Is Maria mede-verlosser van de wereld?

 

©door Eric D. Svendsen

De rooms-katholieke theologie trekt enkele parallellen tussen Maria, de moeder van Jezus, en het verlossingswerk van Jezus Zelf. Net zoals Jezus is geboren zonder de smet van de erfzonde, zo wordt dat ook van Maria gedacht. Jezus leidde een zondeloos leven, net zoals Maria. Jezus blijft Zijn hele leven ongerept, Maria is de eeuwigdurende maagd. Jezus is de Verlosser, Maria is mede-verlosser. Jezus is de enige Middelaar tussen God en mens, maar Maria is ook middelares. Zoals Jezus lichamelijk in de hemel is, wordt verondersteld dat ook Maria lichamelijk in de hemel is. Het toeschrijven van eigenschappen van Christus aan Maria is van oudsher een bron van twist tussen protestanten (deze zien geen Schriftuurlijke basis voor deze aannames) en rooms-katholieken (die de rol van traditie in de geschiedenis benadrukken).

Definities van begrippen

De hierboven genoemde veronderstellingen zijn allemaal officiële rooms-katholieke dogma’s. De uitzonderingen, namelijk mede-verlosser en mede-bemiddelares, zijn niettemin keurmerken van de rooms-katholieke devotie, waardoor vele rooms-katholieke gelovigen aannemen dat het toch dogma’s zijn. Vaak worden deze twee titels als alleen bepalend voor Maria gezien en is er alleen een technisch onderscheid. Maria als verlosser wordt in grote lijnen gezien als een actieve beslissing van Maria om ermee in te stemmen om de moeder van Jezus te worden en dat zo verlossing mogelijk werd, terwijl Middelares gezien werd als te maken hebbende met het actieve werk van Maria om voortdurend te pleiten voor de redding van hen die hun toevlucht tot haar nemen. Deze rooms-katholieke leer wordt is samengevat in het document Ineffabillis Deus: ‘Al onze hoop moet rusten op de meest gezegende maagd, op de volkomen eerlijke en vlekkeloze persoon die de giftige kop van de meest wrede slang verpletterde en die redding bracht (dus verlosser!); …in haar die met haar eniggeboren Zoon, de meest krachtige Middelares en Conciliatie is in de hele wereld; …….in haar hopen we, zij die ons uit zoveel bedreigende gevaren bevrijd heeft’ (1).

Ondanks de inspanningen van een aantal rooms-katholieke geleerden om uitspraken over deze hoedanigheden van Maria te bagatelliseren en de excessen die op grond hiervan plaatsvinden te beperken, wordt de traditionele rooms-katholieke vroomheid nog steeds door deze regels bepaald. Men gelooft dat Maria een verlosser is (in die zin dat als zij geen toestemming gegeven zou hebben de Zoon van God te dragen, de wereld voor altijd verloren zou zijn) en men gelooft in de rol van Maria als middelares (in die zin dat zij actief reddende genade voor de gelovigen uitdeelt en bidt tot haar Zoon namens hen op een zodanige wijze dat Christus haar voorspraak niet kan weerstaan). Eadmer (AD 1060-1124), een Engelse monnik en leerling van Anselmus, illustreert duidelijk de excessen van deze visie: “Soms lijkt het heil sneller te komen als we Maria’s naam aanroepen dan als we een beroep doen op de naam van de Here Jezus”. “Rooms-katholieke apologeten verwoorden deze gevoelens tegenwoordig anders, maar dat mag niet worden opgevat als een meningsverschil over de hoedanigheden van Maria’s vroomheid. Wanneer de apologeten geconfronteerd worden met dergelijke uitspraken over Maria, proberen ze (ten onrechte) snel nog een rechtvaardiging in de Bijbel te vinden.

De vermeende Schriftuurlijke basis voor Maria als verlosser

De belangrijkste ‘bewijstekst’ voor Maria als verlosser is te vinden in het eerste hoofdstuk van Lukas. Dit ene hoofdstuk fungeert als de primaire Schriftuurlijke basis voor de vermeende onbevlekte ontvangenis van Maria (“Wees gegroet, vol van genade”, vs. 28 in de Douay-Rheims Bijbel, SV), haar speciale status onder de gelovigen (“De Heer is met u”, vs. 28), haar eeuwige maagdelijkheid (“Hoe zal dat zijn omdat ik een maagd ben”, vs. 34) haar status als ‘Moeder van God’ ( Waarom is dit verleend aan mij, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt?”, vs. 43), haar unieke ‘zaligheid’ (“Gezegend zijt gij onder de vrouwen”, vs. 42 en “Alle geslachten zullen mij zalig noemen” vs. 48) evenals haar rol als verlosser. Een volledige bespreking van dit hoofdstuk als een ondersteuning van deze overtuigingen is in dit korte artikel niet mogelijk. Ik wil me richten op een enkel vers in dit hoofdstuk dat de rol van Maria als verlosser zou bevestigen.

In Luk. 1:38 zegt Maria, nadat de engel aangekondigd had dat zij door de kracht van de Heilige Geest zwanger zou worden van een kind dat de Zoon van God genoemd zou worden: “De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt”. De rooms-katholieke geleerde John McHugh ziet in Maria’s verklaring een fiat, dat wil zeggen een toestemming om deel te nemen aan het Goddelijke plan, in plaats van gewoon een nederige onderwerping aan Gods wil. De katholieke theologe Tina Beattie gaat zelfs zo ver dat zij benadrukt: “Er was geen impliciete dreiging in Gods uitnodiging en geen angst voor de straf. Als ze koos voor het rustige leven, zou ze met rust gelaten worden. De beslissing was van haar en haar alleen… De geschiedenis van de hele wereld werd in de waagschaal gezet door de keuze van een jonge vrouw”.

De katholieke nieuw-testamenticus Francis Moloney beweert: ”Maria vrij was om te reageren of niet te reageren en dat moet los gezien moet worden van het initiatief van God”. De katholieke auteur Neal Flanagan schrijft in zijn boek Marian Creed: “Ik geloof dat Maria´s toestemming het christelijk tijdperk heeft ingeluid en haar op een intieme manier deel maakte aan het verlossende werk van Christus”. De impliciete veronderstelling van Moloney en de nog duidelijkere stelling van Flanagan (en anderen), is dat de verlossing van de wereld afhankelijk is van het besluit van Maria om Gods weg in haar leven te aanvaarden.

Een bijbels antwoord

Deze voorbeelden van Bijbeluitleg gaan allemaal voorbij aan de bedoelingen en geest van de schrijver en worden misbruikt in de discussie rond Maria. Deze inlegkunde is voorbeeld van een logische denkfout die geldt als iemand een uitzondering wil maken op een algemeen aanvaarde regel of uitleg zonder dat deze uitzondering voldoende gerechtvaardigd wordt. Als er zijn andere bijbelse personen zijn die in vergelijkbare omstandigheden zijn als Maria zijn, dan moet ook dezelfde hermeneutiek toegepast worden. Dat doen bovengenoemde auteurs niet, en in plaats daarvan geven zij aan Lukas 1.38 een aparte bijzondere betekenis. Als we hun hermeneutische toepassing op Maria´s keuze om Gods plan te accepteren Zijn Zoon te dragen, ‘labellen’ als mede-verlosser, dan moeten we vanuit dezelfde hermeneutiek Paulus’ beslissing om Gods leiding te aanvaarden om het evangelie onder de heidenen te brengen ook in die zin interpreteren. Moeten we dan tot de conclusie komen dat als Paulus geweigerd zou hebben, God Zijn verlies genomen zou hebben en alleen verder zou gaan met de Joden? Maria´s ´beslissing om samen te werken` is niet relevant in Gods heilsplan. God maakt alleen bekend dat Maria zijn Zoon zal dragen, Hij vraagt haar toestemming niet! Maria´s samenwerking is niet van meer belang als de samenwerking van Jozef in het verslag van Mattheüs. Jozef werd voor ´de keus´ gesteld om te beslissen Maria tot zijn vrouw te nemen. Als Jozef geweigerd zou hebben, zou Maria, als ongetrouwde, zwangere vrouw zijn beschuldigd van overspel, verbannen en misschien zelfs gestenigd worden. Dat zou de dood van moeder en kind betekend hebben. Geen van de exegeten die een bijzondere betekenis aan ’Maria´s toestemming’ geven zullen zo ver gaan dat de beslissing van Jozef in Mattheüs 1 om samen met Maria verder te gaan, Jozef ook als een ´mede-verlosser´ te kenschetsen. Bovendien is er geen enkele basis Maria als verlosser aan te merken door haar samenwerking met Gods heilsplan; in die zin is ze niet belangrijker dan Abraham, Isaac, Jacob, Mozes, Gideon of Jeremia. Elk van hen was even belangrijk in de uitvoering van Gods heilsplan in de geschiedenis.

Bovendien, wat moeten we denken van voorbeelden in de geschiedenis waar Gods doel bereikt werd ondanks of misschien wel dankzij de ongehoorzaamheidvan bepaalde mensen.Tamar die als prostituee een buitenechtelijk kind kreeg, die in de directe afstammingslijn van de Messias was. (Gen38; vgl. Mat. 1:3) God bracht de twee zonen van Juda ter dood vanwege hun ongehoorzaamheid en Juda zelf werd de vader van Tamars kinderen, geboren uit zijn zondige relatie met haar.

Farao heeft in het verleden ook geprobeerd Gods plan te dwarsbomen door te weigeren Gods volk te laten gaan. Maar Paulus noemt dit later als een integraal deel van Gods plan: “Want het Schriftwoord zegt tot Farao: `Daartoe heb ik u doen opstaan, opdat ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde’”( Rom. 9.17).

Ik kan zonder problemen nog meer voorbeelden noemen zoals van Jona die in Gods plan paste ondanks zijn grote tegenzin en zelfs van Judas, wiens verraad aan Jezus door de nieuwtestamentische schrijvers gezien werd als een noodzaak om tot verlossing te komen. ”De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee de mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed, als hij niet geboren was” (Luk. 22:22; Mark.14:20,21; Mat.26: 23). Hun onwil om met God samen te werken bracht Gods plan met Zijn volk niet in gevaar; deze mensen werden of getuchtigd (=opgevoed) totdat ze deden wat God zei, of ze werden vervangen door anderen die wel meewerkten, of ze werden onbewust gedwongen als een middel om aan een plan mee te werken waar ze op tegen waren! De suggestie dat God Maria vraagt samen te werken voor de verlossing van Zijn volk is niet meer dan een heel on-bijbelse aanname.

De katholieke theoloog Richard Skiba geeft als commentaar op Maria´s reactie in Luk. 1:38 een betere verklaring van haar motivatie: “Ze wacht op het bevel van de ander. Het laatste woord in deze zaak is namelijk niet van haar”. De motivatie van Maria´s response is zeker niet het theologische fiat of de toestemming zoals Rome dat leert. Maria is een dienares (slaaf) van de Heer die niet de pretentie heeft om God en Zijn heilsplan en de rest van de wereld op afstand te houden, terwijl ze nadenkt over een beslissing, maar veelmeer een houding van nederige onderwerping aan het plan van God, omdat dat de enig mogelijke respons is voor een dienstknecht van de Heer: “Mij geschiedde naar Uw Woord”.

©door Eric D. Svendsen

Een artikel van The Practical Hermeneutics column in het Christian Research Journal , vol. 31, nr. 3, 2008.

©Vertaling Gerard Feller

OPMERKINGEN

1 Paus Pius IX, Mary Immaculate: The Bull Ineffabilis Deus (Paterson, NJ: St. Antonius Gilde Press, 1946), 23.

2 Eadmer van Canterbury, Liber de Excellentia Beatae Mariae in Jacques-Paul Migne, PatrologiaLatina, Vol. 159 (Paris: J.P. Migne, 1844-1855), 309, geciteerd in J. Shinners, 'De cultus van Maria en populair geloof’ in Maria, de vrouw van Nazareth: bijbelse en theologische perspectieven , uitg. Doris Donnelly (New York: Paulist, 1989), 170.

3 Tenzij anders vermeld, zijn alle Bijbelcitaten afkomstig uit de English Standard Version.

4 Voor een uitputtende behandeling, zie Eric D. Svendsen, Wie is mijn moeder? De rol en de status van de Moeder van Jezus in het Nieuwe Testament en het rooms-katholicisme (Amityville, NY: Calvary ​​Press, 2001).

5 John McHugh, de moeder van Jezus in het Nieuwe Testament (Garden City, NJ: Doubleday, 1975), 65. Vgl. William G. Most, "Onbijbelse Maria Leer?". Homiletic and Pastoral Review 94 (mei 1994), 61.

6 Tina Beattie,  Maria herontdekken: Inzichten uit de evangeliën (Liguori, MO: Triumph Books, 1995), 23.

7 Francis J. Moloney, Maris: Vrouw en Moeder (Collegeville, MN: Liturgical Press, 1988), 19.

8 Zie Neal Flanagan, "Maria van Nazareth: Vrouw voor alle tijdens," Marianum 48 (1986), 167.

9 Richard Skiba, "Maria en de 'Anawim’", in Maria, de vrouw van Nazareth: bijbelse en theologische perspectieven, uitg. Doris Donnelly (New York: Paulist, 1989), 124-26.


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Schriftgezag