd de kerk omringd door activisten die het gebouw vernielden en gedurende de hele dienst schreeuwden: "Wij willen uw kinderen!"

Het terrorisme in elk van deze gevallen werd gerechtvaardigd door het geloof van de activisten dat de traditionalistische opvatting gelijkgesteld werd met een vorm van onverdraagzaamheid dat met alle mogelijke middelen moest worden gestopt.27 Homo columnist Paul Varnell is heel expliciet hierover: "De belangrijkste oppositie tegen homo-gelijkheid is religieus. We kunnen veel van onze vrijheidsinspanningen doen in de politieke sfeer of zelfs in de culturele sfeer, maar de vertraging van onze vooruitgang zit in de morele / religieuze sfeer. Als we het veranderingstempo zouden kunnen verhaasten, zou onze algemene vooruitgang kunnen versnellen; in feite zou het worden gegarandeerd”.28

Net als de argumenten betreffende aangeborenheid en onbeduidendheid, bevordert het intolerantie-argument de doelstellingen van de homorechten-beweging aanzienlijk. Als revisionisten de traditionalisten niet kunnen ‘bekeren’ tot een pro-homo standpunt, dan is er tactisch niets anders meer te doen dan de traditionalisten tot zwijgen te brengen. Om hen tot zwijgen te brengen, hetzij door middel van intimidatie of haat-misdaad wetgeving of openbare verachting, hoeft men de maatschappij er alleen maar van te overtuigen dat de traditionalist vol haat, onverdraagzaam, en gevaarlijk is. Lees nog eens de opmerkingen van mevrouw King en bisschop Tutu en vraag jezelf af of die overtuigingsstrategie niet al is begonnen. De veronderstelling dat de traditionele opvatting over homoseksualiteit onnozel en gevaarlijk is, is zeker niet waar, zodat de conclusie dat het daarom onaanvaardbaar is, even onwaar is.

Een christelijke reactie

De traditionalist is in goed gezelschap van Paulus, want ook hij werd valselijk beschuldigd van onverdraagzaamheid (bijv. Handelingen 21:27-29); in plaats van boos op hen te zijn of zich te verbergen voor zijn aanklagers, ging hij frontaal tegen hun beschuldiging in, en wij moeten hetzelfde doen. Hier volgen enkele belangrijke sleutels ter verdediging van de traditionalisten, die zijn beschuldigd van onwetendheid, haat en onverdraagzaamheid.

Ten eerste zijn we niet onwetend over het onderwerp homoseksualiteit (we lezen en bestuderen onderzoekstudies die het thema behandelen). We zien homoseksualiteit gewoon anders dan een steeds groter deel van de westerse cultuur doet.

Ten tweede hebben we dezelfde mening als wat de westerse cultuur altijd al had. De cultuur is verschoven, en toen ons werd gevraagd mee te verschuiven, hebben we alleen maar ‘nee’ gezegd. We zijn niet met dit gevecht begonnen.

Ten derde, we houden ons aan bepaalde overtuigingen (dus niet aan vooroordelen), die net als alle overtuigingen zijn gebaseerd op een bepaald wereldbeeld. Wij geloven dat de Schepper Zijn bedoelingen voor de mensheid in de Bijbel heeft geopenbaard, dat de Bijbel specifieke leefregels geeft over hoe we ons leven moeten leiden, ook op het gebied van seks, en dat het alle vormen van seksueel gedrag verbiedt, uitgezonderd het heteroseksuele huwelijk.

Ten vierde blijkt dat de nauwkeurig in de Bijbel omschreven richtlijnen in de geschiedenis hebben gewerkt, hun nut hebben bewezen. We worden nu gevraagd om ze af te danken ten behoeve van sociale experimenten zoals het homohuwelijk, en we weigeren. Wij, als burgers in een werkelijk diverse cultuur, blijven ervoor pleiten dat onze cultuur inziet dat een terugkeer naar deze richtsnoeren een legitieme optie is.

Ten vijfde, ook al hebben wij bezwaar tegen homoseksualiteit, wij erkennen volledig de waarde van de homoseksueel als mens. Wij verwerpen de irrationele overtuiging dat het niet eens zijn met iemands gedrag zou betekenen dat wij hem of haar zouden ontmenselijken.

Ten zesde, onze overtuigingen vormen niet een fobie (d.w.z., zoals in homofobie). Een fobie is een ‘irrationele vrees of angst voor een persoon of ding’, en wij zijn noch bang noch bevreesd voor homoseksuelen. Wij zijn het alleen oneens met hen wat betreft de moraliteit van hun seksueel gedrag, en het verschil tussen verschil van mening en angst is duidelijk.

Ten zevende, het vergelijken van traditionalisten met racisten is oneerlijk. Wij geloven open en eerlijk in de superioriteit van bepaalde gedragingen over anderen, maar we verwerpen de gedachte van de superioriteit van een persoon ten opzichte van anderen.

Tenslotte nemen we de vermaning van Christus serieus om ons te onthouden van het veroordelen van personen, maar we erkennen wel de noodzaak om te oordelen over gedrag, zoals alle mensen dat constant moeten doen. Het slaan van een individu is heel wat anders dan het onderscheiden dat het gedrag van die persoon verkeerd of schadelijk is en bijgevolg het spreken erover en het nemen van maatregelen om, indien nodig, dergelijk gedrag te corrigeren.

Het evangelie van Johannes spreekt erover dat Jezus "vol van genade en waarheid" was (Johannes 1:14). We gaan er normaliter van uit dat we het een of het ander zijn, dus eerlijk of aardig zijn, maar in Jezus zien we een perfect evenwicht tussen de twee. We doen er goed aan dit na te volgen. Aan de ene kant worden we genoodzaakt om onze eigen behoefte aan genade onder ogen te zien, en dus uit te breiden waar mogelijk. Aan de andere kant zijn we verplicht om ons af te vragen of het echt wel goed is om de waarheid achter te houden wanneer iemand zich bezighoudt met schadelijke overtredingen. Weinig thema’s halen ons uit de balans tussen de genade en waarheid zoals homoseksualiteit dat doet.

Het spreken over homoseksualiteit vormt een uitdaging die we niet kunnen ontwijken, vooral wanneer onze woorden controversieel zijn en vaak verkeerd begrepen worden. Martin Luther King Jr. herinnert ons echter eraan: "De Kerk is noch de meester noch de dienaar van de staat. Het is eerder het geweten van de staat”.29 En daaraan zou ik kunnen toevoegen: God helpe elke cultuur wiens geweten zijn taak verzaakt.

© Door Joe Dallas

© Vertaling: Piet Guijt

Dit artikel verscheen voor het eerst in het Christian Research Journal, volume 29, nummer 06 (2006). Voor meer informatie of een abonnement op het Christian Research Journal, ga naar http://www.equip.org.

NOTEN:

  1. “Public Opinion Trends on Gay Marriage”, The Pew Forum on Religion and Public Life, http://pewforum.org/docs/index.php?DocID=147.
  2. Ted Olsen, “Christian Mother Appeals Judge’s ‘Anti-Homophobic’ Ruling”, Weblog: Iraq’s Christian Exodus, Christianity Today, November 3, 2003, Christianitytoday.com, http://www.christianitytoday.com/ct/2003/144/31.0.html.
  3. Kara Speltz, “A Homily in Three Parts: Encountering Grace in the Courtroom”, Whosoever: An Online Magazine for Gay, Lesbian, Bisexual, and Transgender Christians, 7, 5 (March/April 2003), Whosoever Ministries, http://www.whosoever.org/ v7i5/kara.shtml.
  4. Art Moore, “The Bible as Hate Literature? Canadians Advance Bill That Chills Speech about Homosexuality”, World Net Daily, October 21, 2002, Worldnetdaily.com, http://www.worldnetdaily.com/news/article.asp?ARTICLE_ID=29328.
  5. Filip van Laenen, “Free-Speech in Sweden,” The Brussels Journal, December 3, 2005, Brusselsjournal.com, http://www.brusselsjournal.com/node/538.
  6. Christianity Today, August 2003, 33, http://www.christianitytoday.com/ ct/2003/008/31.33.html.
  7. Joe Dallas, “Born Gay? How Politics Skews the Debate”, Christianity Today, June 1992, 22.
  8. Larry B. Stammer, “Rethinking the Origins of Sin: Genetic Findings Prompt Religious Leaders to Take a New Look at Good and Evil,” Los Angeles Times, May 15, 1993, A1.
  9. Joseph Shapiro, “Straight Talk about Gays,” U.S. News and World Report, July 15, 1993, 48.
  10. “Public Opinion Trends.”
  11. Neil Swidey, “What Makes People Gay?” The Boston Globe, August 14, 2005, Boston.com, http://www.boston.com/news/globe/magazine/articles/2005/08/14/what_makes_people_gay?mode=PF.
  12. Joe Dallas, A Strong Delusion (Eugene, OR: Harvest House Publishers, 1996), 116.
  13. For one of many analyses of “origin” theories, see “Origin of Homosexuality Unresolved Despite Study”, The Washington Times, November 28, 2004, http:// www.washingtontimes.com/functions/print.php?StoryID=20041128-12135-7392r.
  14. Cited in The Record: A Newsletter of Evangelicals Concerned, http://www.ecinc.org/Records/ rec_wntr2006.htm.
  15. “Brian McLaren on the Homosexual Question: Finding a Pastoral Response”, Leadership Journal.net, http://blog.christianitytoday.com/mt-tb.cgi/43.
  16. Cited in The Record: A Newsletter of Evangelicals Concerned, http://www.ecinc.org/Records/ rec_fall2005.htm.
  17. “Q and A with Chuck Smith, Jr.”, Dallas Morning News, December 10, 2005, Religion Section.
  18. For example, Genesis 19:1–29 describes an attempted homosexual rape; Judges 19 features a grisly account of the rape and dismemberment of a concubine; Romans 1:18–32 lists a set of vices following an abandonment of God’s authority.
  19. Paul Strand, “Cause and Effect: The Benefits of Traditional Marriage,” CBN News, April 5, 2006, The Christian Broadcasting Network, http://www.cbn.com/cbnnews/ news/040510a.aspx.
  20. Justin Katz, “One Man’s Marriage Trap: The Ever-Shifting, Deeply Conflicted Andrew Sullivan”, National Review, December 31, 2004, available free at http:// www.highbeam.com/library/docFree.asp?DOCID=1G1:131002601.
  21. Maria Xiridou et al, “The Contribution of Steady and Casual Partnerships to the Incidence of HIV Infection among Homosexual Men in Amsterdam”, AIDS 17,7 (May 2, 2003): 1029-1038, also available at http://www.aidsonline.com/pt/re/aids/fulltext.00002030-200305020-00012.htm.
  22. Stanley Kurtz, “The End of Marriage in Scandinavia: The ‘Conservative Case’ for Same-Sex Marriage Collapses”, The Weekly Standard, February 2, 2004, also available at http://www.weeklystandard.com/Content/Public/Articles/000/000/003/660zypwj.asp.
  23. Em and Lo, “The New Monogamy”, New York Magazine, November 21, 2005, New York, http://nymag.com/lifestyle/sex/annual/2005/15063/index.html.
  24. See Peter Sprigg, Outrage: How Gay Activists and Liberal Judges Are Trashing Democracy to Redefine Marriage (Washington, D.C.: Regnery Publishing, 2004), 98.
  25. Quoted in Wikiquote, http://en.wikiquote.org/w/index.php?title=Coretta_Scott_King&printable=yes.
  26. “Religion Is Morally Neutral,” http://www.msnbc.com/id/6769668/site/newsweek/.
  27. For details on these and similar incidents, see Alan Sears and Craig Osten, The Homosexual Agenda (Nashville: Broadman and Holman, 2003), 117, 145–47.
  28. Paul Varnell, “Learning from Catholic’s Change”, Out NOW! June 27, 1995, 15.
  29. Quoted in zaadz beta, http://quotes.zaadz.com/Martin_Luther_King_jr.

Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Schriftkritiek