Omgaan met slachtoffers seksueel misbruik


Omgaan met slachtoffers van seksueel misbruik binnen de christelijke kring

Marrie van der Feen

Samenvatting

Zedenrechercheurs raken gefrustreerd als ze vermeende daders van seksueel misbruik van kinderen niet veroordeeld kunnen krijgen, omdat slachtoffers geen aangifte doen en/of omdat de omgeving niet meewerkt. Dit gebeurt volgens de rechercheurs binnen christelijke kringen, waar de vermeende dader vergeving ontvangt als hij berouwvol zijn fout(en) onderling heeft opgebiecht. Voor het slachtoffer valt het doek. Er komt geen aangifte, geen onderzoek en vaak ook geen goede hulp. Wat weten we van de gang van zaken binnen de christelijke kring, welke factoren spelen er? Door middel van een handelingsprotocol in geval van seksueel misbruik, streeft men naar eenduidig professioneel rechtvaardig handelen binnen de christelijke kring.

Trefwoorden:

Zedenpolitie

Aangifte

Seksueel misbruik

Verjaringstermijn

Geweten

Conspiracy of silence

Zwaard

Inleiding

Er zijn nogal wat frustraties bij zedenrechercheurs vanwege vastgelopen zedenzaken. Nadat een vermeende dader van seksueel misbruik was aangehouden op verdenking van seksueel misbruik, liepen veel zaken dood vanwege gebrek aan bewijs en bekentenissen of het ontbreken van aangiften door slachtoffers. De pleger (kerk- of gemeentelid) deed zijn schuldbekentenis bij de ouderlingen of oudsten, kreeg vergeving en kon zijn gewone leven voortzetten, zij het dan, dat het kwaad aan het licht was gekomen. De overheid die volgens Paulus het zwaard niet vergeefs draagt (Romeinen 13), kwam er niet meer aan te pas. Alles werd in het werk gesteld om de stabiliteit van het gezin en de gemeente of kerk weer te herstellen. Men zat niet te wachten op sancties van buiten het eigen systeem en zowel de daders als de slachtoffers en andere betrokkenen deden er het zwijgen toe. Incestzaken verdwenen zo in de doofpot. Maar is dat goed? Is dit de juiste wijze van handelen bij zaken die volgens de Nederlandse wetgeving misdrijven worden genoemd. Hoe zou men idealiter moeten handelen?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, beschrijf ik eerst een aantal aspecten van seksueel misbruik aan de hand van voorlichtingsmateriaal van Movisie, expertisecentrum seksueel en huiselijk geweld in Utrecht. Vervolgens ga ik na hoe men in de maatschappij en binnen christelijke kringen in het bijzonder tegen seksueel misbruik aankeek en -kijkt en hoe het staat met het doen van aangifte. Verder heb ik onderzocht hoe slachtoffers denken over vergeving en de relatie daarvan tot het doen van aangifte en het straffen van een dader. Behalve het gedrag van een slachtoffer is het gedrag van een vermeende dader ook een factor van belang als het gaat om een rechtsgang bij justitie. Als een dader niet mee wil werken en niet tot een bekentenis komt, zal de zaak meestal bij gebrek aan bewijs geseponeerd worden door de officier van justitie. Daarom ben ik een aantal kenmerken van daders nagegaan. Een allesoverheersend fenomeen bij seksueel misbruik (binnen het gezin) is de zwijgcultuur, the conspiracy of silence. Ik ga hier nader op in met de bedoeling meer inzicht te krijgen. Tot slot noem ik een handelingsprotocol, dat ontworpen is voor de christelijke gemeente en zijn dienst kan bewijzen bij gevallen van actuele (seksuele) kindermishandeling. Deze handleiding is niet van toepassing op de groep slachtoffers die pas jaren nadat het misbruik heeft plaats gevonden, erover vertelt. Tot slot kom ik tot een conclusie.

Ik spreek over mannelijke daders (waar ook vrouwelijke daders bedoeld zijn) en over vrouwelijke slachtoffers (waar ook mannelijke slachtoffers bedoeld zijn).

Een casus

Een meisje, Marieke zal ik haar noemen, uit een groot christelijk/kerkelijk gezin met een hardwerkende, ruimhartige vader, die leiding geeft aan een groot bedrijf, een toegewijde moeder, een flink aantal broers en zussen, wordt op 6-jarige leeftijd bruut door haar oom, een dominee, verkracht. Samen met zijn zoon, Mariekes neef dus, slaapt deze man, als deze bij de familie van het meisje logeert, op de kamer van het meisje. Het seksueel misbruik duurt tijdens de visites jarenlang voort. Als de mannen zich ook aan haar zusje gaan vergrijpen, voelt Marieke zich gedwongen om aan haar moeder te vertellen wat er is gebeurd. Moeder gelooft het meisje en komt in actie. Als gevolg hiervan scheidt tante van oom, de dominee. De vermeende daders zijn te midden van alle turbulentie nooit bij de politie aangegeven toen de incest aan het licht kwam. Het slachtoffer wordt een drop-out van school, spijbelt, raakt verslaafd aan alcohol en drugs. Ze wordt, na een aantal verloren jaren van zwerven op straat, opgenomen bij een christelijk afkickcentrum. Psychisch is ze labiel. Ze doet zelfmoordpogingen, wordt opgenomen op de PAAZ van een ziekenhuis, maar blijft zichzelf beschadigen. Regelmatig komt ze in een isoleercel terecht. Ze krijgt de diagnose posttraumatisch stresssyndroom. Na de PAAZ woont ze enige tijd thuis en werkt in het bedrijf van haar vader. In 2005 zoekt ze hulp bij Stichting Petra nadat ze is verkracht door iemand die bij haar vader in de fabriek werkt. In die tijd drinkt ze regelmatig een grote hoeveelheid wodka achter elkaar, is recalcitrant, nors, maar ook kwetsbaar, boos en verdrietig. Aanvankelijk kan ze niet goed praten over haar problemen. Langzaam maar zeker komt daar verandering in. Ze komt regelmatig voor een gesprek bij Marrie van der Feen, belt tussendoor de praatlijn, ze verhuist een tijdje naar Zeeland, maar vanwege haar alcoholprobleem en heimwee gaat ze terug naar haar ouders. Van de laatste verkrachting is aangifte gedaan, de man wordt veroordeeld, gaat in hoger beroep, waarbij zij voor drie rechters opnieuw haar verhaal moet doen in aanwezigheid van de dader en diens advocaat. Emotioneel is ze een vat buskruit en moet ze regelmatig door een psychiater begeleid worden, die haar medicijnen voorschrijft, welke ze slikt en soms opspaart. Haar ouders worden intensiever bij de begeleiding betrokken, waardoor Marieke zich beter begrepen en ondersteund voelt. Moeder, een verpleegkundige, is een belangrijke factor in dit alles en redt haar dochter een paar keer van de dood door tijdig ingrijpen na een suïcidepoging.

Marieke vertelt haar verhaal voor de radio op 25 oktober 2008 tijdens het EO-programma Man-Vrouw. Ze belt de praatlijn van Stichting Petra regelmatig, want het maakt veel los. Ook is ze in alle staten als ze haar neef, de dader, moet gaan ontmoeten op een familiefeestje. Ze vertelt, dat hij haar opnieuw verkrachtte tijdens een vorig familiefeest. Ze vindt zichzelf vies, slecht, niet om aan te zien en wil het liefst niet meer leven. Desondanks zoekt ze steun bij haar ouders, broers en zussen en gaat wel naar het feest onder het motto: sterk zijn, niet uit de weg gaan voor hem. Geen vermijdingsgedrag, want vermijden leidt bij haar tot drankmisbruik, automutileren of erger. Zal ze ooit aangifte kunnen doen van de verkrachtingen door haar neef (het misdrijf is nog niet verjaard)? Voorlopig is ze nog doodsbang voor hem en heeft ze haar handen vol aan de therapieёn, die ze inmiddels bij een tweedelijns instelling volgt.

De vraag is of een slachtoffer aangifte moet doen als het juridisch een min of meer hopeloze zaak is. Een melding kan natuurlijk altijd en kan vooral nuttig zijn als er meerdere slachtoffers zijn, die meldingen doen. Om ruimte te geven aan slachtoffers zou ik willen, dat de verjaringstermijn bij dit soort delicten verlengd wordt, zodat elk slachtoffer vroeg of laat gelegenheid krijgt een dader aan te geven. Vaak kan dit pas na jarenlange therapie. Dit soort misdrijven zou evenals oorlogsmisdaden niet mogen verjaren. In 2011 heeft de wetgever de verjaringstermijn opgeheven voor ernstige zaken van seksueel misbruik, zodat daders toch gestraft zouden kunnen worden.   

Wat is seksueel misbruik?

De hieronder vermelde gegevens zijn ontleend aan Transact, expertisecentrum voor seksueel en huiselijk geweld, inmiddels gefuseerd met MOVISIE, kennis en advies voor maatschappelijke ontwikkeling (www.seksueelgeweld.nl).Als iemand gedwongen wordt seksuele handelingen uit te voeren of te ondergaan, noemen we dat seksueel geweld of seksueel misbruik. De term seksueel misbruik wordt meestal gehanteerd als er een vertrouwensband is tussen dader en slachtoffer of als het om kinderen gaat. Slachtoffers worden vaak ook bedreigd en geestelijk mishandeld. Altijd is er sprake van een machtsverschil: tussen ouders en kinderen, tussen mannen en vrouwen. De volgende definitie van seksueel misbruik geeft goed weer waar het om gaat:“Iedere interactie waarin iemand ertoe wordt gedwongen seksuele handelingen te ondergaan of uit te voeren. Onder dwang wordt verstaan iedere situatie, waarin het slachtoffer niet het gevoel heeft te kunnen weigeren of zich aan de situatie te kunnen onttrekken” (Boland, 1991).

Wie plegen seksueel geweld?

Seksueel misbruik komt voor in alle milieus, en daders kunnen algemeen gerespecteerde mensen zijn. Meestal wordt seksueel geweld door een bekende van het slachtoffer gepleegd en is de dader een man.

Wie overkomt het?

Zowel mannen als vrouwen kunnen slachtoffer worden van seksueel geweld en dit gebeurt in verschillende situaties, bijvoorbeeld op het werk, op school, thuis enz.. Daders blijken de vaardigheid te hebben de meest kwetsbare slachtoffers uit te kiezen (Conté, 1989). Risicofactoren om slachtoffer van seksueel misbruik te worden zijn bijvoorbeeld een laag zelfbeeld (Kelly, 1988), jonge leeftijd, vrouw-zijn, sociaal isolement en eerdere ervaringen met seksueel misbruik (Cense, 1997; Finkelhor, 1984; Kelly, 1988; Mastenbroek, 1995).

Gevolgen

Door seksueel misbruik worden de autonomie en de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Ervaringen met seksueel geweld hebben alle elementen van trauma’s in zich: machteloosheid, acute ontwrichting van het bestaan en extreem onbehagen. Het slachtoffer heeft geen controle over de gebeurtenis. De gevolgen van seksueel misbruik zijn afhankelijk van de ernst en de duur van het misbruik, de leeftijd waarop het misbruik plaatsvond, de relatie van het slachtoffer met de pleger, de ervaren opvang na misbruik en de specifieke omstandigheden rond het misbruik van het slachtoffer. De gevolgen kunnen psychisch, somatisch en psychosomatisch zijn. Meestal ondervinden slachtoffers een combinatie van soorten gevolgen. De klachten van seksueel misbruikte mensen verergeren vaak doordat slachtoffers uit angst en schaamte jarenlang zwijgen over hun ervaringen. Ons eigen onderzoek (Van der Feen, 2000) bij seksueel misbruikte cliёnten liet zien dat slachtoffers gemiddeld elf psychische, psychosomatische en psychiatrische klachten hadden. De belangrijkste waren: dissociatieve klachten, angsten, depressie, slaap-, eet- en concentratiestoornissen, eenzaamheid, paniek, nachtmerries, seksuele- en relatieproblemen, hoofd- en buikpijn, spanningsklachten.

Hulpverlening

Seksueel misbruik is een schokkende ervaring. Slachtoffers dragen de gevolgen vaak jarenlang met zich mee. Om deze gevolgen draaglijk te maken en te hanteren, hebben veel mensen baat bij hulpverlening. De behoefte aan hulp, opvang en advies varieert per ervaring en per persoon. Sommigen willen alleen het verhaal een keer kwijt, bij anderen is het belangrijk om in een therapie en/of samen met lotgenoten de opgedane ervaringen te verwerken. Het hulpaanbod moet afgestemd zijn op verschillende behoeften.Een groot deel van de slachtoffers van seksueel misbruik doet nooit een beroep op de hulpverlening of vindt niet de hulp die zij zoeken. Een ander probleem is dat een deel van de slachtoffers van seksueel misbruik in een zorginstelling komt zonder dat bekend is dat zij slachtoffer zijn. In de jeugdzorg blijkt bijvoorbeeld dat 35 % van de cliënten in medische kinderdagverblijven, medische kindertehuizen en kinderpsychiatrische instellingen slachtoffer is van kindermishandeling en/of seksueel misbruik (Noordhoek - van der Staay, 1994). In deze en andere instellingen is er niet altijd een hulpaanbod gericht op seksueel misbruik. Uit een enquête blijkt dat 45% van de GGZ-instellingen een specifiek hulpaanbod voor volwassen slachtoffers van seksueel misbruik heeft (VWS, 1995). Over het algemeen worden deze percentages door deskundigen onvoldoende (en nog te rooskleurig) geacht. Niet alle hulpverleners vragen naar mogelijke ervaringen met seksueel misbruik. Dit is wel nodig omdat veel slachtoffers met klachten in de hulpverlening komen zonder dat zij durven te vertellen over hun ervaringen.

Seksueel misbruik (door verwanten) in de maatschappij

Nagenoeg alle culturen kennen een incestverbod. Het incestverbod kan men zien als de basisstructuur van alle samenlevingsvormen (Rijnaarts, 1987). Ook in Nederland is er een incestverbod en is seksueel misbruik strafbaar. In de wet is dat als volgt beschreven

Wetboek van Strafrecht


Artikel 242


Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het ondergaan van handelingen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt als schuldig aan verkrachting gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of een geldboete van de vijfde categorie.


Artikel 244


Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.


Artikel 245


Hij die met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen pleegt die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.


Conventie van de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties


Artikel 3


Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende handelingen of straffen.


Tot ongeveer 1980 werd niet veel aandacht besteed aan incest, noch door de media, noch door de hulpverleners. De slachtoffers zwegen. Hulpverleners wisten over het algemeen weinig af van het bestaan van incest. In de zestiger jaren zei een psychiater tegen mij, dat hij nog nooit van incest had gehoord. Dat vond ik merkwaardig en begreep dat deze man de literatuur niet goed had bestudeerd. Al in 1896 schreef Freud over seksueel misbruik van meisjes door hun vaders. Later, vermoedelijk onder druk van deze vaders, herriep hij wat hij over incest in de openbaarheid had gebracht (Masson, 1984; Albach, 1993). Eén van de ernstige gevolgen hiervan was dat men in bepaalde kringen de oorzaak van incest bij het slachtoffer ging zoeken. Zij zou de ware dader zijn en niet de vader…. Het is niet moeilijk te begrijpen, dat een meisje haar mond hield over incestervaringen, als zij daarvoor verantwoordelijk zou kunnen worden gesteld. Thuis zou ze in veel gevallen er flink van langs krijgen als ze haar mond voorbij praatte. Voor een aantal psychiaters was ze een meisje dat boos was op haar moeder en onder andere daarom haar onschuldige vader verleidde. Voor sommige kerkelijke leiders was ze de geboren verleidster, de vrouw die de man ten val bracht. “Blaming the victim” wordt dat door velen genoemd.

Vooral nadat de Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling (VSK) het boek ’’De straf op zwijgen is levenslang” (VSK, 1989) had uitgebracht en hulpverleensters, die zelf slachtoffer van incest waren, met onnavolgbare ijver op pad gingen om lotgenoten de helpende hand te bieden, veranderde er veel in de berichtgeving omtrent seksueel geweld binnen het gezin. Slachtoffers gingen meer en meer hun droevige en soms zeer schokkende ervaringen vertellen. Gesubsidieerd onderzoek volgde, waardoor de sluier van geheimzinnigheid, onwetendheid en onbegrip werd weggenomen. De slachtoffers konden uit hun schuilhoeken komen, waar ze hadden geprobeerd zich zo goed mogelijk te beschermen, sommigen met succes, anderen tevergeefs. In 1988 concludeerde Nel Draijer die van regeringswege een onderzoek mocht doen naar het aanwezig zijn van seksueel geweld binnen het gezin in Nederland, dat één op zeven vrouwen (14 %) slachtoffer was van seksueel misbruik door één of meer familieleden (Draijer, 1988). Dat betekende dat er op 1 januari 1986 in Nederland ruim één miljoen vrouwen (in de leeftijd van 20 tot 40 jaar) bleken te zijn die seksueel misbruikt waren door verwanten. Hun ervaringen varieerden van lichte vormen van aanranding tot langdurige seksuele relaties waarbij alle mogelijke vormen van penetratie voorkwamen. Deze cijfers komen overeen met ander onderzoek (Finkelhor, 1979; Finkelhor, 1982; Russell, 1986).

In de loop der jaren volgden er meer en meer aangiften bij de politie. Het aantal zedenzaken waarbij kinderen betrokken waren, was in 1996 verdubbeld ten opzichte van 1994. Van minder dan 10% van alle zedenmisdrijven, waaronder aanranding en verkrachting, werd aangifte gedaan bij de politie (Savornin Lohman, 1994).

Omdat soms moeilijk te achterhalen was of het een ware of een valse aangifte betrof, werd er vanuit de rechterlijke macht een expertisecommissie in het leven geroepen met J.P. van Koppen als belangrijkste spreekbuis, waaraan alle gecompliceerde zedenzaken werden voorgelegd. Veel zedenzaken werden geseponeerd, omdat de vermeende delicten niet konden worden onderbouwd met degelijk juridisch bewijs. Bij een enkelvoudige incestzaak stond het slachtoffer tegenover de vermeende dader en was het haar ja tegenover zijn nee. Zelden of nooit was er ondersteunend bewijs. Het slachtoffer liep dan zelf gevaar om aangeklaagd te worden wegens het doen van een vermeende valse aangifte. In een aantal gevallen zijn er wel daders veroordeeld. Sommige slachtoffers hebben genoegdoening ontvangen in de vorm van een schadevergoeding en een veroordeling van de dader(s). De meeste veroordelingen betreffen zaken waar twee of meer kinderen uit een gezin of familie seksueel misbruikt waren door een familielid of buitenstaander, omdat daar sprake was van overeenstemmende getuigenverklaringen. Zelfs zonder bekentenis van de vermeende dader kon deze dan veroordeeld worden. Tot voor kort was  het vermeende misdrijf verjaard als een slachtoffer van seksueel misbruik op de gedachte kwam een vermeende dader aan te klagen bij de politie. Zeker wanneer een kind al op jonge leeftijd slachtoffer was geworden van ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag waren de gevolgen van dien aard dat het slachtoffer jarenlang nodig had om een min of meer gezonde persoonlijkheid te ontwikkelen met voldoende eigenwaarde om de vermeende dader ter verantwoording te roepen.

Er is vaak jarenlange therapie nodig om dit punt te bereiken en vele malen heb ik meegemaakt dat het slachtoffer tegen die tijd ouder dan dertig jaar was en dat het delict was verjaard, zodat aangifte doen afgeraden werd. Dat is dus sinds kort veranderd. Dit opent voor veel slachtoffers van seksueel geweld het perspectief om alsnog aangifte te doen. Men ziet dit ook gebeuren, zoals bij zaken als seksueel misbruik binnen de Rooms Kathoklieke kerk, waar in deze tijd veel aandacht aan wordt besteed. We raden slachtoffers aan om in ieder geval een melding bij de politie te doen, want dat kan altijd. Soms leidt een melding alsnog tot een aangifte en vervolgens tot veroordeling, omdat er in juridische zin al meer over de dader(s) bekend is.

In de maatschappij worden de valse aangiften vaak breed uitgemeten. Denk maar aan de zaak Lancee, waar de dochter van Lancee, een inspecteur van politie, haar vader van incest had beschuldigd en dit later introk. Hij werd volledig vrij gepleit. Ook Jolanda uit Epe, was jarenlang in het nieuws. Zij beschuldigde haar ouders van incest en ook van tal van zwangerschappen, die gruwelijk waren afgebroken. Deskundigen, onder wie Crombach en Merckelbach, analyseerden elke onduidelijkheid in het verhaal van het slachtoffer tot in het kleinste detail. Niet alles werd geloofd, maar er was wel voldoende bewijs om haar ouders als incestdaders te veroordelen. Mijn conclusie is dat het voor een slachtoffer heel moeilijk is om in deze wereld recht te krijgen na seksueel misbruik. Omdat veel slachtoffers er zo over denken, wordt er niet snel aangifte gedaan.

Het is wel mogelijk dat het slachtoffer ergens hulp vindt voor de verwerking van haar trauma’s. De hulpverlening lijkt in de loop der jaren te zijn verbeterd, ook al zijn er nog veel hiaten. De klachten waaronder het slachtoffer lijdt als gevolg van het seksuele misbruik, hebben een naam gekregen en komen voor behandeling in aanmerking. Tenminste als het slachtoffer niet al te suïcidaal is en zichzelf niet al te zeer beschadigt, want dan loopt ze misschien toch tegen een contra-indicatie aan en blijft er weinig anders over voor het slachtoffer dan in het alternatieve circuit hulp te zoeken. Het vergt een aparte studie om de resultaten van de diverse hulpverleningen aan slachtoffers van seksueel geweld te onderzoeken. Sommige slachtoffers met psychische en psychiatrische problematiek verdwenen in de één of andere instelling. Volgens N. Nicolai (1990) blijkt dat onder psychiatrische populaties tussen 30 en 60% van de mannen en vrouwen seksuele of fysieke mishandelingen heeft ervaren. Een incestslachtoffer dat ik regelmatig bezocht tijdens haar opname in de psychiatrie, zat meer dan een jaar in een separeercel. Mijn ervaring op basis van twintig jaar werken met slachtoffers van seksueel geweld is dat het moeilijk is om een slachtoffer van seksueel misbruik, dat ernstig is getraumatiseerd, in een goede hulpverleningssituatie te brengen.

Van overheidswege is er al jarenlang een beweging om het probleem van huiselijk geweld, waaronder seksueel geweld valt, aan te pakken. In Zeeland heeft dat onder andere geresulteerd in de oprichting van een Advies- en Steunpunt huiselijk geweld met een back- en een front office. Voortaan moeten dertien Zeeuwse gemeenten door de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) het beleid bepalen en het geld dat beschikbaar is voor de hulpverlening aan geweldsslachtoffers, verdelen. Het voert te ver om hierover uit te weiden, maar door deze bezuinigingsronde raakte Stichting Wil die (seksueel) mishandelde vrouwen ondersteunt, de subsidie kwijt die het mogelijk maakte om deze kwetsbare doelgroep te helpen. De nieuwe situatie heeft niet tot verbetering van de hulpverlening aan geweldsslachtoffers geleid. Net als voorheen worden slachtoffers van (seksueel) geweld geacht met hun problemen naar de dokter te gaan, naar de psycholoog, de maatschappelijke werker en wat dies meer zij en blijven ze zoeken. Er kunnen meldingen gedaan worden bij het AMK (Advies en Meldpunt Kindermishandeling) en de politie, en er zijn diverse protocollen gemaakt die onder andere de privacy van slachtoffers en betrokkenen moeten beschermen. Misschien is er wat meer en beter contact ontstaan tussen de verschillende spelers in het veld van hulpverleners en de politie. Het AMK speelt nog altijd dezelfde rol. Soms vindt men een vertrouwensarts bij het AMK, waar men goed advies kan krijgen. Een melding bij het AMK leidt niet zonder meer tot een melding of aangifte bij de politie. Een melding kan anoniem gedaan worden. Het AMK kan een onderzoek starten. Het AMK kan de zaak ook doorgeven aan de Kinderbescherming. Als er redenen voor zijn zal het AMK contact opnemen met de politie en aangifte doen. Het AMK zal het slachtoffer trachten onder te brengen bij de best mogelijke hulpverlener. Aan bekwame hulpverleners is helaas gebrek, getuige de wachtlijsten. De stap naar de hulpverlening en/of politie is voor veel slachtoffers nog steeds een te grote stap en daar moet wat aan worden gedaan. Het is dus een stap achteruit om laagdrempelige vraaggestuurde hulp als die van Stichting Wil te frustreren. Immers de slachtoffers voelen zich er begrepen, hun problemen worden er- en herkend, er is visie voor rehabilitatie en ontwikkeling van kracht en inzet van de mogelijkheden van de cliënt met zijn of haar beperkingen. Daar gaat het om.

Seksueel misbruik (door verwanten) in de Bijbel

Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament wordt incest verboden. In het Oude Testament staat de doodstraf op verkrachting en incest (Leviticus 18). Bij overtreding van het incestverbod in het Nieuwe Testament wordt men uit de gemeenschap gezet (1 Kor. 5). Machtsmisbruik en seksueel misbruik worden nergens goedgekeurd in de Bijbel. Jezus benadrukt zelfs dat Hij naar de aarde is gekomen om te dienen, om mensen te redden en te helpen, om het op te nemen voor het zwakke, zieke, gebondene, om een voorbeeld te zijn, dat nagevolgd dient te worden door Zijn volgelingen. Hoe zit het met de priesters, dominees, ouderlingen en andere kerkmensen die kinderen iets ergs aan doen? In de Bijbel wordt openlijk gesproken over de mogelijkheid dat er verkeerde mensen in de kerk of gemeenschap kunnen zijn, bijvoorbeeld in het boek Judas: ”schandvlekken tijdens uw liefdemalen, die als dieren hun instincten volgen”. Een kerkelijke titel en geestelijke status zijn geen garantie voor goed gedrag. Het kan helaas een perfect alibi zijn om kinderen op het verkeerde been te zetten en hen te verleiden een verkeerd mens vertrouwen te schenken. Was het niet de geestelijkheid van die tijd die ervoor zorgde dat Jezus door de Romeinen werd gekruisigd?Jezus nam het voor de kinderen op. Hij zei bijvoorbeeld: “Je kunt maar beter een molensteen aan je nek hangen en in zee springen dan een kind tot zonde verleiden….” . Daarmee sprak Hij een oordeel uit. Meestal sprak Hij geen veroordeling uit, maar als het slachtoffer een kind is dus wel.

De Sterke Arm (het zwaard) wordt in het Nieuwe Testament erbij gehaald (Romeinen 13). De overheid moet de orde handhaven, de goeden belonen en de kwaden straffen. Dat kan alleen als iedereen waakzaam is en aan de bel trekt als dat nodig is. Het kan alleen als slachtoffers het zwijgen doorbreken en aangifte of melding doen.Wie mogen volgens de Bijbel sekspartners zijn? In het Oude Testament wordt in Leviticus 18 aangegeven wie de sekspartners mogen zijn. Seksuele omgang tussen verwanten is verboden. Er wordt niet expliciet gezegd, dat een vader en moeder geen seks mogen hebben met hun eigen (pleeg- of stief) kinderen, maar uit de context is volkomen duidelijk dat seksuele omgang tussen verwanten wordt verboden. Toch zijn er mensen, vooral mannen, die zichzelf als christelijk beschouwen en het tegelijk normaler vinden om seks met hun dochter te hebben dan bijvoorbeeld naar de hoeren te gaan. “Moet ik dan naar de hoeren gaan?” zei de vader van een cliënte.

Beschermende en risicofactoren bij seksueel misbruik

De meest effectieve barrière tegen vader/dochter incest bleek te liggen in het vermogen van de moeder om bescherming en sociale controle uit te oefenen (Herman, 1994). Ook attitude heeft grote invloed op gedrag. Uit het onderzoek van Draijer (1988) bleek dat hoe vrouwonvriendelijker de omgeving van het kind was, hoe groter de kans op seksueel misbruik van vrouwen. In mijn boek ’Het doet pijn van binnen (2004) behandel ik bijbelse opvattingen over de rol van mannen en vrouwen. Over het algemeen is men het er over eens, dat er geen sprake mag zijn van machtsmisbruik, dat men zijn vrouw moet behandelen met toewijding en respect, dus vrouwvriendelijk moet zijn en dat er zorg en bescherming moet zijn voor kinderen en het zwakke,  dus kindvriendelijk moet zijn.Weerbaarheid van het kind kan seksueel misbruik stoppen. Zwakzinnigheid maakt het kind kwetsbaar voor seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Een geschiedenis van seksueel misbruik kan een risicofactor zijn.

Uit mijn eigen onderzoek (Van der Feen, M.A.,1998) bij een groep seksueel misbruikte cliënten tussen 13 en 22 jaar bleek, dat een groot aantal van de slachtoffers het misbruik zelf had gestopt na voorlichting en door van huis weg te gaan.

Typering van de dader

Het is niet eenvoudig om de daders te typeren. De incestplegers zijn meestal niet pedofiel (Gelinas, 1983). Pedofielen zijn vergeleken met incestplegers volgens Gelinas agressiever en crimineler. In de meeste opzichten zijn incestplegers ’normaal’. Naar buiten toe kunnen het prettige mensen zijn die gewaardeerd worden om hun bekwaamheid en inzet. Sommige onderzoekers noemen echter ronduit negatieve persoonlijkheidskenmerken zoals: heerszuchtig ten opzichte van vrouw en kinderen. Buitenshuis kan hij zich heel anders gedragen dan binnenshuis. Binnenshuis is hij dikwijls een arrogante, twistzieke, dominante en achterdochtige man die sociale contacten zoveel mogelijk vermijdt (Weinberg, 1955). Hierbij moet opgemerkt worden dat deze onderzoeksresultaten betrekking hebben op veroordeelde incestplegers. Wanneer niet-veroordeelde daders bij het onderzoek waren betrokken, zou het psychologisch beeld er anders uit kunnen zien.In 1995 verscheen het proefschrift van J.C. Borst (1995). Op basis van literatuuronderzoek en interviews kwam hij tot een beschrijving van de volgende typen daders: de onzekere, introverte dader met weinig sociale contacten; de tirannieke agressieve dader; de psychiatrisch gestoorde dader; de psychopathische dader; de alcoholische dader. De introverte en tirannieke dader kunnen in één persoon verenigd zijn: de dominante vader binnen het gezin en tegelijkertijd de introverte serviele man buiten het gezin. De grenzen tussen de verschillende typen daders zijn moeilijk te trekken. Ze kunnen elkaar overlappen of samenvallen. Jarenlang bezocht Borst als gevangenispredikant een aantal veroordeelde incestplegers in de gevangenis. Zelden waren dit mannen die een asociale indruk maakten. Integendeel. Hij schrijft dat het dikwijls mannen zijn die keurig in het pak lopen en zich joviaal en plezierig gedragen, hem zelfs een bloemetje meegeven voor zijn vrouw. [ath1] 

Kenmerken van het gezin van de incestdader


·         Geslotenheid (gezin t.o.v. de boze buitenwereld)


·         Vrouwonvriendelijkheid en machtsmisbruik


·         Parentificatie t.o.v. het kind (rolomkering)


·         Afwezige, niet beschermende moeder


·         Affectieve verwaarlozing onderling


·         Speciale band tussen vader en kind/slachtoffer


·         Voor de buitenwereld een gewoon gezin

Afweermechanismen die door daders/plegers worden gebruikt


·         Rationaliseren. Daders zoeken vaak rationalisaties voor hun gedrag. Een cliënte vertelde mij, dat haar vader zei, dat de vrouw zijn “eigen vlees en bloed” was en dat seks tussen hen normaal was. De vindingrijkheid van daders in het bedenken van argumenten om een slachtoffer over te halen dingen te doen of toe te laten, die ze niet wil, is groot. Voorbeelden: “een man kan nu eenmaal niet zonder seks”, “een vrouw is er om de man te bevredigen”, “Eva heeft de man verleid, dus moet jij mij ter wille zijn”.


·         Beschuldigen. “Het komt door jou, dat ik opgewonden raak en dus seks moet hebben met je”, “het komt omdat je een meisje bent”, ”je vraagt erom.”


·         Ontkennen. “Ik weet nergens van”, “ik kan het me niet herinneren”.


·         Godsdienstige motieven. “God wil het.” “Een dader zei: als u eens wist wat ik tot de Heere geschreid heb, en wat ben ik blij met zijn vergeving….”. Geen woord over het slachtoffer.

 

Hoe reageren slachtoffers na seksueel misbruik?


De meeste slachtoffers van seksueel misbruik zwijgen. Draijer (1990) meldt dat 85% van de slachtoffers het gevoel of de overtuiging had dat ze niet mochten of konden praten over wat er met hen gebeurde. In ruim een derde deel van de gevallen werd het hun expliciet verboden erover te praten, sommigen onder bedreiging. Druk tot geheimhouding is een voorkomend kenmerk van incest. Vrijwel alle aspecten die bepalend zijn voor de ernst van het misbruik hangen ermee samen: hoe langer het misbruik duurde en hoe frequenter het gebeurde, des te meer werd er gedreigd met sancties als het zwijgen zou worden verbroken. Vaders blijken meer druk tot geheimhouding te hebben uitgeoefend dan andere daders. In haar onderzoek van 1988 komt Draijer tot de slotsom, dat verreweg de meeste incestslachtoffers niet over de incest spraken toen alles nog volop bezig was. Een aantal (één op de vijf slachtoffers) praatte er wel met de moeder over, maar sommigen vingen bot en zwegen daarna totdat ze in de loop van hun leven wel moesten gaan praten, omdat ze te veel psychische en andere klachten hadden ontwikkeld. Als de band met de moeder goed was, durfden slachtoffers eerder hun verhaal te doen. Ze praatten ook gemakkelijker als er thuis openlijk over seksualiteit werd gesproken. Vooral schaamtegevoelens werden genoemd als reden om te zwijgen. Sommige slachtoffers schaamden zich plaatsvervangend voor de dader: “Ik wilde er niet met anderen over praten, omdat ik me schaamde en ik wilde niet dat anderen hem een rotvent zouden vinden. Ik wilde niet dat anderen slecht over hem zouden denken”. Er waren ook slachtoffers die zwegen uit angst de schuld te krijgen of omdat ze bang waren voor de gevolgen voor anderen.Slachtoffers zijn vaak loyaal ten opzichte van de dader. Het slachtoffer zal zwijgen om het voortbestaan van het gezin niet in gevaar te brengen. De vader of broer kan in de gevangenis komen, moeder kan haar evenwicht verliezen en er kan zelfs een echtscheiding komen. Het meisje offert zich op voor de stabiliteit van een in feite instabiele gezinssituatie. Ze is vaak meer gericht op de gevoelens van en consequenties voor de ander dan op die van haarzelf (Miller, 1981). Wordt deze loyaliteit doorbroken, bijvoorbeeld door therapie nadat het meisje is gaan praten, dan ziet men het nogal eens gebeuren, dat het scenario zoals het meisje had voorzien, inderdaad een feit wordt. Moeder vraagt echtscheiding aan, vader komt in de gevangenis of verlaat het huis (en is soms erg zielig) en zij voelt zich schuldig.

Soms zwijgt het slachtoffer uit angst, omdat het bedreigd wordt: “Als je praat, sla ik je in elkaar” of “ik vermoord je”. Een mens kan zich nauwelijks voorstellen, wat daders zoal tegen hun slachtoffers zeggen. Het zijn de ergste bedreigingen die men kan bedenken. Ik denk bijvoorbeeld aan de stiefvader van An, die haar aan haar benen boven een watergang hing en zei: “Je houdt je smoel, anders verzuip ik je”.

Sommige slachtoffers kruipen in hun schulp en vergeten alles. 29% van de door Albach (1993) onderzochte incestslachtoffers (met therapie-ervaring) was jarenlang het misbruik vergeten. Een deel van hen herinnerde zich later weer wat er in hun jeugd was voorgevallen. Dit betreft de dissociatieve verschijnselen, waarover veel wetenschappelijk discussie is geweest (“teruggevonden herinneringen”). Er zijn ook slachtoffers, die bewust niet meer denken aan wat er vroeger gebeurde. Voor beide groepen geldt, dat bij bepaalde gebeurtenissen in hun leven de herinneringen met kracht en overweldigend terug kunnen komen. Bijvoorbeeld de dood van een dader of seksueel misbruik van het eigen kind van een slachtoffer, kunnen een trigger zijn die aan het vroegere trauma herinnert.Er zijn slachtoffers die met hun letsel na seksueel misbruik naar de dokter gaan, zich laten behandelen en niets zeggen over de oorzaak van de beschadiging. Anderen geven wel opening van zaken. Een arts of andere hulpverlener met beroepsgeheim is niet meer gebonden aan zijn beroepsgeheim als er sprake is van een misdrijf waar hij indirect getuige van is.Er zijn slachtoffers die naar de politie stappen, soms onder druk van de omgeving. Het gebeurt dat de politie doorvraagt tot in de kleinste details en het slachtoffer dit niet aankan. Ze weet zich bijvoorbeeld de gebeurtenissen niet meer precies te herinneren of ze valt zelfs weg in een vorm van bewusteloosheid (dissociatie).Er zijn slachtoffers die de dader confronteren met zijn foute gedrag, zorgen dat het seksuele misbruik stopt en eventueel later aangifte doen.

Bezemer (2007) onderzocht de invloed van misbruik- en disclosurekenmerken (het spreken over het misbruik) op de ervaren gezondheid van als kind seksueel misbruikte vrouwen, die in behandeling waren geweest bij Stichting Petra, de VSK en een praktijk voor pastorale hulpverlening. Slachtoffers, die het zwijgen hadden doorbroken, gehoord en geholpen waren, bleken later een betere fysieke en psychische gezondheid te hebben.

Opvattingen in de christelijke wereld omtrent vergeving van de dader

In de loop van mijn therapeutisch werken met slachtoffers van seksueel misbruik merkte ik, dat er door christenen verschillend gedacht werd over vergeving van daders. Er is een groep, die te allen tijde de daders wil vergeven. Ik beschrijf hun opvatting onder punt 1. In het daarop volgende gedeelte (punt 2) beschrijf ik mijn opvatting als christelijke therapeut. Onder punt 3 volgt een theologische opvatting door R.E. van der Feen (van der Feen, R.E., 1994).

1. Vergeet wat achter je ligt, vergeef de dader, bedek het kwaad met de mantel der liefde. Dan krijg je vrede. Wie de hand aan de ploeg slaat, moet niet omkijken naar vroeger. Concreet: vergeef degene die jou heeft misbruikt, laat het los en praat er nooit meer over.

Sommigen nuanceren en zeggen: vergeef niet te snel. Laat de dader merken, dat je boos bent. Houd afstand, werk aan relatieherstel op termijn en vergeef tenslotte. Het slachtoffer krijgt ruimte voor haar eigen gevoelens, maar uiteindelijk voelt ze zich verplicht de dader zonder meer te vergeven en de relatie te herstellen. Men noemt als bewijsteksten: “Vergeef onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren” en de woorden van Jezus aan het kruis: “Vader vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen”.

 2. Benoem het seksuele misbruik, praat erover, zoek hulp. Werk aan je weerbaarheid, want het is niet de bedoeling, dat je opnieuw geslachtofferd wordt. Confronteer de dader als je er sterk genoeg voor bent. Vergeef de dader als deze oprecht berouw heeft getoond, geef hem een kans zijn leven op te bouwen en laat het recht zijn loop hebben. Als bewijs van berouw kan de dader zelf aangifte doen. Doe aangifte als je het als slachtoffer aan kunt en als het wijs is om dat te doen of doe een melding bij de politie. Overleg of het zin heeft de juridische heisa over je heen te halen of te krijgen. Je hebt toch al een zware dobber. Zoek hulp bij gespecialiseerde hulpverleners en geef het niet op als je niet meteen een begripvolle hulpverlener vindt. Je herstel is belangrijker dan de vraag of het recht zijn loop heeft. Volgens de Bijbel zal een misdadiger zijn straf sowieso niet ontgaan, omdat God in de Bijbel zegt: “Laat Mij de wraak, want Ik zal het vergelden”, maar als een dader tot inkeer komt en vergeving ontvangt door geloof in Jezus, zal God het kwaad niet vergelden, omdat de straf door Jezus is gedragen. Aangezien de wetgeving seksueel misbruik (door verwanten) veroordeelt, dient een dader op basis van de Nederlandse wetgeving de straf te ontvangen, die op het misdrijf staat, waarbij over het algemeen de rechter alle factoren laat meewegen. Er kan een taakstraf volgen en/of verplichte therapie en niet altijd gevangenisstraf.  De verjaringstermijn maakte het vaak onmogelijk om aangifte te doen. Daarom pleitte ik ervoor, dat het voor slachtoffers langer mogelijk zou zijn om een dader aan te geven, ook al was deze oud geworden, om te voorkomen dat hij kon doorgaan met seksueel misbruik van kinderen.

Sinds kort verjaren seksueel misbruik zaken niet meer 12 jaar na het 18e levensjaar van een slachtoffer, maar gelden andere juridische regels, waardoor de aangifte tijd is verruimd.  

3. Moet een christin te allen tijde vergeven, ook degenen die haar grote schade hebben berokkend? Moet alles met de “mantel der liefde” bedekt worden? Of moet je haten en streven naar vergelding? Immers, ook dat zijn bijbelse begrippen.

Om hierin enige klaarheid te krijgen, wenden we ons tot de geschriften van de apostelen, die in het voetspoor van Jezus en de oudtestamentische zieners informatie van Godswege aan de mensen bekend maakten. Zij melden ons, dat vanuit Gods standpunt alle mensen schuldig zijn. Niemand is rechtvaardig, ook niet één (Rom. 3:11). God heeft alles volmaakt geschapen en Hij neemt alleen genoegen met volmaakte mensen (Matt. 5:48). Dit klinkt niet erg opwekkend en ook de leerlingen van Jezus reageerden, toen zij deze stand van zaken vernamen, verslagen: “Wie kan dan behouden worden”? (Matt. 9:23). Jezus volstond met te zeggen, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, maar in de brief aan de Romeinen wordt het nader verklaard. Doordat Jezus in de plaats van de mensen de straf voor hun tekortschieten droeg, komt het voor alle mensen tot “rechtvaardiging ten leven” (Rom. 5:18). Bavinck (1898) tekent hier aan: “Deze weldaad van de vergeving der zonde is zoo is groot, dat ze voor den natuurlijken mensch ongelooflijk is. Heidenen kenden ze niet en meenden door allerlei werken de gunst der Goden te moeten verwerven; Celsus spotte er mede en achtte ze eene dwaasheid” (blz. 550).God wil dat alle mensen vergeving ontvangen en dat is ook mogelijk: Jezus legde daar de basis voor. Wie echter de aangeboden vergeving afwijst, komt in een doodlopende straat. Je blijft dan schuldig, maar zonder enige noodzaak: er was immers al afgerekend…..

Het voorgaande betrof de relatie tussen God en mens. Nu bespreken we de relatie tussen mensen onderling en wel speciaal die tussen dader en slachtoffer. Van groot belang is dat het slachtoffer in principe geen schuld heeft. De schuld ligt bij degene, die de grenzen overschrijdt en de schade toebrengt. De dader staat schuldig ten opzichte van God en mens. Aan de menselijke gerechtigheid kan hij ontkomen, aan de goddelijke niet. Tenzij hij op andere gedachten komt en op Gods aanbod ingaat. Voor iemand die zich gewend heeft aan het plegen van ernstige inbreuken op ethische normen en het zich omringen met leugens is de waarheid echter alles behalve aantrekkelijk. Lijden kan louteren, maar met veroorzakers van lijden gaat het vaak van kwaad tot erger. Johannes zei: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler” (Openbaring 28:11). Vergeving komt hier niet aan de orde. Haat en vergelding? Dat kunnen we het beste aan Hem overlaten: “Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heer” (Rom. 12:19).

Welke kenmerken bepalen of seksueel misbruik wordt aangegeven bij de politie?

Het doen van aangifte van een seksueel misdrijf is voor slachtoffers niet vanzelfsprekend en ook niet voor betrokkenen. Zijn er kenmerken te noemen, die invloed hebben op al dan niet doen van aangifte bij de politie? Hieronder noem ik een vijftal, waarmee ik in mijn werk in aanraking kwam.

  • Mensen die de Bijbel als gezaghebbend beschouwen. Deze mensen zien seksueel misbruik (door verwanten) als zonde, omdat dit in de Bijbel staat en ze zien het als een misdrijf, omdat dit in de Nederlandse wet staat. Men zal een melding of aangifte doen omdat men volgens de wetgever een misdrijf moet melden en omdat men volgens de Bijbel de overheid (=wetgever) dient te gehoorzamen (Romeinen 13). In de Dordtse Kerkorde wordt een hint gegeven naar de rechterlijke macht in verband met straf. Borst (1995) noemt artikel 71 van de DKO (Dordtse Kerkorde) van de Nederlands Hervormde kerk, dat over het algemeen in de orthodoxe kerkgemeenschappen binnen de gereformeerde gezindte serieus wordt genomen. “Gelijkerwijs de christelijke straf geestelijk is, en niemand van het burgerlijk gericht en straf der overheid bevrijdt, alzo wordt ook, benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuur noodzakelijk vereist, om de zondaar met de kerk en zijn naaste te verzoenen.” Borst schrijft: “De christelijke straf is dus geestelijk en ontslaat niet van de burgerlijke straf. De geestelijke straf wordt door de ambtsdragers beoefend met de geestelijke wapenen van overtuiging, vermaning, waarschuwing, censuur en ban. Deze kerkelijke tuchtoefening is niet vergeldend. Ze mag geen inquisitie zijn, d.i. geen gerechtelijk onderzoek in het opsporen en bestraffen van zonde” (Borst, 1995).

  • De mate van isolement. Mensen die niet maatschappelijk betrokken, maar sterk naar binnen gericht zijn, zullen minder vlug naar een instantie buiten de eigen kring gaan.

  • Angst voor en onzekerheid over de gevolgen van aangifte doen. Wat gaat er gebeuren als ik aangifte doe? Er kan gebrek zijn aan voorlichting, maar er kan ook sprake zijn van slechte opvang van het slachtoffer en/of de moeder en andere kinderen. Ik denk aan het voorbeeld van Hanneke die met het sperma van haar vader in een plastic zakje naar de politie ging, daarna uit huis werd geplaatst in een gesloten inrichting (omdat er elders geen plaats was) en een lange lijdensweg moest gaan langs de Nederlandse instellingen voor kinderbescherming.

  • Angst bij de moeder. Bij seksueel misbruik binnen het gezin, waarbij de dader een vader en/of broer is, kan moeder bang ervoor zijn dat de kinderen uit huis worden geplaatst.

  • Nare ervaringen bij het doen van aangifte. Er zijn slachtoffers die nare ervaringen hadden bij het doen van aangifte, zich onder druk gezet voelden, opmerkingen te horen kregen als “je hebt het uitgelokt, het is je eigen schuld, je vond het lekker, waarom heb je je niet verzet”?   

 Welk kenmerken zorgen ervoor dat een dader al of niet bekent?

Borst heeft veel gesprekken gevoerd met veroordeelde incestplegers en in lezingen voor Stichting Petra daarover verteld. Op basis van deze gesprekken en ook op grond van wat slachtoffers mij vertelden over hun geweldplegers, kom ik tot de volgende veronderstellingen:

  • Het geweten. In kerken en kringen, waar men preekt en spreekt over zonden en men gericht is op schuldbesef en minder op genade en vergeving, zal de dader eerder tot een bekentenis komen. De zondaar voelt zich schuldig en aanvaardt straf.

  • De gevolgen. De gevolgen kunnen verstrekkend zijn, zodat een dader blijft zwijgen, ook al klaagt zijn geweten hem aan. Hij moet voor zichzelf wel zwijgen, omdat zijn hele bestaan ervan afhangt. Zijn vrouw zal hem misschien verlaten, hij wordt met de rug aangekeken. In de gevangenis worden plegers van seksueel geweld dikwijls hard aangepakt door de medegevangenen en/of bewakers.

  • Berouw. Daders kunnen een gevoel van berouw hebben en iets willen goedmaken.

  • “Hardheid van het hart”. Er zijn daders die strak en stijf volhouden, dat ze niks gedaan hebben, ook al weten ze dat ze fout zitten.

Wat helpt slachtoffers vrijmoedig te spreken over seksueel misbruik?

Gezien het belang van openheid voor het slachtoffer noem ik hieronder een aantal factoren, die openheid faciliteren:

  • Slachtoffers serieus nemendoor naar hen te luisteren, hen te accepteren en in beginsel te geloven.

  • Gelegenheid scheppen voor openheid, bijvoorbeeld na een voorlichtingsfilm over seksueel misbruik of na een getuigenis van een slachtoffer of na het lezen van een boek over seksueel misbruik.

  • Praten over seksueel misbruik in de kerk en in groepen. Borst (1995, p. 247) schrijft: “Een predikant vertelde een ’incestpreek’ te hebben gehouden. In de week na de dienst zochten maar liefst tien meisjes contact met hem. Onder de meisjes waren enkele incestslachtoffers, die nu hun verhaal durfden te doen”.

Groepsprocessen, die optreden om de stabiliteit van de groep te beschermen

Er zijn allerlei groepsprocessen, die invloed hebben op het omgaan met seksueel geweld binnen christelijke gezinnen of binnen de kerk. Het heeft te maken met ‘de vuile was niet buiten willen hangen’. Ook is het moeilijk te aanvaarden, dat we in een wereld leven, waar onze en andere kinderen niet veilig kunnen leven. Immers één op zeven kinderen (vooral meisjes) blijkt slachtoffer te worden van seksueel misbruik binnen het gezin en een nog groter aantal mensen (vooral vrouwen) krijgt vroeg of laat te maken met seksueel misbruik of seksuele intimidatie. We sluiten liever onze ogen voor deze feiten en verbeelden ons, dat het bij ons niet voorkomt (de illusie van de goede wereld)! Dat betekent, als het dan toch bij ons voorkomt, dat het slachtoffer weinig kans heeft om haar verhaal te doen. Als het seksuele misbruik toch uitkomt, dan bedenken we een reden, die onze zekerheid zo min mogelijk verstoort en geven we het slachtoffer de schuld: ‘blaming the victim’. Het geweld zegeviert ten gunste van de stabiliteit van de gemeenschap, want een gemeenschap staat of valt bij zijn stabiliteit. Er zullen dus sterke krachten in werking zijn om deze stabiliteit te handhaven. Men kijkt dan niet naar het belang van het slachtoffer, de enkeling. Er is sprake van machtsmisbruik. Een slachtoffer zit sowieso in de underdogpositie, is dus gemakkelijk monddood te maken. Het is goed dat de overheid dit in de gaten heeft en voor het slachtoffer opkomt.

Groepsloyaliteit kan sterker zijn dan het besef dat er recht gedaan moet worden aan een slachtoffer en dat men het zwakke in bescherming moet nemen. In de christelijke leer wordt sterk benadrukt, dat het zwakke beschermd en geholpen moet worden. De Bijbel leert, dat we om moeten te zien naar de minder bedeelden, kwetsbaren en zwakkeren in de maatschappij. Uiteindelijk zal dat de stabiliteit van de groep ten goede komen.

Handelingsprotocol bij vermoeden van kindermishandeling binnen de christelijke gemeente

In opdracht van het Instituut voor Gemeenteopbouw en Theologie verbonden aan de Christelijke Hogeschool in Ede is door Verhage-van Kooten (2005) een handelingsprotocol opgesteld voor beroepskrachten en vrijwilligers met geheimhoudingsplicht bij vermoeden van kindermishandeling. Het protocol kan verantwoordelijken helpen om de juiste stappen te zetten als men te maken krijgt met signalen van seksueel misbruik. Er is onderling overleg volgens vaste lijnen en zo nodig wordt er een melding gedaan bij het AMK (Algemeen Meldpunt Kindermishandeling). Bij het AMK wordt besloten of er al dan niet contact wordt opgenomen met de politie en/of kinderbescherming. Men laat deze beslissing nemen door de professionele beroepskrachten van het AMK. In het protocol worden aanwijzingen gegeven voor de verantwoordelijken om contact op te nemen met het gezin van het vermoedelijk mishandelde kind. Het is overigens bekend, dat aanvankelijk bijna alle incestdaders ontkennen wat ze hebben gedaan. Dat betekent, dat men niet gemakkelijk achter de waarheid komt en dat het veel wijsheid, kennis en bekwaamheid vraagt om het slachtoffer en het gezin van herkomst op een juiste wijze te ondersteunen en te begeleiden. Francine Lamers-Winkelman (1987) wijst erop hoe gemakkelijk het incestgezin zich afsluit voor de buitenwereld en hoe zeer het kind onder druk staat om te zwijgen.

Conclusie

Ook al is er een toename van aangiften te constateren, feit blijft dat er over het algemeen weinig aangiften gedaan worden van seksueel geweld en volgens de zedenpolitie blijven de christelijke groepen achter als het gaat om het aangeven van seksuele delicten. Uit het onderzoek van Borst is af te leiden dat een aantal predikanten uit de rechtervleugel van de Hervormde Kerk het onderwerp seksueel misbruik niet schuwde in de preken en op de catechisatie, met als gevolg dat er meer openheid kwam bij slachtoffers van seksueel misbruik. Ik weet niet of dat aanleiding heeft gegeven tot meer aangiften bij de politie. Wel weet ik, dat binnen de behoudende kerken Romeinen 13 regelmatig wordt voorgelezen in de kerk en dat er acceptatie is van het ’zwaard van de overheid’. Aangifte wordt niet gemeden. Ook wordt er geen goedkope vergeving gepredikt en moet een zondaar op de blaren zitten. In de gevangenis bij Borst zaten dan ook regelmatig mannen met een bezwaard geweten, die veroordeeld waren wegens seksueel misbruik van hun kind(eren). Over deze groep zal de zedenpolitie dus niets te klagen hebben. Misschien moeten we naar andere groepen met een christelijke identiteit kijken. In mijn werk kwam ik heel wat slachtoffers van seksueel misbruik tegen, die zeiden dat ze de dader hadden vergeven of hij nu berouw had of niet. Zij vonden dat dit hun christelijke plicht was, want pas dan zouden ze het verleden kunnen loslaten. Aangezien ik het niet als mijn werk zie om iemands geweten op te scherpen, nam ik wat men zei voor kennisgeving aan. Als een slachtoffer vrede vindt, kan dat helend werken. Naar mijn mening gaat het er vooral om dat een slachtoffer verder kan met haar eigen leven en daar de volle verantwoordelijkheid voor neemt. Dat kan ook betekenen, dat ze zich afvraagt hoe het verder gaat met de dader en de mensen in diens omgeving. Is hij nog steeds een misbruiker? Heeft hij berouw en vergeving van God ontvangen? Een slachtoffer hoeft zich daar niet druk over te maken, maar als christen krijg je misschien wel zulke gedachten. Voor de politie is het niet relevant of een dader in de hel of in de hemel komt, maar wel of hij gestopt is met zijn wandaden, en voor justitie is het van belang dat hij zijn straf heeft gekregen. Ook daarom willen politie en justitie een aangifte. Immers pas dan kan een dader ter verantwoording worden geroepen en bij een veroordeling komt er eventueel ook zicht op hulp voor de dader. Daar heeft hij en zijn omgeving alleen maar baat bij. Dus waarom aarzelen om aan te geven of te melden? Helaas ligt het allemaal niet zo eenvoudig. Vaak vraag ik me af wat er zou zijn gebeurd als mijn vader als incestpleger zou zijn veroordeeld. Wat zou dat voor mijn moeder hebben betekend en voor mijn broers en zus? Toen de incest aan het licht kwam, had hij diep berouw en beloofde hij zijn dochter nooit meer onzedelijk aan te raken. Ik bleef gewoon thuis, maakte mijn school af en ging later studeren. Zou Jezus tegen hem hebben gezegd: “Ga heen en zondig niet meer?” Ook bij ons gooide niemand van de omstanders een steen. Daar ben ik blij om.  

Marrie van der Feen

Literatuur

Albach, F. (1993). Incest, Trauma, Hysterie. Freuds verleidingstheorie. Middelburg: Stichting Petra.

Bavinck, H. (1898). Gereformeerde Dogmatiek, deel III. Kampen: Bos.

Bezemer, A. (2007). Invloed misbruik- en disclosurekenmerken op ervaren gezondheid van als kind seksueel misbruikte vrouwen. Heerlen: Open Universiteit Nederland

Boland, G. (1991). Seksueel geweld aan de orde. Utrecht: Medusa.

Borst, J.C. (1995). “Gij zijn die man”. Heerenveen: Groen.

Cense, M. (1997). Rode kaart of carte blanche. Risicofactoren voor seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de sport. Arnhem: NOC NSF.

Conte, J.R.S. (1989). What Sexual Offenders tells us about Prevention Strategies. Child abuse and neglect: The International Journal, volume 13, nummer 2, p. 293-301.

Draijer, N. (1988). Seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Draijer, N. (1990). Longterm Psychosomatic Consequences of Child Sexual Abuse. Institute for research on sexuality and violance. Amsterdam: University of Amsterdam.

Feen, van der M.A. (1998). Traumaverwerking, hulpverlening aan slachtoffers van huiselijk geweld. Middelburg: Stichting Petra.

Feen, van der M.A. (2000). Traumaverwerking, doet het nog pijn van binnen? Middelburg: Stichting Petra.

Feen, van der M.A. (2004). Het doet pijn van binnen. Oorzaak en gevolg van incest. Middelburg: Stichting Petra.

Feen, van der, R.E. (1994). Vergeving? Periodiek Geknakt Riet, nummer PM 2. p. 21.

Finkelhor, (1979). Sexually Victimized Children. New York: The Free Press.

Finkelhor, (1982). Sexual Abuse: a Sociological Perspective. Child Abuse and Neglect: The International Journal, volume 6, nummer 1, p. 95-102.

Gelinas, D.J. (1983). The persisting negative Effects of Incest. Psychiatry: Journal for the Study of Interpersonal Processes. Volume 46, nummer 4, November 1983, p. 312-332.

Herman, J. (1994). Trauma en herstel. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Kelly, L. (1988). Surviving Sexual Violance. Cambridge: Polity Press.

Lamers-Winkelman, F. (1987). Determinanten voor de schadelijkheid van incest op korte termijn. Boerhave cursus incest: 1812 1987.

Mastenbroek, S. (1995). De illusie van veiligheid. Voortekenen en ontwikkeling van geweld tegen vrouwen in relaties. Utrecht: Jan van Arkel.

Masson, J.M. (1984). Traumatische ervaring of fantasie. Freuds rampzalige herziening van de verleidingstheorie. Amsterdam: Van Gennep.

Masson, J.M. (1994). Against therapy. Monroe, Maine: Common Courage Press.

Miller, A. (1981). Gij zult niet merken. Weesp: Het Wereldvenste

Nicolai, N. (1990). Seksueel misbruik en psychiatrische stoornissen. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 9-90, p. 908-923.

Noordhoek-van der Staay, J. en Buffing, F. (1994). Kindermishandeling als bijzonder probleem: beleidsmatige en organisatorische vraagstukken in de praktijk van de hulpverlening in MKD- en MKT-en en instellingen voor Kinder- en jeugdpsychiatrie. Amsterdam: Vrije Universiteit.

Russell, D.E.H. (1986). The Secret Trauma, Incest in the Lives of Girls and Woman. New York: Basic Books.

Rijnaarts, J. (1987). Dochters van Lot. Over vaderdochterincest. Amsterdam: An Dekker.

Rijnaarts, J. & R. van Hengel (1989). De straf op zwijgen is levenslang. Utrecht: VSK.

Savornin Lohman, J. (1994). Betere en adequate bescherming door de nieuwe zedelijkheidswetgeving? Evaluatieonderzoek naar de effecten en de doelbereiking van de nieuwe zedelijkheidswetgeving. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (1996). V.W.S.-beleid bestrijding seksueel geweld (1991-1995). Rijswijk: Ministerie van V.W.S.

Verhage-van Kooten, M. (2005). Handelingsprotocol bij vermoeden van kindermishandeling voor pastors en pastoraal werkers en kerkelijk vrijwilligers die een geheimhoudingsplicht hebben. CHE: Ede

Weinberg, S.K. (1955). Incest Behaviour. New York: Citadel Press.

Personalia

Drs. M.A. van der Feen

 is als GZ-psycholoog (Big) verbonden aan Stichting Petra en Stichting Wil. Er wordt bij Stichting Petra eerstelijns psychologische hulp geboden vanuit een christelijke visie op hulp voor psychologische klachten. Binnen Stichting Wil heeft hulpverlening aan slachtoffers van seksueel misbruik een bijzondere plek. Correspondentieadres: Turfkaai 29, 4331 JV Middelburg. E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., www.stichtingpetra.nl.  


 


 


 








 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Pastorale onderwerpen