De stellingen van Chicago deel 2

III. CHICAGO Stellingen over: DE TOEPASSING VAN DE HEILIGE SCHRIFT IN LEER EN LEVEN

 

Zestien Stellingen over 'Biblical Application' vastgesteld tijdens het Derde Internationale Congres over Biblical Inerrancy, gehouden te Chicago in december 1986. Als aanvulling op en afsluiting van de twee vorige series:

I. CHICAGO STELLINGEN OVER ONFEILBAARHEID EN GEZAG VAN DE HEILIGE SCHRIFT ('Biblical Inerrancy')

II. CHICAGO STELLINGEN OVER INTERPRETATIE EN VERSTAAN VAN DE HEILIGE SCHRIFT ('Biblical Hermeneutics')

Indeling: Artikelen 1-4, de rechte leer over God en Christus' gemeente

Artikel 1. De Levende God

Artikel 2. De Heiland en Zijn Werk

Artikel 3. De Heilige Geest en Zijn Werk

Artikel 4. De Gemeente en haar Zending

Artikelen 5-8, persoonlijke of micro-ethische vraagstukken

Artikel 5. De heiligheid van het menselijk leven

Artikel 6. Huwelijk en gezin

Artikel 7. Echtscheiden en Hertrouwen

Artikel 8. Sexuele afwijkingen

Artikelen 9-16, sociale of macro-ethische vraagstukken

Artikel 9. De Staat onder God

Artikel 10. Wet en Gerechtigheid

Artikel 11. Oorlog en Vrede

Artikel 12. Discriminatie en Mensenrechten

Artikel 13. Economie, grenzen aan de Welvaart

Artikel 14. Werk en Vrije tijd

Artikel 15. Rijkdom en Armoede

Artikel 16. Verantwoord omgaan met het Milieu

 

Artikel 1. De Levende God Wij bevestigen dat de ene waarachtige en levende God de schepper en onderhouder is van alle dingen. Wij bevestigen dat deze God gekend kan worden door Zijn openbaring van Zichzelf in Zijn onfeilbaar Woord. Wij bevestigen dat deze ene God van eeuwigheid bestaat in drie Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, waarbij ieder van deze Personen op volkomen wijze God is. Wij bevestigen dat deze levende, handelende en sprekende God in de geschiedenis heeft ingegrepen door de Zoon Jezus Christus, om aan het menselijke geslacht verlossing te brengen. Wij bevestigen dat het geopenbaarde wezen Gods evenals Zijn wil de basis is voor iedere moraal. Wij ontkennen dat de menselijke taal van de Schrift ontoereikend is om ons mee te delen wie of wat God is. Wij ontkennen dat de leer van de Drieëenheid een tegenstrijdigheid vormt of is gebaseerd op een onaanvaardbare ontologie. Wij ontkennen dat het begrip van God zou moeten worden aangepast aan het moderne denken, waarin geen plaats is voor de begrippen zonde en verlossing.

Artikel 2. De Heiland en Zijn Werk Wij bevestigen dat Jezus Christus waarachtig God is, de eeuwige, eengeboren Zoon des Vaders, en tevens waarachtig mens, die door de Heilige Geest is ontvangen en geboren is uit de maagd Maria. Wij bevestigen dat de ondeelbare eenheid van het volkomen God-zijn en het volkomen mens-zijn in de ene persoon van Jezus Christus essentieel is voor Zijn heilswerk. Wij bevestigen dat Jezus Christus, door Zijn plaatsvervangend lijden, Zijn dood en opstanding, de enige Heiland en Verlosser der wereld is. Wij bevestigen dat het behoud slechts is door het geloof in Jezus Christus alleen Wij bevestigen dat Jezus Christus, zoals Hij in de Schrift is geopenbaard, het hoogste voorbeeld is van goddelijk leven, dat ons in en door Hem is geschonken. Wij ontkennen dat de Schrift ook maar enige grond zou bieden om het heil te verkondigen of aan te bieden dan alleen op grond van het verlossingswerk door de gekruisigde en opgestane Christus. Wij ontkennen dat de mensen, die zonder Christus sterven, in een toekomstig leven gered kunnen worden. Wij ontkennen dat mensen die een redelijke beslissing kunnen nemen, behouden kunnen worden zonder een persoonlijk geloof in de Christus der Schriften. Wij ontkennen dat het voorstellen van Jezus Christus als een moreel voorbeeld, buiten Zijn Godheid en plaatsvervangende verlossing om, recht doet aan het onderricht van de Schriften. Wij ontkennen dat een juist begrip van de liefde en gerechtigheid Gods een grond kan zijn voor de hoop op een universele verlossing van alle mensen (alverzoening).

Artikel 3. De Heilige Geest en Zijn Werk Wij bevestigen dat de Heilige Geest de derde Persoon is van de Drieënige God en dat Zijn werk essentieël is voor het behoud van zondaren. Wij bevestigen dat het waarachtige en heilbrengende kennen van God door de Geest van God daardoor geschiedt, dat Hij (aan mensen) het Woord van de canonieke Schriften bevestigt en verlicht, waarvan Hij in eerste instantie de Auteur is. Wij bevestigen dat de Heilige Geest het volk van God leidt en hen de wijsheid geeft om de Bijbel op actuele thema's en in het dagelijks leven toe te passen. Wij bevestigen dat de levende eredienst en gemeenschap van de Gemeente, haar trouw aan wat zij belijdt, haar vruchtbaarheid in getuigen en de volmacht in haar zending, op directe wijze afhankelijk zijn van de kracht van de Heilige Geest. Wij ontkennen dat mensen die de wezenlijke drievuldigheid van de enige God ter discussie stellen, zich daarbij kunnen beroepen op het Evangelie. Wij ontkennen dat enig mens van harte kan zeggen dat Jezus Heer is, dan door de Heilige Geest. Wij ontkennen dat de Heilige Geest sinds de apostolische tijd ooit nieuwe normatieve openbaring aan de Gemeente gegeven heeft en dat Hij dat ook nu niet doet (of zal doen). Wij ontkennen dat er sprake kan zijn van een vernieuwing van de Gemeente, wanneer zo'n een beweging niet verbonden is met een diep begrip van Gods oordeel en genade in Christus.

Artikel 4. De Gemeente en haar Zending Wij bevestigen dat de inspiratie door de Heilige Geest aan de Bijbel haar canoniek gezag geeft, en dat de Gemeente zich onder dit gezag dient te stellen en dit te bevestigen. Wij bevestigen dat Christus de Heer Zijn Gemeente op aarde heeft ingesteld, waarover Hij door Zijn Woord en Geest regeert. Wij bevestigen dat de Gemeente apostolisch is wanneer zij de leer der apostelen, zoals die in de Schriften is vervat, aanvaardt, daarop wordt gebouwd en voortgaat met de verkondiging van het apostolische Evangelie. Wij bevestigen dat de kenmerken van lokale gemeenten zijn: een getrouw belijden en verkondigen van het Woord van God alsmede een verantwoorde bediening van Doop en Avondmaal. Wij bevestigen dat de gemeenten zowel in hun ordening als in wat zij leren, onderworpen zijn aan het Woord van Christus. Wij bevestigen dat Christenen, naast hun verplichtingen jegens een plaatselijke gemeente, zich kunnen aansluiten bij parakerkelijke organisaties die zich richten op een speciale bediening. Wij bevestigen dat Christus de Gemeente oproept, Hem door haar aanbidding, haar opbouw en getuigenis, als Zijn volk in de wereld te dienen. Wij bevestigen dat Christus de Gemeente in de hele wereld uitzendt om de zondige mensheid tot geloof, tot bekering en tot gerechtigheid op te roepen. Wij bevestigen dat wij door de eenheid en duidelijkheid van de Schrift bemoedigd worden om leerstellige verschillen onder Christenen op te lossen en zó de eenheid van de Gemeente in Christus aanschouwelijk te maken. Wij ontkennen dat de Gemeente aan de Bijbel canoniek gezag kan verlenen. Wij ontkennen dat de Gemeente is gegrond op de wil van mensen en op menselijke traditie. Wij ontkennen dat de Gemeente het geweten kan binden, onafhankelijk van het Woord van God. Wij ontkennen dat de Gemeente zichzelf kan losmaken van het gezag van het geschreven Woord van God en desondanks een geldige tucht kan oefenen in Christus' naam. Wij ontkennen dat de Gemeente zichzelf kan aanpassen aan de eisen van een bepaalde cultuur, wanneer die eisen in strijd zijn met de bijbelse openbaring of wanneer deze inbreuk maken op de vrijheid van het christelijke geweten. Wij ontkennen dat verschillen in culturele situatie het bijbelse principe van de gelijkwaardigheid van man en vrouw, of de bijbelse vereisten voor hun functies en taken in de Gemeente ongeldig maken.

Artikel 5. De heiligheid van het menselijk leven Wij bevestigen dat God de Schepper soeverein is over alle menselijk leven en dat de mensheid jegens God verantwoordelijkheid is om dit leven te bewaren en te beschermen. Wij bevestigen dat de heiligheid van het menselijk leven is gegrond op het feit dat de mens is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Wij bevestigen dat het menselijk leven zijn aanvang neemt bij de conceptie (bevruchting) en voortduurt tot de biologische dood. Daarom zijn abortus (behoudens in de gevallen waarin het fysieke leven van de moeder gevaar loopt), evenals kindermoord, zelfmoord en euthanasie allen vormen van moord. Wij bevestigen dat gerechtelijke straf, in geval van een misdrijf, te verenigen is met de heiligheid van menselijk leven. Wij bevestigen dat het onthouden van voedsel of water om daarmee de dood te veroorzaken of te verhaasten, een inbreuk is op de heiligheid van het leven. Wij bevestigen dat de voortgang der medische wetenschap heeft geleid tot een vervaging van de grenzen tussen dood en leven. Daarom is het essentieel om ieder geval van terminale ziekte met de grootste zorgvuldigheid te behandelen, opdat de heiligheid van het menselijk leven geen geweld wordt aangedaan. Wij ontkennen dat de kwaliteit van het menselijk leven voorrang heeft boven de heiligheid daarvan. Wij ontkennen dat de heiligheid van het ongeboren leven medisch noodzakelijke ingrepen verbiedt, waarmee het leven van de zwangere moeder behouden kan worden. Wij ontkennen dat het doden uit zelfverdediging, in het uitvoeren van de doodstraf door de overheid of in oorlogen die op de juiste wijze worden gevoerd, noodzakelijkerwijs een inbreuk is op de heiligheid van menselijk leven. Wij ontkennen dat degenen die een goddelijke basis voor morele wetten verwerpen, vrij zijn van de ethische en sociale verplichting om onschuldig menselijk leven te bewaren. Wij ontkennen dat het altijd een inbreuk zou zijn op de heiligheid van het menselijk leven wanneer wordt gestopt met medische handelingen om het leven te verlengen.

Artikel 6. Huwelijk en gezin Wij bevestigen dat het doel van het huwelijk is om God te verheerlijken en Zijn koningschap op aarde uit te breiden, als een instelling die zorg draagt voor reinheid, gemeenschap, het verwekken en een christelijke opvoeding van kinderen. Wij bevestigen dat het huwelijk een heilig verbond is onder God, waarin een man en een vrouw tot één vlees worden verenigd. Daarom behoren de Gemeente en de overheid de trouw te verlangen aan het bedoelen van God, dat deze band niet verbroken mag worden. Wij bevestigen dat God het huwelijk zó heeft geordend, dat de man als hoofd zijn vrouw in liefde dient en leidt, en zijn vrouw hem als hulp onderdanig is, als gelijkwaardige partner van haar man. Wij bevestigen dat het de plicht van de ouders is om hun kinderen in liefde en tucht op te voeden, en dat de kinderen van Godswege gehoorzaamheid aan de ouders verschuldigd zijn. Wij bevestigen dat de Gemeente het welzijn van de gezinnen ter harte dient te gaan. Wij bevestigen dat het eren van de ouders een levenslange plicht is voor ieder mens. Deze verplichting omvat mede de verantwoordelijkheid jegens de bejaarden. Wij bevestigen dat het gezin tal van diensten behoort te verrichten die tegenwoordig algemeen door de staat zijn overgenomen. Wij ontkennen dat genot en zelf-vervulling aan het huwelijk ten grondslag liggen zodat moeilijkheden en problemen een gerechtvaardigde grond vormen om de echtelijke band te breken. Wij ontkennen dat het bijbelse ideaal van het huwelijk vervuld kan worden wanneer een paar zonder rechtsgeldige huwelijkssluiting samenwoont. Dit is evenmin het geval bij het samengaan van mensen van hetzelfde geslacht of bij een groepshuwelijk. Wij ontkennen dat de staat het recht heeft om opvattingen over het huwelijk of gezinsverbanden te legitimeren, die ingaan tegen de bijbelse normen. Wij ontkennen dat veranderingen van sociale omstandigheden ooit in staat zijn om het door God bepaalde huwelijk of gezin als verouderd of niet-relevant te beschouwen.

Artikel 7. Echtscheiden en Hertrouwen Wij bevestigen dat het huwelijk van Adam en Eva als levenslange monogame relatie de standaard vormt voor ieder huwelijk binnen het menselijke ras. Wij bevestigen dat God man en vrouw met elkaar verbindt in ieder huwelijk dat naar de wet wordt gesloten en voltrokken, en dat Hij degenen die dit verbond breken ter verantwoording zal roepen. Wij bevestigen dat het wezen van het huwelijk een levenslange toewijding aan de echtgenoot is. Op deze grond dient iedere handeling met betrekking tot een schipbreuk van een huwelijk allereerst gericht te zijn op de verzoening van de partners en het herstel van de echtverbintenis. Wij bevestigen dat God echtscheiding haat, wat ook de grond ervan mag zijn. Wij bevestigen dat hoewel God echtscheiding haat, het in een zondige wereld soms raadzaam is dat mensen uit elkaar gaan en dat een scheiding soms onvermijdbaar is. Wij bevestigen dat God de berouwvolle zondaar vergeeft, en dat geldt ook voor hen die gezondigd hebben door hun huwelijk te verbreken. Wij bevestigen dat de plaatselijke gemeente verantwoordelijk is om degenen die de bijbelse maatstaf van het huwelijk geweld aandoen, terecht te wijzen, om boetvaardigen in liefde weer te verenigen en op getrouwe wijze Gods genade toe te dienen aan hen wier levens geschonden zijn door een verbroken huwelijk. Wij ontkennen dat de Schrift innerlijk tegenstrijdig is op het thema van scheiding en hertrouwen. Wij ontkennen dat het zondig is om te scheiden of apart te leven van een echtgenoot die met anderen sexuele relaties onderhoudt of sexuele perversies bedrijft. Artikel 8. Sexuele afwijkingen Wij bevestigen dat de Schrift Gods maatstaven voor sexuele betrekkingen stelt,en dat het zondig is hiervan af te wijken. Wij bevestigen dat geslachtsgemeenschap alleen geoorloofd is binnen een hetero-sexuele huwelijksband. Wij bevestigen dat Gods genade in Christus mannen en vrouwen kan verlossen van de slavernij aan afwijkende sexuele praktijken, hetzij heterosexueel, hetzij homosexueel. De Gemeente komt de taak toe om zulke leden terug te brengen in een leven dat God eert. Wij bevestigen dat God homosexuelen liefheeft net zoals andere zondaars, en dat homosexuele neigingen kunnen worden weerstaan in de kracht van Christus tot eer van Zijn genade, net zoals dat mogelijk is met andere neigingen en verleidingen. Wij bevestigen dat Christenen, in de bediening van de genade Gods, meededogend, vriendelijk en vergevensgezind moeten staan tegenover degenen wier leven door sexuele afwijkingen geschonden is. Wij bevestigen dat een zinvol en doelgericht leven niet afhangt van het bevredigen van sexuele driften. Hedonisme en daarmee verwante filosofieën die onbeteugelde sexualiteit voorstaan, zijn vals en ruïneren het leven. Wij bevestigen dat pornografie het welzijn bedreigt van individuen, van gezinnen en van hele samenlevingen. Het is de plicht van Christenen om de productie en de verbreiding van pornografie tegen te gaan. Wij ontkennen dat homosexuele praktijken ooit God kunnen behagen. Wij ontkennen dat zogenaamde geaardheid, ervaringen in de jeugd of invloeden van de omgeving een excuus vormen voor afwijkend sexueel gedrag. Wij ontkennen dat sexuele aanranding of misbruik van kinderen in het algemeen en bloedschande (incest) in het bijzonder, ooit gerechtvaardigd kunnen worden. Wij ontkennen dat het hopeloos is om zich uit te strekken naar bevrijding van homosexuele praktijken of andere vormen van sexuele afwijkingen. Wij ontkennen dat het genezen van afwijkend sexueel gedrag bevorderd wordt door een veroordeling zonder mededogen, of door mededogen zonder het toepassen van schriftuurlijke waarheid in hoop en vertrouwen.

Artikel 9. De Staat onder God Wij bevestigen dat dat God de burgerlijke overheid heeft ingesteld als instrument van Zijn algemene genade, teneinde de zonde te beteugelen, de orde in stand te houden en om burgerlijk recht en algemeen welzijn te bevorderen. Wij bevestigen dat God aan burgerlijke overheden het recht geeft om met de sterke hand op te treden, om degenen die goed doen te beschermen en te bemoedigen, en om hen die kwaad doen op gerechte wijze te bestraffen. Wij bevestigen dat het juist en gewenst is dat Christenen deelnemen aan de burgerlijke overheid en zich ervoor inzetten dat wetten voor het algemeen welzijn worden ingevoerd, die in overeenstemming zijn met de morele wetten Gods. Wij bevestigen dat het de plicht van de Christenen is te bidden voor overheden en hen onderdanig te zijn, tenzij zo'n gehoorzaamheid inbreuk maakt op de morele wetten Gods of hen zou weerhouden in hun door God opgelegde verplichtingen tot een christelijk getuigenis. Wij bevestigen dat overheden voor God verantwoordelijk zijn om wetten uit te vaardigen en te bekrachtigen die overeenstemmen met Gods morele wet, voorzover deze betrekking hebben op menselijke betrekkingen. Wij bevestigen dat de heerschappij van Christus over de Gemeente door Zijn Woord, niet verward mag worden met de macht die Hij aan burgerlijke overheden geeft. Wanneer die macht verwisseld zou worden, wordt de zuiverheid van het Evangelie aangetast en het geweten van het individu geweld aangedaan. Wij bevestigen dat wanneer gezinnen of gemeenten nalatig zijn in het nakomen van hun bijbels bepaalde plichten, en daarmee het welzijn van hun leden in de waagschaal stellen, de overheid het recht heeft op in te grijpen. Wij ontkennen dat de staat het recht heeft zich macht aan te matigen in andere levensbereiken die door God zijn gegeven, in het bijzonder in de gemeente en in het gezin. Wij ontkennen dat het Koninkrijk van God gevestigd kan worden door macht en geweld van wereldse overheden. Wij ontkennen dat de staat het recht heeft om vrijwillig gebed en andere vrijwillige godsdienstige handelingen te verbieden, die bij bepaalde gelegenheden op openbare scholen worden verricht. Wij ontkennen dat aan het aan de macht zijn van een bepaalde regering, die God in Zijn raadsbesluit heeft aangesteld of toegelaten, op zichzelf een speciale zegen verbonden is, los van de vraag of die regering haar opdracht in gerechtigheid en getrouwheid uitoefent. Wij ontkennen dat een godsdienstige overtuiging absolute voorwaarde is om een overheidsambt uit te oefenen, of omgekeerd dat het ontbreken daarvan de wettelijke macht van geen waarde doet zijn. Wij ontkennen dat de overheid het recht heeft om aan haar burgers specifieke gebeden of vormen van religieuze oefening voor te schrijven.

Artikel 10. Wet en Gerechtigheid Wij bevestigen dat de Bijbel het enige onfeilbare geschrift is van onveranderlijke morele principes, die ten grondslag liggen aan een gezonde rechtspraak en een adequate filosofie van mensenrechten. Wij bevestigen dat God een afdruk van Zijn wezen heeft gegeven in de harten van alle mensen, zodat zij tegenover Hem moreel verantwoordelijk zijn voor hun daden als individuen en als leden van de samenleving. Wij bevestigen dat de geopenbaarde wet Gods, de morele natuur van de mensheid en de menselijke wetgeving daartoe dienen om de gevallen menselijke samenleving te bewaren voor chaos en anarchie en de mensheid te wijzen op de noodzaak van de verlossing in Jezus Christus. Wij bevestigen dat het Evangelie niet in wetten gevat kan worden en dat de Wet geen zondaren kan behouden. Wij ontkennen dat een rechtskundig verankerd positivisme (legal positivism) of welke andere humanistische rechtsfilosofie dan ook, in staat is om te voldoen aan de behoefte aan absolute standaards van wet en gerechtigheid. Wij ontkennen dat er ook maar één mens of enige samenleving is die de maatstaf van God vervult en zo zichzelf als individu of samenleving voor het tribunaal van Gods gericht kan rechtvaardigen. Wij ontkennen dat er ook maar één politiek, economisch of sociaal stelsel vrij is van de dodelijke gevolgen van de zondeval, of in staat is een utopische oplossing of surrogaat te geven voor de volmaakte samenleving die alleen Christus zal grondvesten bij Zijn Tweede Komst.

Artikel 11. Oorlog en Vrede Wij bevestigen dat God vrede en gerechtigheid verlangt onder de volken en dat Hij agressie-oorlogen veroordeelt. Wij bevestigen dat wettige staten het recht en de plicht hebben, hun grondgebied en hun burgers te verdedigen tegen agressie en onderdrukking door andere machten. Dit houdt ook de zorg in voor een afdoende burgerlijke bescherming van de bevolking. Wij bevestigen dat wanneer regeringen terecht hun grondgebied en burgers verdedigen, zij daarbij uitsluitend rechtmatige oorlogsmiddelen mogen gebruiken. Wij bevestigen dat staten in oorlog alles dienen te doen om de verliezen onder de burgerbevolking te beperken. Wij ontkennen dat de zaak van Christus met aardse wapens kan worden verdedigd. Wij ontkennen dat het Christenen verboden is de wapens op te nemen ter verdediging van wettige staten. Wij ontkennen dat het zonder onderscheid neerslaan van burgers een moreel-aanvaardbare vorm van oorlogvoering kan zijn. Wij ontkennen dat de omstandigheden van hedendaagse oorlogvoering het recht en de plicht van de overheden tenietdoen, hun grondgebied en hun burgers te verdedigen.

Artikel 12. Discriminatie en Mensenrechten Wij bevestigen dat God, Die man en vrouw naar Zijn beeld gemaakt heeft, aan ieder mens fundamentele rechten heeft toegekend, zowel op natuurlijk als op geestelijk gebied, die moeten worden beschermd, onderhouden en bevorderd. Wij bevestigen dat alle menselijke wezens aan God verantwoording zullen moeten afleggen over de wijze waarop zij deze rechten hebben gebruikt. Wij bevestigen dat Christenen de rechten van anderen dienen te handhaven en verdedigen, en tegelijkertijd bereid moeten zijn van hun eigen rechten af te zien wanneer het welzijn van anderen daarmee wordt gediend. Wij bevestigen dat Christenen worden opgeroepen het voorbeeld van barmhartigheid van Jezus te volgen door de lasten te dragen van hen wier mensenrechten zij geschonden. Wij ontkennen dat zogenaamde mensenrechten, die ingaan tegen het onderwijs van de Schriften, gerechtvaardigd zijn. Wij ontkennen dat een handeling aanvaardbaar is, die inbreuk maakt op het natuurlijke of geestelijke leven van een ander, doordat de mensenrechten van die persoon worden geschonden. Wij ontkennen dat leeftijd, invaliditeit, sociaal-economische positie, ras, geslacht of religie als grond voor discriminatie gebruikt mag worden om zulke mensen het uitoefenen of het genot van hun mensenrechten te ontzeggen. Wij ontkennen dat elitair denken of het streven naar macht in overeenstemming gebracht kan worden met de oproep van Christus om onze rechten in te zetten voor Zijn dienst.

Artikel 13. Economie, grenzen aan de Welvaart Wij bevestigen dat er in de Schrift algemeen-geldige economische principes gevonden kunnen worden, die een integrerend onderdeel dienen te vormen van een christelijke wereldvisie en levensbeschouwing. Wij bevestigen dat materiële middelen een zegen van God zijn waarvan we met dank baarheid mogen genieten. Deze dienen te worden verworven, beheerd en gedeeld, als goede rentmeesters onder God. Wij bevestigen dat Christenen offervaardig vanuit hun middelen behoren te geven, om daarmee het werk van de Gemeente Gods te ondersteunen. Wij bevestigen dat voor de verkondiging van het Evangelie zowel mensen als ook materiële mddelen nodig zijn. Beide zijn nodig voor de redding van de verloren mensheid als ook voor het tegengaan van armoede, waar deze het gevolg is van het vasthouden aan niet-christelijke religieuze stelsels. Wij bevestigen dat een actief medelijden met de armen en verdrukten een verplichting is die God aan alle mensen oplegt, in het bijzonder aan degenen die beschikken over materiële hulpbronnen. Wij bevestigen dat het bezit van rijkdom aan de bezitters verplichtingen oplegt. Wij bevestigen dat de liefde tot geld de bron is van groot kwaad en onheil. Wij bevestigen dat de menselijke verdorvenheid, afgunst en de begeerte naar macht het economisch onrecht begunstigen en de zorg voor de armen ondergraven. Wij bevestigen dat de Bijbel het recht van privé-eigendom bevestigt, om daarmee rentmeester te zijn onder God. Wij ontkennen dat de Schrift op directe wijze een vorm van economische wetenschap onderwijst, ofschoon de economische principes aan de Schrift kunnen worden ontleend. Wij ontkennen dat de Schrift leert dat medelijden jegens de armen slechts door één bepaald economisch stelsel kan worden uitgedrukt. Wij ontkennen dat de Schrift leert dat geld of rijkdom op zichzelf verkeerd zijn. Wij ontkennen dat de Schrift enig economisch stelsel aanbeveelt, bijv. economisch collectivisme of economisch individualisme. Wij ontkennen dat de Schrift het gebruik van kapitaal als bron van inkomen verbiedt. Wij ontkennen dat het ware doel van de christelijke hoop gelegen is in materiële welvaart. Wij ontkennen dat Christenen hun middelen allereerst voor hun eigen genoegdoening moeten gebruiken. Wij ontkennen dat redding van zonde noodzakelijkerwijs gepaard gaat met economische of politieke bevrijding.

Artikel 14. Werk en Vrije tijd Wij bevestigen dat God de mens naar Zijn beeld heeft geschapen en hem in Zijn genade in staat heeft gesteld om zowel te werken als zich te ontspannen. Wij bevestigen dat God in iedere eerbare arbeid, hoe nederig ook, met de werkers en door hem werkt. Wij bevestigen dat werk het van God verordende middel is, waardoor wij God verheerlijken en voorzien in de behoeften van zowel onszelf als van anderen. Wij bevestigen dat Christenen hun werk zo goed mogelijk dienen te verrichten, waarmee zij God welgevallig zijn. Wij bevestigen dat mensen zich deemoedig moeten onderwerpen aan degenen die in hun werksfeer boven hen gesteld zijn resp. dat dezen op rechtmatige wijze hun gezag als leiding uitoefenen. Wij bevestigen dat mensen in hun werk allereerst Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid moeten zoeken, in het vertrouwen dat Hij in hun materiële noden zal voorzien. Wij bevestigen dat de beloning een eerlijke vergoeding moet zijn voor de verrichte arbeid, en wel zonder discriminatie. Wij bevestigen dat vrije tijd en ontspanning, in een juiste verhouding tot arbeid, door God is gewild waarvan tot Zijn eer mag worden genoten. Wij bevestigen dat werk en haar resultaten niet slechts tijdelijke, maar ook eeuwige waarde hebben wanneer dit wordt gedaan en gebruikt tot eer van God. Wij ontkennen dat mensen hun werk moeten verrichten om zichzelf te verwerkelijken en zich bevrediging te verschaffen, in plaats van God te dienen en Hem te behagen. Wij ontkennen dat de rijken meer recht hebben op vrije tijd dan de armen. Wij ontkennen dat sommige vormen van arbeid iemand grotere waarde geeft in de ogen van God dan andere mensen. Wij ontkennen dat de Christenen de vrije tijd mogen geringschatten, dan wel deze tot het doel van hun leven maken.

Artikel 15. Rijkdom en Armoede Wij bevestigen dat God, die rechtvaardig en barmhartig is, in het bijzonder de armen en hun nood voor ogen heeft. Wij bevestigen dat God Zijn volk oproept tot verantwoord rentmeesterschap van zowel hun leven als hun middelen. Wij bevestigen dat mensen die zich offerbereid inzetten om de armoede, onderdrukking en het lijden van anderen te lenigen, een kenmerk en voorbeeld zijn van christelijk discipelschap. Wij bevestigen dat de rijken niet gierig mogen zijn en de armen niet hebzuchtig. Wij ontkennen dat wij het recht hebben ons discipelen van Christus te noemen wanneer wij niet actief betrokken zijn bij de armen, de verdrukten en de lijdenden, en dat geldt in het bijzonder ten opzichte van de huisgenoten des geloofs. Wij ontkennen dat wij te allen tijde voorspoed of armoede kunnen beschouwen als de maatstaf voor onze trouw aan Christus. Wij ontkennen dat het persé verkeerd is wanneer Christenen rijk zijn, of wanneer sommige mensen meer bezitten dan anderen.

Artikel 16. Verantwoord omgaan met het Milieu Wij bevestigen dat God het natuurlijke milieu geschapen heeft voor Zijn glorie en tot welzijn van Zijn menselijke schepselen. Wij bevestigen dat God de mens verantwoordelijkheid heeft gegeven om over de schepping te heersen. Wij bevestigen dat de mensheid een hogere waarde heeft dan de rest van de schepping. Wij bevestigen dat het feit dat de mens heerschappij voert over de aarde hem de verantwoordelijkheid oplegt om het leven en de bodemschatten te beschermen en te bewaren. Wij bevestigen dat Christenen voorstanders moeten zijn van verantwoord wetenschappelijk onderzoek en het aanwenden van de resultaten ervan in de technologie. Wij bevestigen dat het rentmeesterschap van de aarde des Heren ook het productief gebruik van de natuur- en bodemschatten inhoudt, en dat deze steeds voorzover mogelijk weer moeten worden aangevuld. Wij bevestigen dat het onverantwoord is om de aarde, de lucht, het water of de ruimte te vervuilen, wanneer dit kan worden voorkomen. Wij ontkennen dat de kosmos buiten de mensheid geen waarde heeft. Wij ontkennen dat een bijbelse visie (nl. dat de natuur niet bezield is) het mateloos exploiteren van de natuur goedkeurt of bevordert. Wij ontkennen dat Christenen een geringschattende houding jegens cultuur en wetenschap dienen in te nemen, of dat zij de wetenschap mogen gaan beschouwen als de hoop der mensheid. Wij ontkennen dat individuen of samenlevingen de natuurlijke rijkdommen van het heelal moeten exploiteren ten koste van andere mensen of samenlevingen. Wij ontkennen dat een materialistisch wereldbeeld een geschikt uitgangspunt kan vormen om de waarden van het milieu te eerbiedigen.

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Schriftgezag