Jezus: filosoof en apologeet

apolog

 

 

 

Inleiding

 

 

In tegenstelling tot de meningen van critici was Jezus Christus een briljant denker, die logische argumenten gebruikte om Zijn critici te weerleggen en de waarheid van Zijn opvattingen te bevestigen. Toen Jezus het geloof van kinderen prees, moedigde Hij nederigheid als een deugd aan, dus niet een irrationeel religieus vertrouwen of een blinde geloofssprong in het donker. Jezus heeft in Zijn debatten over verschillende onderwerpen en op behendige wijze diverse redeneringsstrategieën gebruikt, zoals: het ontsnappen uit een dilemma, a fortiori argumenten, een beroep doen op bewijs, en reductio ad absurdum argumenten (bewijs uit het ongerijmde). Jezus' gebruik van overtuigende argumenten laat zien dat Hij zowel een filosoof als een apologeet was, die in discussies met enkele van de beste denkers uit Zijn tijd Zijn levens- en wereldbeschouwing rationeel verdedigde. Deze intellectuele benadering doet geen afbreuk aan Zijn goddelijke autoriteit, maar versterkt deze veeleer. Jezus' hoge waardering van rationaliteit en Zijn eigen toepassing van argumenten geeft aan dat het christendom geen anti-intellectueel geloof is. Volgelingen van Jezus zouden daarom Zijn intellectuele passie moeten navolgen door dezelfde soorten argumenten te gebruiken als Hij Zelf deed. Jezus' argumentatiestrategieën zijn van toepassing op vier hedendaagse debatten: de relatie tussen God en de moraal, de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament, de opstanding van Jezus en het ethisch relativisme.

Was Jezus een filosoof en apoloog?

Ik moest de vraag of Jezus een filosoof en apologeet was onder ogen zien toen ik werd gevraagd een boek over Jezus te schrijven voor de Wadsworth Philosophers Series. Ik wist al dat Jezus een ontwikkeld en goed onderbouwd wereldbeeld had geformuleerd en op briljante wijze met Zijn tegenstanders had geredeneerd. Maar toen ik het onderwerp zorgvuldig ging bestuderen, begon ik Jezus, ook als filosoof, meer en meer te waarderen. Toen Jezus de cruciale aanspraken van het christendom verdedigde - Hij was immers de oprichter ervan – was Hij betrokken bij apologetiek, vooral als Hij in contact was met de knapste geesten van het jodendom in de eerste eeuw.

Sommige christenen kunnen er misschien moeite mee hebben om Jezus als een filosoof of apologeet te zien, omdat ze zich er zorgen over maken dat een dergelijke voorstelling de Heer van het universum zou kunnen verlagen of onteren. Een bekende christelijke filosoof vertelde me dat het wijzen op Jezus' denk-vaardigheden tekort zou doen aan Jezus als een bron van openbaring, dus van bovennatuurlijke kennis. Ik respecteer zijn bezorgdheid, maar ik ben het niet eens op grond van de hieronder volgende overwegingen.

Jezus was de vleeswording van de Logos, het vleesgeworden Woord (Joh. 1:14a). Zoals de christelijke filosoof en theoloog Carl Henry en anderen hebben benadrukt, gebruikte de apostel Johannes de term logos om de Griekse opvatting van wijsheid, logica en rationaliteit van het universum te personaliseren (1). De Engelse vertalingen zeggen: "In het begin was het Woord” [Logos] (Joh. 1:1) (2). Jezus belichaamt de rationele communicatie (Woord) van Gods waarheid. Hij is "vol van genade en waarheid" (Joh. 1:14b). We zouden moeten en mogen verwachten dat de vleesgeworden Zoon van God een wijs en redelijk persoon zou zijn, hoezeer Zijn opvattingen misschien ook indruisten tegen menselijke arrogantie, trots en ontwijkende antwoorden. Jezus was zowel goddelijk als menselijk. Als mens schuwde Hij gesprekken met goede argumenten over theologie en ethiek niet, en Hij verraste Zijn toehoorders op briljante wijze.

Jezus was geen filosoof in de zin van het proberen een ​​filosofisch systeem te bouwen vanuit de beperkte menselijke geest. Hij appelleerde aan de eerder gegeven openbaringen van God in de Hebreeuwse geschriften (Matt. 5:17-19; Joh. 10:31) en gaf Zelf als vleesgeworden Zoon van God gezaghebbende openbaringen door. Aan de andere kant redeneerde Jezus nauwkeurig over de dingen die het belangrijkst waren. Zijn leerstellingen behandelen in feite de basisonderwerpen van de filosofie (3). Als een apologeet, dus een verdediger van Gods waarheid, heeft Hij zowel de waarheid van de Hebreeuwse geschriften als Zijn eigen leringen en acties verdedigd.

Wanneer we Jezus in de diverse bekende verhalen uit de evangeliën bezig zien, valt op dat Zijn denken scherp, duidelijk en krachtig was. Niet alleen zouden we moeten geloven wat Hij leerde omdat Hij onze goddelijke Meester is, maar door bezig te zijn, door gebed en in afhankelijkheid van de Heilige Geest, zouden we ook ernaar moeten streven Zijn intellectuele vaardigheden na te volgen omdat we geroepen zijn om te wandelen zoals Hij (1 Joh. 2:6).

Het zien van Jezus als een belangrijke denker kan een krachtig middel zijn bij het verdedigen van het christelijk geloof tegenover ongelovigen die ten onrechte veronderstellen dat het christelijk geloof een kwestie van blind of irrationeel geloof is. Omdat de oprichter van het christendom een ​​grote denker is, zouden Zijn volgelingen nooit de menselijke geest moeten onderwaarderen (Matt. 22: 37-39; Rom.12: 1-2). Daarnaast kunnen Jezus' manieren van argumenteren dienen als een voorbeeld voor onze eigen verdediging van de waarheid en rationaliteit van het christelijk geloof.

Heeft Jezus de rationaliteit ondergewaardeerd?

Jezus was betrokken bij lange en soms behoorlijk verhitte discussies, meestal met de Joodse intellectuele leiders van Zijn tijd. Hij aarzelde niet om af te rekenen met populaire opvattingen als die fout waren. Hij sprak vaak en gepassioneerd over het belang van waarheid en de gevaren van dwaling, en Hij noemde argumenten om de waarheid te ondersteunen en de dwaling  te weerleggen (4).

Jezus' gebruik van de logica had een bijzonder karakter, zegt de filosoof Dallas Willard: Jezus' gebruikte logica niet om debatten te winnen, maar om begrip of inzicht bij Zijn toehoorders te bewerkstelligen. Hij stelde zaken op zodanige wijze aan de orde dat degenen die echt willen weten hoe iets is, tot de juiste conclusie zouden kunnen komen (5).

Willard betoogt ook dat aandacht voor logica niet alleen bepaalde intellectuele vaardigheden vereist, maar ook een bepaalde mentale betrokkenheid ten aanzien van het belang van logica en de waarde van waarheid in het leven. Een bedachtzaam persoon zal de logica en het argument waarderen door gerichte aandacht, beredeneerde dialoog en de bereidheid om de waarheid te volgen waarheen het ook zal leiden. Deze mentale gerichtheid stelt eisen aan het morele leven. Men heeft daarvoor vastberadenheid, vasthoudendheid en moed nodig, en aan de andere kant moet men huichelarij (zichzelf verzetten tegen feiten en logica vanwege verborgen motieven) en oppervlakkigheid (het aanvaarden van mooiklinkende adviezen ongeacht hun gebrek aan logische ondersteuning) schuwen en vermijden. Willard en ook de christelijke filosoof James Sire zien Jezus als het hoogste voorbeeld of model (6).

De atheïstische filosoof Michael Martin, daarentegen, beweert dat de Jezus van de evangeliën (waarvan Martin de betrouwbaarheid betwist) "geen belangrijke intellectuele vaardigheden laat zien. Zowel Zijn woorden als Zijn handelingen lijken aan te geven dat Hij rede (verstand) en onderwijs niet waardeert”. Jezus baseerde Zijn gehele bediening op geloof, aldus Martin (7). Hij beschouwt de uitspraak van Jezus over de noodzaak om te worden als kinderen teneinde het koninkrijk van de hemel binnen te kunnen komen (Matt. 18:3) als het aanmoedigen van kritiekloos geloof. Martin beweert ook dat wanneer Jezus enige reden gaf om Zijn leer te aanvaarden, het was dat het Koninkrijk aanstaande was of dat degenen die geloofden naar de hemel zouden gaan, maar dat degenen die niet geloofden, naar de hel zouden  gaan; vermoedelijk "is er nooit een rationele rechtvaardiging voor deze aanspraken gegeven" (8). Volgens Martin was het onredelijke geloof in de ogen van Jezus goed en waren rationele overtuigingen en kritiek verkeerd.

Deze aanklachten tegen de bewering dat Jezus een filosoof was die gezond redeneren waardeerde en een goed ontwikkelde wereldbeschouwing had, zijn belastend. Dezelfde Jezus die kinderen waardeerde, zei ook: "Heb de Heer, uw God, lief met geheel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand" (Matt. 22:37; nadruk toegevoegd).

Jezus heeft kinderen geprezen om dezelfde redenen waarom we hen gewoonlijk prijzen. We beschouwen kinderen niet als voorbeelden omdat ze irrationeel of onvolwassen zijn, maar omdat ze onschuldig en onverdeeld zijn in hun liefde, toewijding en enthousiasme voor het leven. Kinderen worden ook gewaardeerd omdat zij oprecht nederig kunnen zijn, omdat ze de pretenties van de volwassen wereld niet hebben geleerd. Het verhaal in Mattheüs 18 heeft juist dit gunstige beeld van kinderen voor ogen. Jezus wordt door Zijn discipelen gevraagd: "Wie is de grootste in het Koninkrijk der hemelen?" Nadat Hij een kind had geroepen en hem in hun midden had geplaatst, antwoordde Jezus: “Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen. En een ieder, die zulk een kind ontvangt in Mijn naam, ontvangt Mij” (Matt. 18:3-5).

De betekenis van "worden als kleine kinderen" is niet "kritiekloos en onnadenkend worden” (zoals Martin beweert), maar "nederig worden". Jezus sprak veel over nederigheid, net zoals in het Oude Testament te lezen is. Hij heeft nooit nederigheid geassocieerd met domheid, onwetendheid, onnozelheid en goedgelovigheid (9). Jezus dankte God voor het openbaren van het evangelie aan de nederigen en niet aan de zogenaamde wijzen en verstandigen. Dit betekent echter niet dat intelligentie een nadeel is om de boodschap van Jezus te geloven, maar dat veel van de religieuze leiders van die tijd het niet zouden kunnen of willen begrijpen, vooral omdat het hun intellectuele trots uitdaagde (zie Matt. 11: 25-26). Martin beweert ook dat de enige redenen die Jezus gaf om Zijn leer te ondersteunen, was dat het Koninkrijk Gods aanstaande was en dat degenen die niet geloven, niet de hemelse voordelen zouden ontvangen die wél aan de gelovigen zouden worden toegekend (10). Is dit waar?

Ten eerste sprak Jezus vaak over het Koninkrijk van God terwijl Hij het gebruikte als een rechtvaardiging voor Zijn leer en prediking (Matt. 4:17). Jezus vermaande de mensen om hun leven geestelijk en moreel te heroriënteren, omdat God op een ongekende en dramatische manier in de geschiedenis was gekomen. Dit is niet noodzakelijkerwijs een irrationele of ongegronde aanspraak omdat 1. God op deze manier in Jezus’ dagen optrad en 2. men een bewijs/aanwijzing kon vinden voor het ontstaan ​​van het Koninkrijk, vooral door de acties van Jezus Zelf.

De evangeliën presenteren het Koninkrijk als uniek aanwezig in het onderwijs en de handelingen van Jezus, die Zelf beweerde dat "als Ik de demonen uitdrijf door de Geest  van God, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen" (Matt. 12:28). Aangezien Zijn toehoorders zagen dat Hij demonen uitdreef met een bijzondere autoriteit, gaf Jezus hen een goede reden om Zijn aanspraken te geloven. Hij deed dus niet zomaar wat beweringen of uitte ongegronde bedreigingen.

Ten tweede, het gebruik door Jezus van het begrip Gods oordeel of beloning heeft Zijn gebruik van argumenten niet vervangen. Zijn normale argumentatie was niet het volgende: "Als je gelooft wat Ik zeg, zal je beloond worden. Als je niet gelooft wat Ik zeg, zal je die beloning verliezen. Geloof daarom wat Ik zeg”. Toen Jezus waarschuwingen en beloften gaf die te maken hebben met het gedrag in dit leven voor het hiernamaals (zie Joh. 3:16-18), sprak Hij meer als een profeet dan een filosoof. Of Jezus' woorden in deze zaak betrouwbaar zijn, hangt af van Zijn morele en geestelijke autoriteit, niet op Zijn specifieke argumenten op elk punt. Als we reden hebben om Hem als gezaghebbend te beoordelen (zoals we doen), kunnen we deze uitspraken rationeel geloven, net zoals we verschillende andere autoriteiten geloven die we geloofwaardig achten op basis van hun referenties (11).

Het ontsnappen aan een dilemma

We moeten de evangeliën raadplegen om te bepalen of Jezus niet of wel een goed ontwikkelde kritisch denkvermogen heeft gewaardeerd. Verschillende voorbeelden illustreren Jezus' vermogen om te ontsnappen aan een dilemma wanneer Hij door een strikvraag werd uitgedaagd. We zullen er eens een bekijken (12).

Mattheus heeft een lastige situatie voor Jezus verhaald. De Sadduceeërs hadden geprobeerd om Jezus in het nauw te brengen met het stellen van een vraag over het hiernamaals. In tegenstelling tot de Farizeeën geloofden de Sadduceeërs niet in het leven na de dood (Hand. 23:8), noch in engelen of geesten (hoewel ze theïsten waren), en zij kenden een speciaal gezag toe aan alleen de vijf boeken van Mozes. De Sadduceeërs herinnerden Jezus aan het bevel van Mozes dat als een man sterft zonder kinderen te hebben, zijn broer met de weduwe moet trouwen om kinderen voor hem te verwekken. Toen stelden ze een situatie voor waarin dezelfde vrouw achtereenvolgens getrouwd is met zeven broers en daarna van hen weduwe is geworden zonder dat er kinderen zijn verwekt. De vrouw sterft daarna. Zij vroegen tenslotte: “Van wie van de zeven zal zij dan in de opstanding de vrouw zijn? Want allen hebben haar tot vrouw gehad” (Matt. 22: 23-28).  

Hun argument is behoorlijk slim. De Sadduceeën wisten dat Jezus de wet van Mozes eerbiedigde, zoals zij deden. Zij wisten ook dat Jezus, in tegenstelling tot hen, leerde dat er een opstanding van de doden zou zijn. Zij dachten dat deze twee overtuigingen logisch in strijd zijn met elkaar; ze kunnen niet beide waar zijn. De vrouw kan bij de opstanding niet met alle zeven broers getrouwd zijn (want de wet van de Mozes stond het hebben van meer mannen niet toe), en er is ook geen reden waarom ze getrouwd zou moeten zijn met een van de zeven (teneinde aan de eis van monogamie te voldoen). Zij dachten daarom dat Jezus ofwel Zich tegen Mozes zou moeten keren ​​of het leven na de dood zou moeten ontkennen om te ontsnappen aan de tegenstrijdigheid. Zij presenteren dit scenario als een logisch dilemma: óf A (de autoriteit van Mozes) óf B (een leven na de dood).

Martin en anderen hebben beweerd dat Jezus kritiekloos geloof aanprees (13). Als deze aanklachten juist waren, zou men kunnen verwachten dat Jezus: 1. de vraag met een vrome en nietszeggende uitspraak zou ontwijken, 2. dreigen met de hel voor degenen die Zijn autoriteit durfden te betwijfelen, of 3. simpelweg beide logisch onverenigbare uitspraken accepteren zonder aarzeling of schaamte. In plaats daarvan zei Jezus onomwonden tegen de Sadduceeërs dat zij zich vergisten omdat ze de Schrift en de kracht van God niet kenden: “Immers, in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel. Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei:

Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden” (Matt. 22:30-32). Jezus' reactie heeft een scherpzinnigheid die misschien niet direct duidelijk zal zijn. Ten eerste betwistte Hij hun veronderstelling dat geloof in de opstanding betekent dat men moet geloven dat al onze huidige instellingen later in de wereld van het hiernamaals zullen worden behouden. Geen van de Hebreeuwse geschriften leert dit, en ook Jezus Zelf geloofde het niet. Het dilemma lost zich dus op. Het is een vals dilemma omdat Jezus een derde optie heeft aangegeven: er is geen gehuwde staat in de opstanding.

Ten tweede, als onderdeel van Zijn reactie op hun logische valkuil, vergeleek Jezus de  staat van mannen en vrouwen bij de opstanding met die van de engelen, waardoor het ongeloof van de Sadduceeën over het bestaan van engelen werd uitgedaagd. (Hoewel de Sadduceeën niet in engelen geloven, wisten zij dat hun mede-Joden, die wel in engelen geloofden, dachten dat engelen niet trouwen of zich voortplanten.)

Ten derde noemde Jezus een tekst uit de Schriften die door de Sadduceeërs gewaardeerd werden (Exodus 3:6), namelijk waar God vanuit de brandende struik aan Mozes verklaarde dat Hij de God van Abraham, Isaac en Jakob is. Jezus zou ook diverse teksten kunnen noemen uit geschriften buiten de eerste vijf boeken van de Bijbel om de opstanding te ondersteunen, zoals de profeten (Dan.12:2) of Job (19:25-27), maar in plaats daarvan noemde hij juist hun eigen vertrouwde bronnen, die ook Hij onderschreef (Matt. 5:17-20, Joh. 10:35). Hij versloeg hen dus met hun eigen wapenen.

Ten vierde wees Jezus ook op de werkwoordsvorm van het vers dat Hij citeerde. God is (tegenwoordige tijd) de God van Abraham, Isaac en Jacob, die allemaal al gestorven waren toen God deze verklaring tegenover Mozes had uitgesproken. God is niet opgehouden om hun God te zijn na hun aardse heengaan. God zei niet: "Ik was hun God" (verleden tijd). God is de God van de levenden, die zelfs de 'dode' patriarchen omvatten. Mattheus voegde eraan toe: "Toen de menigte dit hoorde, waren ze verbaasd over Zijn leer", want Jezus had de Sadduceeërs tot zwijgen gebracht" (Matt. 22:33-34).

De vaardigheid om op logische wijze aan een dilemma te ontsnappen is van toepassing op vele apologische uitdagingen. Laten we er nog een bekijken. Filosofen betogen vaak dat het aannemen van God als de bron van de moraal een hopeloos dilemma tot gevolg heeft. Als de moraal op Gods wil is gebaseerd, zou, aldus deze filosofen, God wat dan ook kunnen doen - met inbegrip van moord, verkrachting en godslastering - en het zou ‘dus’ goed zijn. Deze opvatting is absurd. Als we daarentegen morele normen opstellen, los van Gods wil, dan verliest God Zijn morele suprematie, omdat God ‘onder’ deze onpersoonlijke, objectieve en absolute morele standaarden uitkomt. Het dilemma is dan: ofwel (A) de moraal is willekeurig of (B) God is niet oppermachtig. Aangezien beide onaanvaardbaar zijn voor het christendom, is daarmee het christendom weerlegd, aldus deze filosofen.

Men kan aan dit dilemma ontsnappen door aan te tonen dat het een vals dilemma is. De bron van de moraal is niet Gods wil, gescheiden van Gods eeuwige volmaakte karakter; echter, de goddelijke wetten kwamen voort uit het innerlijke wezen van God. Omdat Gods karakter onveranderlijk goed is, kan God geen morele normen veranderen omdat Hij Zichzelf niet kan verloochenen (Mal. 3:6; Jak. 1:17). Bovendien, omdat God de Schepper van de wereld en van de mens is, weet God wat het beste is voor mensen om te floreren. Zijn instructies voor ons zijn tot onze zegen en Gods eigen glorie (Matt. 5:1-16; Kol. 3:17)(14). Het dilemma is opgelost.

A fortiori argumenten

Jezus hield van wat a fortiori (Latijn: 'sterker nog’) argumenten genoemd worden, die vaak in krachtige en overtuigende vormen in de evangeliën naar voren komen (15). Wij gebruiken ze vaak in alledaagse argumenten. Deze argumenten hebben de volgende vorm:

1. De waarheid van idee A wordt geaccepteerd.

2. Steun voor de waarheid van idee B (die net zoals idee A relevant is) is zelfs sterker dan die van idee A.

3. Dus, als de waarheid van idee A moet worden geaccepteerd, dan moet (zeker) ook de waarheid van idee B worden geaccepteerd.

Zie bijvoorbeeld Jezus' argument tegenover de Farizeeën over de juistheid van het doen van een genezingswonder op de sabbat: “Ik heb één wonder gedaan [op de sabbat] en jullie staan allemaal versteld. Nu heeft Mozes u de besnijdenis gegeven (niet dat die van Mozes komt, ze komt van de aartsvaders) en u besnijdt ook op sabbat. Als er op sabbat besneden wordt omdat anders de wet van Mozes wordt overtreden, waarom bent u dan kwaad wanneer ik op sabbat iemand helemaal gezond maak? Ga in uw oordeel niet op de schijn af, maar laat uw oordeel rechtvaardig zijn” (Joh. 7: 21-24).

Het argument van Jezus kan eenvoudig uitgelegd worden:

1. De Farizeeën onderschrijven de besnijdenis, ook al is het op de sabbat, de rustdag, gedaan. (De besnijdenis werd acht dagen na de geboorte van een jongetje uitgevoerd, en die achtste dag viel soms op de zevende dag van de week, de sabbat.) Dit schendt de sabbatwetten niet omdat het een goede daad is.

2. Het genezen van de gehele persoon is nog belangrijker en heilzamer dan de besnijdenis, die alleen maar één aspect van de mens beïnvloedt.

3. Dus, als de besnijdenis op de sabbat geen schending van de sabbat is, is ook de genezing door Jezus op de sabbat niet een schending van de sabbat. Jezus' commentaar, “Ga in uw oordeel niet op de schijn af, maar laat uw oordeel rechtvaardig zijn”, was een afkeuring van hun onlogische inconsistentie bij hun toepassing van hun eigen morele en religieuze principes.

 

Jezus betoogde in meerdere gesprekken in een soortgelijke vorm over de betekenis van de sabbat. Nadat Hij een kreupele vrouw op de sabbat had genezen, werd de overste van de synagoge verontwaardigd en zei: "Zes dagen zijn er, waarop gewerkt moet worden, komt dan om u te laten genezen en niet op de sabbatdag” (Luc. 13:14). Jezus herinnerde deze overste eraan dat het wettelijk was toegestaan om op de sabbat een os of ezel los te maken en naar het water te leiden. “Mocht deze vrouw, die een dochter is van Abraham en al achttien jaar door satan geboeid werd gehouden, niet op sabbat uit deze boeien worden losgemaakt?” (Luc. 13:16). Jezus’ argument ziet er zo uit:

1. Het was de Joden wettig toegestaan om dieren op de sabbat los te maken uit zorg voor het welzijn van dieren.

2. Het welzijn van een vrouw (genezing van een chronische, verzwakkende ziekte) is veel belangrijker dan het water geven aan een dorstig dier.

3. Dus, als het water geven aan een dier op de sabbat geen schending van de sabbat is, dan is ook de genezing van de vrouw door Jezus op de sabbat geen overtreding ervan. Lucas schreef: “En toen Hij dit zei, schaamden zich al Zijn tegenstanders, en de gehele schare verheugde zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden” (Luc. 13:17). Men moest Jezus dus groot gelijk geven.

Een wijze apologeet zal goed en herhaaldelijk gebruik maken van a fortiori argumenten. Hier volgt een voorbeeld over het vergelijken van religies. Velen verwerpen de evangeliën omdat het oude documenten zijn die historisch onbetrouwbaar worden geacht. Veel van deze mensen vertrouwen echter wel op oude boeddhistische en andere oosterse religieuze geschriften. Naast goede redenen om de evangeliën te vertrouwen, kunnen we ten aanzien van hun vertrouwen in Oosterse teksten het volgende a fortiori argument gebruiken. De boeddhistische geschriften werden pas ongeveer 500 jaar na het leven van de Boeddha (563-483 v.C.) opgeschreven. De boeddhistische geleerde Edward Conze merkt op dat, terwijl het christendom zijn “eerste traditie in het 'Nieuwe Testament'” kan onderscheiden van een “voortdurende traditie" die bestaat uit reflecties van de kerkvaders en gemeenten, “boeddhisten niets hebben dat overeenstemt met het 'Nieuwe Testament'. De 'voortdurende traditie' is alles wat duidelijk wordt bevestigd” (16). Als mensen oude en minder bevestigde boeddhistische documenten vertrouwen, hoeveel temeer zouden ze de evangeliën moeten vertrouwen, die veel steviger geworteld zijn in verifieerbare geschiedenis? (17). De apoloog hoopt dan dat zij die de evangeliën lezen als historisch betrouwbaar, zullen ontdekken dat ze onverenigbaar zijn met en superieur zijn aan boeddhistische leringen.

Jezus​​' appèl om bewijs met argumenten

Ondanks de vaak gebruikte voorstelling van Jezus als een mystieke figuur die mensen zou oproepen om een ​​kritiekloos geloof te aanvaarden, heeft Hij om Zijn aanspraken te bevestigen vaak een beroep gedaan op bewijs. Johannes de Doper, die wegkwijnde in de gevangenis (nadat hij Herodes had getart – Matt. 14:3,4), had boodschappers naar Jezus gestuurd met de vraag: "Bent U degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?" (Matt. 11:3). Dit lijkt misschien een vreemde vraag van een man die in de evangeliën wordt voorgesteld als de profetische voorloper van Jezus en had verkondigd dat Jezus de Messias was. Jezus heeft echter de vraag van Johannes niet afgewezen. Hij zei niet: “Je moet geloof hebben; onderdruk je twijfels”. Hij zei ook niet: ”Als je niet gelooft, ga je naar de hel en mis je de hemel”. In plaats daarvan wees Jezus op de bijzondere kenmerken van Zijn bediening en zei: “‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. Gelukkig is degene die aan Mij geen aanstoot neemt” (Matt.11:4-6, zie ook Luc. 7:22).

De genezingen door Jezus en Zijn onderwijs zijn bedoeld als positief bewijs van Zijn Messiaanse identiteit, omdat zij de Messiaanse voorspellingen van het Oude Testament vervullen (18). Wat Jezus beweerde is het volgende:

1. Als iemand bepaalde soorten handelingen doet (de hierboven genoemde handelingen), dan is Hij de Messias.

2. Ik doe dergelijke handelingen.

3. Daarom ben ik de Messias.

Deze logische sequentie als vorm van argumentatie heet een modus ponens (manier van bevestigen) en het is een handig bruikbaar denkhulpmiddel: als P, dan Q; P is er, dus daarom: Q. Het argument doet een beroep op empirische claims - de machtige werken van Jezus - als de feitelijke basis. De daden die Jezus heeft aangehaald, wijzen op Zijn doorslaggevende apologetische referenties als de Messias 'die zou komen'.

Bij een andere gelegenheid genas Jezus opnieuw op de sabbat en de religieuze leiders namen het Hem opnieuw kwalijk dat Hij op de heilige dag werkte. Hij reageerde: "Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook" (Joh. 5:17). Jezus' opponenten beschouwden Zijn uitspraak als godslastering omdat “Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God Zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde” (Joh. 5:18). Joden verwijzen soms naar God als Vader, maar niet met de bezittende vorm 'Mijn Vader', omdat ze dachten dat dit een te intieme relatie tussen de Schepper en het Schepsel suggereerde.

In plaats van deze conclusie te ontkennen, heeft Jezus zes andere uitspraken gedaan die hun conclusie zelfs bevestigden en versterkten dat Hij inderdaad "Zichzelf gelijk maakte aan God":

1. Hij handelt op dezelfde manier als de Vader door leven te geven aan de doden (Joh. 5:21).

2. Hij oordeelt als een vertegenwoordiger van de Vader en met Diens gezag (5:22, 27).

3. Als Hij niet geëerd wordt, wordt ook God de Vader niet geëerd (5:23).

4. Degene die in Jezus gelooft, gelooft ook in God (5:24-25).

5. Evenals God (zie Deut. 30:19-20), heeft Hij leven in Zichzelf (5:26).

6. Hij is in volledige overeenstemming met de Vader, die Hij volkomen behaagde - een aanspraak die geen Jood in het Oude Testament ooit heeft gemaakt (5:30).

Jezus liet het bij een bepaald onderwerp niet alleen maar bij een paar beweringen. Hij verdedigde Zijn uitspraken door een beroep te doen op bewijsmateriaal waartoe Zijn toehoorders toegang konden hebben:

1. Johannes de Doper, een gerespecteerde profeet, getuigde van de identiteit van Jezus (Joh. 5: 31-35).

2. De wonderwerken van Jezus hebben ook getuigd van Zijn identiteit (5:36).

3. De Vader getuigde van de identiteit van Jezus (5:37).

4. Ook de Schriften getuigen van Zijn identiteit (5:39).

5. Mozes heeft getuigd van wie Jezus is (5:46).

Jezus redeneerde met Zijn intellectuele tegenstanders en was niet huiverig voor het geven van bewijzen voor Zijn claims (19). Hij deed niet zomaar wat uitspraken, Hij dreigde niet met straffen tegen degenen die het niet eens waren, of Zijn tegenstanders als ongeestelijk te bestempelen. Daarentegen had Hij een grote waardering voor argumenten en bewijs(voering) van anderen en gebruikte deze Zelf in Zijn verweer.

Christelijke apologeten kunnen allerlei soorten bewijzen aanvoeren in de rationele verdediging van de christelijke waarheid. We hoeven het evangelie niet klakkeloos te geloven. Bij het ontkennen van deze feiten heeft Robert Millet, voormalig decaan van religieus onderwijs aan de Brigham Young Universiteit, de Mormoonse claims (ondanks de erkende tekortkomingen ervan) verdedigd door te zeggen dat "het christelijk geloof afhankelijk is van het aanvaarden van een goddelijk wonder dat plaatsvond op Paasmorgen, maar waarvoor er geen bewijs is" (20). Hij redeneert dat wanneer het christelijk geloof in de opstanding zonder bewijs is, maar acceptabel is, dan de mormoonse ‘geloofssprong' ook gerechtvaardigd is.

Dit is een a fortiori argument; maar het is niet waar dat er geen bewijs is voor de opstanding van Jezus. Zowel het onderwijs van Jezus als de geschiedenis van de apologetiek, verzetten zich tegen dit soort fideïsme (geloof zonder objectief bewijs) dat Millet ten onrechte associeert met het christendom maar wel terecht associeert met het mormonisme. De apostel Paulus noemde zelf de vele getuigen die de opgestane Christus zagen, waarvan sommigen nog leefden toen hij zijn brieven schreef (1 Kor. 15: 5-8).

De hedendaagse filosoof en apologeet William Lane Craig heeft uitgebreid geschreven over het historische bewijs voor de opstanding van Jezus. Hij debatteert ook publiekelijk met degenen die deze waarheid ontkennen. Het bewijs bevat de algemene historische betrouwbaarheid van de evangeliën, evenals de specifieke en goed bewezen concrete feiten betreffende het lege graf, de vele verschijningen van Jezus aan diverse mensen op verschillende tijden, en de verkondiging door de apostelen van de opstanding ondanks het feit dat het inging tegen wat ze zelf van de Messias hadden verwacht. Andere verklaringen voor het geloof in de opstanding, als zou het een hallucinatie geweest zijn of een mythe die later is verzonnen, passen gewoonweg niet bij de feiten (21). Omdat geloof in de opstanding van Jezus gebaseerd moet zijn en gebaseerd is op historisch bewijs en feiten, wordt Millets argument dat essentiële leerstellingen van de mormonen  geen bewijsmateriaal vereisen, weerlegd (22).  

Jezus’ gebruik van ‘reductio ad absurdum’ argumenten

Filosofen en andere debaters gebruiken reductio ad absurdum argumenten. De term betekent: herleiden tot het absurde. Wanneer ze succesvol zijn, zijn ze een krachtige weerlegging van een onlogische positie. Het argument gaat uit van één of meer ideeën en laat zien dat ze leiden tot een absurde of tegenstrijdige conclusie. Dit bewijst dat de oorspronkelijke ideeën vals moeten zijn. Voor een dergelijk argument moet de logische relatie tussen de termen in stand blijven en moet de vermeende absurditeit zeker absurd zijn. Zie Jezus' gebruik van reductio ad absurdum in het verdedigen van Zijn identiteit als de Messias.

Jezus vroeg de Farizeeën: “Wat denkt u over de Messias? Van wie is Hij een zoon?" Het antwoord was: "De zoon van David’. Jezus antwoordde: “Hoe kan David Hem dan, geïnspireerd door de Geest, Heer noemen? Want hij zegt: De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd’”. Door Psalm 110:1 te citeren, deed Jezus een beroep op een bron die de Farizeeën aanvaardden. Hij concludeerde met de vraag: “Als David hem dan 'Heer' noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?”, en niemand durfde Hem vanaf die dag nog een vraag te stellen (Matt. 22:46).

Het argument kan als volgt worden weergegeven:

1. Als de Christus alleen een menselijke afstammeling van David is, kon David Hem niet ‘Heer’ noemen.

2. David noemde de Christus 'Heer' in Psalm 110:1.

3. Geloven dat Christus de Heer van David en alleen Davids menselijke afstammeling (die niet Zijn Heer kon zijn) was, is absurd.

4. Christus is dus niet alleen maar de menselijke afstammeling van David.

Jezus' punt was niet om de voorvaderlijke verbinding van Christus met David te ontkennen, omdat Jezus in de evangeliën (Mattheüs 1:1) de zoon van David genoemd wordt en Jezus de titel zonder bezwaar geaccepteerd heeft (Matt. 20:30,31). Jezus wilde vooral laten zien dat de Christus niet alleen maar de Zoon van David is. Christus is ook Heer en dat was al zo in de tijd van David. Door dit reductio ad absurdum argument te gebruiken, verruimde Jezus het begrip van Zijn gehoor voor wie de Christus is en dat Hij Zelf de Christus is (23).

Jezus heeft een ander reductio ad absurdum argument gebruikt toen de Farizeeën probeerden Zijn reputatie in diskrediet te brengen door Hem als een exorcist voor te stellen door Hem ervan te beschuldigen demonen uit te drijven op gezag van Beëlzebub, de overste van de boze geesten. Met andere woorden, Jezus' reputatie als heilige wonderwerker was volgens hen onverdiend. Wat goddelijke wonderen leken te zijn, kwamen in werkelijkheid uit een demonisch bron, aldus de Farizeeën. In reactie op deze beschuldiging heeft Jezus hun uitgangspunt genomen en een absurditeit afgeleid: “Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden. En indien de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden? En indien Ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan? (Matt. 12:25-27). We kunnen het op deze manier stapsgewijs weergeven:

1. Als satan tegen zichzelf was verdeeld, zou zijn koninkrijk ten ondergaan.

2. Het koninkrijk van satan is echter niet ten ondergegaan (aangezien de demonische activiteit doorgaat). Anders te denken is absurd.

3. Dus (a) satan drijft niet satan uit.

4. En (b) Jezus kan geen mensen van satan bevrijden door een satanische macht.

Bovendien, ook de Farizeeërs oefenden exorcisme uit en als Jezus de demonen door satan uitdreef, dan moeten de Farizeeën toegeven ​​dat ook zij de demonen door satan zouden kunnen uitdrijven (Matt. 12:27) en daarmee staan ze wel aan de verkeerde kant. De Farizeeën zelf moeten deze beschuldiging als absurd verwerpen. Jezus kan dus niet beschuldigd worden van het gebruiken van satanische kracht bij Zijn uitdrijvingen. Jezus voerde twee krachtige reductio-argumenten op in slechts een paar zinnen.

Reductio ad absurdum argumenten zijn krachtige hulpmiddelen om de christelijke waarheid te verdedigen. Degenen die beweren dat de moraal volledig gerelateerd is aan het individu, zijn van mening dat deze visie tolerantie verdedigt, dogmatisme vermijdt en dat het beter is dan het christelijke geloof inzake morele zekerheden. De bewering dat: 1. 'alle moraal relatief' is, impliceert logisch echter dat 2. het geloof van iemand goed is als het goed voor hem is en dat er geen hogere standaard is waaraan men verantwoording moet afleggen. Relativisme leidt echter tot allerlei absurde conclusies, zoals: 3. de moraal van Osama bin Laden is goed voor hem, dus we moeten het niet (ver/be)oordelen en 4. de nazi-moraal is goed voor de nazi's, daarom moeten we het niet (ver)oordelen. Met andere woorden, moreel relativisme wordt gereduceerd tot moreel nihilisme, maar moreel nihilisme is absurd en is dus onjuist. Daarentegen is de christelijke moraliteit veel overtuigender.

Doe de gezindheid van Christus aan

Dit korte artikel doet geen recht aan de rijkdom van Jezus' filosofische en apologetische argumenten over een veelheid van belangrijke onderwerpen. Onze voorbeelden van Jezus' manier van redeneren leidt echter tot een ernstige vraag met betrekking tot de aanklacht dat Jezus kritiekloos geloof boven rationele argumenten zou hebben geprezen en dat Hij niets te maken zou hebben met logische consistentie. Integendeel, Jezus heeft nooit de juiste en strikte werking van ons door God aan ons gegeven verstand geminacht of ondergewaardeerd. Jezus’ onderwijs heeft betrekking op de hele persoon: de verbeelding (gelijkenissen), de wil en de verstandelijke vaardigheden.

Hoe eerlijk ze ook waren in het rapporteren over de zwakheden van de discipelen, de evangelisten vertelden nooit van een situatie waarin Jezus intellectueel gedwarsboomd werd of verbeterd in een discussie; ook heeft Jezus nooit een irrationeel of slecht geïnformeerd geloof van de kant van Zijn discipelen aangemoedigd. Met Jezus als ons Voorbeeld en onze Heer, de Heilige Schrift als onze basis (2 Tim. 3:15-17), en de Heilige Geest als onze Leraar (Joh. 16:12-15), zouden wij graag de bijbelse uitdaging moeten aannemen om de wereld te winnen voor Christus en Zijn koninkrijk (2 Kor. 10:3-5).

Auteur: Douglas Groothuis

Vertaling: Piet Guijt, juli 2017

Dit artikel (ID: DJ700) verscheen eerst in het Christian Research Journal, volume 25, nummer 2 (2002). Voor nadere informatie, zie: http://www.equip.org Voor notes zie website promise


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Schriftgezag