Spiegel,Spiegel

 

Spiegel, spiegel
Onze hersenen zijn voorbedraad voor empathiealt

© door Babette Rothschild

vertaald door André H. Roosma.

Inleiding

Empathie is het verbindende element in goede therapie. Het stelt ons in staat een vertrouwensband met cliënten op te bouwen en hen zowel met ons verstand als met ons hart te ontmoeten. Empathie verbetert onze inzichten, verscherpt onze indrukken, en soms lijkt het ons zelfs in staat te stellen de gedachten van een cliënt te ‘lezen’. Toch, hoe essentieel het ook is voor ons werk, het concept van empathie is in de psychotherapie niet goed uit de verf gekomen. Voor velen van ons lijkt het ontstaan te zijn uit een mengelmoes van emotionele resonantie en inzicht, gekruid met afgestemde aanwezigheid en een flinke dosis geluk.

Ver van de therapie-ruimte, in de nauwkeurig gecontroleerde omgeving van het onderzoekslab, zijn hersenonderzoekers aan het ontdekken dat een bepaald cluster van onze zenuwcellen specifiek ontworpen is en klaarstaat om de lichamelijke reacties en emoties van een ander te spiegelen. Onze ‘hardware’ lijkt ervoor gemaakt om elkaars geluk en pijn te voelen – dieper dan we ooit wisten. Daarbij: de voordeur naar de empathie is via het lichaam, niet via het denken. Niettegenstaande de rivier van woorden die door de therapie-ruimte vloeit, het is het zien van een cliënt die ongelukkig kijkt, of gespannen, of opgelucht, of boos, dat werkelijk onze meevoelende synapsen actief laat worden.

Dit nieuws is zowel bemoedigend als beangstigend. Het goede nieuws – voor therapeuten, hun cliënten, en de wereld daaromheen – is dat mensen wel eens dieper in staat kunnen zijn tot empathie dan we ooit vermoedden. Als we echt in de wieg gelegd zijn om ons te verbinden met anderen, is er misschien hoop voor ons allemaal. Het beangstigende nieuws: als we werkelijk gemaakt zijn om elkaars gevoelens te weerspiegelen, kunnen we als therapeuten wel eens uiterst kwetsbaar zijn om de depressie, boosheid en angst van onze cliënten ‘op te vangen’ en te bezwijken onder de teistering van ‘hulpverleners-moeheid’ (ook wel: ‘compassie-moeheid’; Engels: ‘compassion fatigue’). Gegeven de hard bedrade natuur van empathie, is het mogelijk om ‘ja’ of ‘nee’ te zeggen tegen het effect dat het op ons heeft? Wat voor stappen zouden we kunnen nemen om onze natuurlijke aangeboren empathie in te kaderen ten goede voor onze cliënten – en onszelf?

Ik herkende de fysieke kracht van empathie voor het eerst toen ik nog studeerde, met de hulp van mijn vriendin Nancy, die studeerde voor fysiotherapeute. Als we samen ergens wandelden, kon ze volslagen vreemden volgen en heel subtiel hun stijl van wandelen nadoen. De tred van een vreemde nabootsen, en het in haar eigen lichaam voelen, gaf haar ervaring in het vaststellen waar een van haar patiënten stijf zou kunnen zijn, of de bron achterhalen waarom een lichaamsdeel niet goed meewerkte. Geïntrigeerd door deze mysterieuze manier van iemand te ‘kennen’, vroeg ik haar het mij ook te leren. Ik begon stiekem de tred van allerlei nietsvermoedende mensen na te bootsen – van ietwat wankelende ouderen tot hippe, ‘coole’ tieners. Wat me ontstelde, was dat het ‘wandelen in de schoenen van iemand anders’ niet alleen veranderde wat ik in mijn lichaam voelde, maar vaak ook mijn stemming. Als ik bijvoorbeeld de chique zwierige tred van een hanige jongeman kopieerde, voelde ik me op dat moment zelfverzekerder – zelfs gelukkiger – dan tevoren. Ik vond dit geheime leven op straat fascinerend en leuk, maar ik dacht er niet te veel over na, tot enkele jaren later, toen ik klinisch sociaal werk ging doen.

Ademloos

lees verder


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Psychosomatische onderwerpen