Het geweten

Het Geweten  engelse vlag(1)

© door Gerard Feller

 

Inleiding

In de christelijke geestelijke hulpverlening lijkt er steeds meer een spanningsveld te ontstaan tussen pastoraat, psychologie en recentelijk de neurofysiologie. In het verleden werd vooral de moralistische en ethische kant benadrukt, bijvoorbeeld in het pastoraat van Jay Adams waarin zondebesef, belijden en heiliging bijna alle oplossingen van geestelijke problemen vertegenwoordigden. Later werd door veel christelijke hulpverleners die eenzijdige ethische benadering verlaten en richtte men zich veel meer op de psychologie, vooral de ontwikkelingspsychologie, statistiek, en men raakte ook steeds meer verstrikt in de humanistische psychologie. De laatste jaren worden problemen onder invloed van de ontwikkelingen in hersenwetenschappen en genetica steeds meer gezien als gevolg van biochemische veranderingen en hersenstoornissen. Hulpverlening wordt steeds complexer, moet je bijvoorbeeld drankzucht benaderen als een zondeprobleem, een symptoom van een niet verwerkt trauma of als een neurologisch of genetisch probleem? Of juist als een complex probleem waarin diverse oorzaken en aspecten een rol spelen, en wat maakt dat uit voor de begeleiding? Moet hulpverlening gefragmenteerd worden in verschillende disciplines die vaak een verschillend mensbeeld hebben, of is er een holistisch bijbels model? In dit artikel wil ik in dit spanningsveld de plaats en functie van het geweten verkennen.

 

Definitie

 

Het geweten (Duits: Gewissen, Grieks: syneidèsis, Latijn: conscientia, dat wil zeggen: "bij of met zichzelf weten") vergelijkt een aangeleerde of ingeboren ethische norm met een praktische situatie. In de opvoeding wordt het geweten ontwikkeld omdat de ervaring leert dat menselijke neigingen erdoor in toom gehouden kunnen worden. Het geweten zou je ook het geestelijk vermogen kunnen noemen om te (be)oordelen. Het innerlijk besef van goed en kwaad, de gezamenlijke al of niet bewuste voorstellen en begrippen, waarnaar de mens de zedelijke waarde van eigen handelen beoordeelt, het bewustzijn van plicht, in zoverre het zich zelfs tegenover natuurlijke wensen en begeerten stelt. Bijbels gezien is het innerlijk besef van goed en kwaad sterk gerelateerd aan de relatie en communicatie met God. Adam en Eva namen van de verboden boom van kennis van goed en kwaad, en stelden voor zichzelf hun eigen denken en overleggingen als norm. De Boom des Levens, verbonden met God in Christus, is de volmaakte bron van het (ge-)weten. In de Bijbel neemt het geweten een uiterst belangrijke plaats in, zowel in de bevrijding en verlossing van de gehele mens als in de communicatie met God en het leren kennen van Zijn wil. In het hindoeïsme en boeddhisme en daaraan verwante humanistische psychotherapieën wordt het geweten niet meer gerelateerd aan bijvoorbeeld schuld tegenover God, maar krijgt het de lading van het begrip maya of onwetendheid, niet verlicht zijn, en dat geval ligt het veel dichter bij een ontwikkelingsprobleem dan bij morele verantwoordelijkheid.

 

Ontwikkeling van het geweten.

 

Ieder mens heeft een geweten, het besef dat je niet alles zo maar mag doen. Het wordt in tekenfilms voorgesteld als een engeltje dat op je schouder zit en je allerlei dingen influistert. Kleine kinderen hebben al een geweten maar nog geen impulsbeheersing. De maatschappij, je geloof en de opvoeding spelen ook een grote rol in het ontwikkelen van je geweten. Bij peuters gelden verboden alleen als vader of moeder die iets verboden hebben, er bij zijn. Dit heet een extern geweten. Later gaan ze zichzelf vermanend toespreken als ze iets doen wat niet mag. Maar doen vervolgens toch wat ‘niet mag’. Rond hun derde jaar ontwikkelt het geweten van de ‘natuurlijke mens’ die gauw anderen de schuld geeft, bijvoorbeeld de hond die iets gedaan heeft. Dit is geen bewust liegen maar liegen uit angst voor ‘de straf’. Rond het vierde jaar weten kinderen vaak wel wat wel en niet mag en op hun zesde ontwikkelt zich het geweten pas echt. Tot het zevende jaar heeft men moeite verschil te maken tussen fantasie en werkelijkheid. Vanaf het zevende jaar moet het kind zelfbeheersing leren, bijvoorbeeld het begrip van uitgestelde beloning. Een experiment waarbij kinderen snoep voorgehouden werd en gezegd werd dat als je het 5 minuten laat staan, je over 5 minuten twee keer zoveel krijgt. Kinderen die dit het beste beheersten, bleken later veel succesvoller in de maatschappij.

We zullen verder in dit artikel zien dat zelfbeheersing ook een belangrijke factor is in de hersenontwikkeling, gewetensvorming en het hele leven. Kan iemand aan zijn identiteit wie hij is, vasthouden en allerlei primitieve driften, zoals ongebreidelde seks, agressieve en sterke gevoelens, allerlei hartstochten en ik-gerichtheid, overwinnen door zich ondanks al die verleidingen te gedragen naar zijn eigen zelf, dan is er sprake van zelfbeheersing. In de hersenfysiologie en controle van onze gevoelens is de prefrontale cortex erg belangrijk en zou bij een sterk ontwikkeld geweten een beslissende rol spelen in de interacties en relaties van thalamus, amygdala en cingula, en in het denken van de mens. Dit zou moeten leiden tot een volmaakte biochemie waarin de ‘belonings-neurotransmitters’ zoals dopamine, serotonine en endorfine op de juiste manier natuurlijk worden aangemaakt.

 

Geweten in de Bijbel

 

Deze vaardigheid van zelfbeheersing van impulsen is bijbels gezien vrucht en eigenschap van de Heilige Geest. Nadat Adam en Eva van de boom van kennis van goed en kwaad genomen hadden, waren de gevolgen uiteindelijk moord en doodslag en dreigde de mensheid aan zijn eigen gebrek aan moraal en geweten te gronde te gaan. Kennis buiten God leidt tot de dood, in tegenstelling tot kennis (gemeenschap, deel hebben aan) in God. Kennis zonder God wordt in de Bijbel getypeerd als dwaasheid. De dwaas zegt in zijn hart: “Er is geen God”( Ps.14:1). Door het evangelie van Jezus Christus kan de dwaas weer wijs worden door de wijsheid van God die voor de wereld een dwaasheid is, namelijk door het kruis ( 1Kor. 1:24,25). Bij de wedergeboorte maakt de Heilige Geest inwoning in ons hart, geest (bewustzijn) en is daar eeuwig aan verbonden (Rom 8:35). Het kostbare bloed van Christus reinigt de geest van de mens, zijn intuìtie, en geweten.

“Hoeveel te meer zal dan niet het bloed van Christus, die dankzij de eeuwige Geest zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet, ons geweten reinigen van daden die tot de dood leiden, en het heiligen voor de dienst aan de levende God” (Hebr. 9:14).

Toen Adam en Eva zondigden, voelden zij zich schuldig en verborgen zich voor God. Dankzij het evangelie van Christus kunnen we vrijmoedig tot God gaan. Zo vervult Christus voor eeuwig (naar de ordening van Melchisedek) een Hogepriesterschap in het binnenste Heiligdom, waarin Hij met Zijn leven en bloed ons leven heiligt. Daarom hebben we door het reinigende bloed van Jezus de vrijmoedigheid om voor God te staan, . Als ons geweten rein is, zonder onbeleden bewuste zonden, kunnen we de volle gemeenschap beleven en diepe innerlijke vreugde ervaren door de Heilige Geest. "Zo, laat ons toegaan met een waarachtig hart (geest) in volle verzekerdheid van het geloof, het lichaam gewassen zijnde met rein water" (NBV Hebr.10:22) Een slecht geweten wordt voortdurend aangeklaagd waardoor de gemeenschap met Christus wordt belemmerd en verlamd. Als ons geweten niet in orde is, wordt onze toenadering tot God verkrampt, omdat we niet werkelijk kunnen geloven dat God niets tegen ons heeft. Het berooft ons van de vrijheid tot de gemeenschap met Christus. Daarom moet een christen in zijn geweten gereinigd zijn van aanklachten, namelijk door het bloed (het leven van Christus) volkomen gereinigd, zodat er werkelijk geen aanklacht meer is (Rom. 8:33,34). Als we ons bewust blijven van zonden, richt onze geest zich er steeds weer op om die weg te werken en blijft er geen kracht meer over voor hemelse dingen. Bij verwaarlozing van de stem van de Heilige Geest in ons geweten ontstaat een vleselijke levenswandel.

 

Geweten en kennis

 

Een rein geweten betekent niet perse dat het geweten beter is als voorheen. Het betekent dat we door het eerlijk en oprecht belijden van zonden met vertrouwen in de nabijheid van Christus mogen komen. Als we in de Geest blijven en de stem van ons geweten volgen, moeten we er rekening mee houden, dat het geweten door kennis begrensd is. Het geweten was immers het ’orgaan’ waarmee we het slechte van het goede konden onderscheiden De kennis is bij iedere gelovige verschillend. Sommigen hebben veel, anderen minder kennis. Dit wordt vaak door onderwijs en omgevingsfactoren bepaald. Daarom kunnen we ons niet richten op de maatstaven van de ander. Een voor ons niet bekende zonde beïnvloedt de gemeenschap van een gelovige niet. Christenen die nog jong in het geloof zijn, denken vaak dat hun gebrek aan kennis (weten) hun gemeenschap met Christus beïnvloedt. Het is belangrijk te realiseren dat God niet in de eerste plaats kennis (kennis van de boom van goed en kwaad) van ons vraagt, maar gehoorzaamheid t.o.v. Zijn wil.

 

Geweten en oordeel

 

God handelt met Zijn kinderen afhankelijk van de situatie. Omdat er verschillende kennisniveaus zijn, kan iets wat voor veel christenen nauwelijks een zonde is, voor andere gelovigen een zware zonde zijn. Daarom moeten we ‘elkaar niet oordelen’ (Luk. 6:36). Alleen de Vader is in staat ons kennisniveau in te schatten. Hij verwacht geen volwassen mannelijke kracht bij zuigelingen! Christus zoekt niet ervaringen van ’oude mannen’ bij jongeren in het geloof. Hij wil gehoorzaamheid (uitgaande van iemands bestaande kennis). Als de Heilige Geest ons onze onbewuste zonden nog niet duidelijk heeft gemaakt, hoe kunnen we dan op grond van ons geweten onze broeder veroordelen, die misschien op dat moment in zijn geweten een kennisniveau heeft, wat we zelf 5 jaar geleden hadden? Als we mensen werkelijk willen helpen, dan moeten we geen gedetailleerde gehoorzaamheidseisen stellen, maar hen steeds aanraden, de stem van hun geweten te volgen. Als ze hun wil aan God overgeven, zullen ze in dezelfde mate het licht van de Heilige Geest ontvangen, en die vervolgens gehoorzamen.

 

Geweten en empathie

 

Paulus geeft op verschillende plaatsen in de Bijbel aan dat hij zijn geweten oefent voor God én mensen (o.a. Hand. 24:16). Dat oefenen van het geweten voor mensen heeft veel te maken met empathie. Een belangrijke voorwaarde voor het ontwikkelen van een goed geweten is empathie. Naast een cognitief besef van goed en fout moet een ontwikkeling hebben plaatsgevonden waarin geleerd is aan gebeurtenissen en handelingen een gevoel toe te kunnen kennen. Als dit niet gebeurt, ziet iemand niet het verschil tussen een grote misdaad en een klein vergrijp. Men kan een narcistische persoonlijkheid ontwikkelen of een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis, wat men vroeger psychopathie noemde. Men weet ergens dat men fout zit, maar men heeft er geen schuld, spijt of schaamtegevoel bij. Een extreem voorbeeld is een seriemoordenaar die geen last van zijn geweten heeft. Empathie is het inlevingsvermogen in de ander, dat wil zeggen dat je kunt bedenken en voelen wat jouw handelen met een ander doet. Emoties bepalen vaak wat je uiteindelijk wel of niet doet. Als je de ervaring hebt dat iets psychisch pijn doet, word je de volgende keer geremd om hetzelfde te doen, die pijn is als het ware een innerlijk straf. Freud beweerde dat het geweten ontstaat als een kind zich o.a. de sociale normen van de ouders en de samenleving eigen maakt. In de sociologie noemt men dat socialisatie. Andere geleerden beweren dat het geweten in sterke mate gerelateerd is aan het overleven van een groep of stam waar men deel van uitmaakt. De filosoof Kant was heel resoluut in zijn opvatting: het geweten is niet het resultaat van sociale processen, maar het behoort tot de mens als autonome morele persoon. Voor Kant was het geweten een bewijs voor het bestaan van God (Die Kritiek der Praktischen Vernunft). In zekere zin spreekt Rom.2: 15 daar ook over: “Zij tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt daarvan, en hun gedachten, die hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken op de dag dat God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus” (Willibrordvertaling).

Maar Nietzsche heeft geen boodschap aan het geweten. Het is slechts geloof aan gezag! Voor Nietzsche staat de vrije geest dan ook "Jenseits von Gut und Böse"! Jan Kerkhofs, emeritus hoogleraar aan de faculteit van godgeleerdheid in Leuven, zegt over het geweten: “’Groei naar een authentiek zelf’ en ’geweten’ zijn met elkaar verbonden” Dat lijkt ook neurofysiologisch te kloppen.

 

Geweten als hersenfunctie

 

De ontwikkeling van het geweten die we eerder in dit artikel psychologisch benaderd hebben is ook neurofysiologisch te benaderen. Ik maak hier gebruik van het artikel Emotionele synchronisatie uit het boek ’Met vreugde man zijn’ van dr. Jim Wilder. Het controlecentrum - het beoordelingsmechanisme, in zekere zin ons geweten (GF) - van ons brein heeft zich tot doel gesteld om ons in herinnering te brengen hoe wij onder alle omstandigheden als onszelf kunnen reageren. Het controlecentrum van onze identiteit wordt door de meeste wetenschappers gezien als iets wat zich in de prefrontale cortex bevindt. Dat is dat gedeelte wat je aantikt op je hoofd als je zegt dat iemand getikt is! Het centrum beoordeelt prikkels en reageert volgens de identiteit van het ‘zelf’. Anders gezegd, het gaat hier om een goed verloop van het synchronisatieproces tussen binnen- en buitenkant, ongeacht wat er gebeurt. Zodra er wat gebeurt, treden emoties op als vreugde, droefheid, schrik, woede, schaamte, walging, wanhoop en vernedering. Soms ontstaan zij van binnenuit en soms ook worden zij opgeroepen door anderen om ons heen. Wanneer ons controlecentrum onontwikkeld en ongeorganiseerd is, dan verloopt het synchronisatieproces niet goed en kunnen wij door deze sterke emoties de controle over ons leven kwijtraken. Als ons controlecentrum echter sterk is en goed getraind, dan zijn wij in staat onszelf te blijven ongeacht de intensiteit van deze gevoelens. De voorbereiding op het hanteren van al deze noodsituaties vindt plaats gedurende de eerste twee levensjaren van een kind, tenminste als het kan terugvallen op een goede relatie en binding met moeder of opvoeder.

Laat mij u een korte rondleiding geven langs de vier niveaus van het controle­centrum. Het zorgvuldig kunnen synchroniseren van de hersenactiviteit wordt namelijk in etappes geleerd. Daarbij staat iedere etappe voor een niveau van het controlecentrum. Van beneden naar boven werkt deze structuur als een grote leermachine.

Om te begrijpen hoe dit in elkaar zit, moet ik eerst iets meer uitleggen over de anatomie van onze hersenen. Allereerst is het van belang om te weten dat de hersenschors het gedeelte van onze hersenen is waarin de bewuste processen plaatsvinden en waarop onze wil invloed heeft. Wanneer wij dan vaststellen dat de bovenste twee niveaus van het controlecentrum zich in de hersenschors bevinden, houdt dit in dat de processen die hier plaats vinden ons een keuzemogelijkheid geven. Voor de onderste twee niveaus van het controlecentrum geldt daarentegen dat zij onder de hersenschors zijn gelegen. Dit betekent dat deze delen zich in ons onderbewustzijn bevinden. Wij kunnen hierop met onze wil dus geen invloed uitoefenen. Verder is het zo, dat ons controlecentrum overwegend in de rechterhelft van onze hersenen is gelegen, en wel op de plaats waar onze gevoelens en creativiteit zich bevinden. Dit betekent dat het controlecentrum in een situatie waarin zich spanningsvolle emoties voordoen, primair zal zoeken naar een oplossing waar opnieuw vrede en vreugde wordt ervaren. Deze sterke gerichtheid op emotioneel herstel zorgt ervoor dat een kind op een relationele wijze handelt wanneer hij van streek is. Hij wordt in staat gesteld om zijn gevoelens te reguleren, te kalmeren en terug te keren naar een toestand van vreugde, tenminste als hij heeft geleerd hoe hij dit allemaal moet doen.

De rechterhersenhelft heeft een belangrijke eigenschap die van invloed is op de wijze waarop het controlecentrum wordt getraind en functioneert. Zo hebben de herinneringen die hier worden opgeslagen, gemeen dat wij ons hiervan niet bewust zijn wanneer zij worden aangesproken. Als wij een handeling willen uitvoeren, dan is het nodig dat wij ons de vaardigheid die hiervoor nodig is in herinnering brengen. De enige manier waarop ik een glas water kan vasthouden en leegdrinken is om te leren hoe dit moet en vervolgens te recapituleren hoe ik dit eerder gedaan heb. Maar wanneer ik een glas water leegdrink, ben ik mij helemaal niet bewust van deze herinnering. Het enige dat ik denk is: ‘Ik drink’.

Op dezelfde manier herinnert het controlecentrum zich wie wij hebben geleerd te zijn en hoe wij hebben geleerd te handelen, maar we denken daarbij niet: ‘Ik herinner mij wie ik ben’. Het enige dat wij denken – als we al hierover nadenken – is: ‘Zo ben ik’. Het zorgvuldig kunnen synchroniseren van de hersenactiviteit wordt namelijk in etappes geleerd. Daarbij staat iedere etappe voor een niveau van het controlecentrum. Van beneden naar boven werkt deze structuur als een grote leermachine.

Niveau Een gaat over de meest basale verbindingen. Deze verbindingen zijn heel specifiek en zintuiglijk. Wanneer Niveau Een om moeder vraagt, hoeft vader niet te komen. Wanneer het daarentegen vader wil, dan heeft moeder weer het nakijken. Niveau Een bevindt zich onder de hersenschors, en beschikt dus over een eigen wil. Niveau Een bepaalt wie er in trek is en wie er geen indruk maakt. Onze diepste pijn en blijdschap zijn afkomstig van Niveau Een. Hier ligt ons verbindingscentrum. Wanneer het signaal op aan staat, dan zoekt het contact. Staat het op uit, dan niet. We zouden Niveau Een daarom ook wel onze verbindingsschakelaar kunnen noemen. Wanneer deze op aan staat, straalt het van ons gezicht af: ‘Ik wil jou!’

Niveau Twee bevindt zich – net als Niveau Een – onder de hersenschors. Hier ligt het beoordelingscentrum, waar onze ervaringen worden gelabeld met de waardering: goed, slecht, of eng. Wanneer Niveau Twee zich eenmaal een mening over iets heeft gevormd, laat deze zich niet meer veranderen. Niveau Twee functioneert in dat opzicht als het emotionele brein voor Niveau Een en bekommert zich alleen maar om wat het van iets of iemand vindt. Met uitzondering van iemand die in coma ligt, is Niveau Twee altijd alert. De amygdala (zie illustratie 1)zorgt normaliter voor angstconditionering, bijvoorbeeld dat iemand gelijk een onprettig gevoel ervaart wanneer hij weet dat hij iets niet mág doen en zich ‘herinnert’ welke straf hieraan vast zit. Kinderen waarbij angstconditionering op driejarige leeftijd niet leek te werken, bleken op 23-jarige leeftijd al meer veroordeeld te zijn. (De amygdala heeft dus een grote invloed op het beoordelingsvermogen of ons geweten door herinnering, wat vervolgens door de prefrontale cortex verder geïnterpreteerd wordt. GF)

5center

Het controlecentrum van onze hersenen. Copyright: Jim Wilder

Illustratie 1 toont ons de hersenstructuren die veelal in verband worden gebracht met de vier niveaus van het controlecentrum. Er is nog steeds enige onzekerheid over de vraag waar sommige functies beginnen en eindigen, maar er zijn veel aanwijzingen dat zij zich concentreren op de plaatsen die op de kaart zijn aangegeven. Niveau Eén maakt gebruik van de thalamus en wat bekend staat als de diepe limbische structuren, zoals de basale ganglia. Niveau Twee speelt zich vooral af in de amygdala. De cingulaire cortex of schors bevat het moedergeheugen van Niveau Drie. De meeste aandacht in de wetenschap is gericht op de orbitale prefontale cortex van Niveau Vier. Met elkaar worden deze structuren wel het limbisch systeem genoemd.

Niveau Drie is het belangrijkste synchronisatiegebied van het controlecentrum. Het bevindt zich in de hersenschors en staat dus open voor interactie met andere mensen, in het bijzonder met diegenen met wie wij een band hebben opgebouwd. Niveau Drie is het emotionele brein voor twee mensen, dat wil zeggen: het kan slechts met één andere persoon tegelijk synchroniseren. De vaardigheid om dit te kunnen doen, wordt opgedaan tussen de tweede en negende maand in het leven van een baby en wel in de relatie met de moeder.

Niveau Drie synchroniseert veel dingen. Onder leiding van een betrokken moeder of opvoeder leert het de lagere en hogere niveaus van de hersenen te synchroniseren, dus zowel de niveaus die zich onder als de niveaus die zich in de hersenschors bevinden.

Niveau Drie synchroniseert niet alleen de verschillende hersenlobben. Ook de hersenen van de baby en de moeder – het ene brein met het andere – worden hier gesynchroniseerd. Dit is de reden waarom Niveau Drie ook wel het moedergeheugen wordt genoemd, omdat hier een synchronisatie plaatsvindt met de moeder. Wanneer moeder en kind op deze manier op elkaar zijn afgestemd, dan betekent dit dat Niveau Drie van de moeder is gedownload naar het moedergeheugen van het kind. Het meer ontwikkelde brein van de moeder heeft zichzelf gekopieerd in haar baby, inclusief datgene wat zij weet en de wijze waarop haar brein is opgebouwd. (Synchronisatie met anderen heeft veel te maken met het ontwikkelen van empathie, dat zoals eerder besproken een grote rol speelt bij de ontwikkeling van het geweten. GF)

Niveau Vier is ons bewuste identiteitscentrum. Dit is het gedeelte van de hersenen dat zichzelf als ik beschouwt. Niveau Vier heeft de naam: orbitale prefrontale cortex (orbitaal betekent onder de oogkas, prefrontaal betekent aan de voorzijde van de hersenen, cortex betekent het schorsgedeelte van de hersenen). Hier zetelen ons vermogen tot flexibel denken, moreel gedrag, persoonlijke voorkeuren, en zelfbewustzijn. (Het beoordeelt alle informatie vanuit gevoel en denken en is in die zin te definiëren als ons geweten. GF) De orbitofrontale cortex weet dat ik het ben die actief is en zijn leven leeft. Het is het bovenste niveau van het controlecentrum en – als alle niveaus goed getraind en ontwikkeld zijn – heeft Niveau Vier het laatste woord over wat ons brein en ons lichaam doen. Dit vermogen van Niveau Vier om ‘flexibel georganiseerd gedrag te blijven vertonen ten overstaan van een hoge graad van opwinding of spanning’, is wat Sroufe noemt ‘een hoofdkenmerk van een stabiel persoon’. Niveau Vier is de plaats waar het vermogen tot flexibel organiseren zetelt (tot zover Jim Wilder, het gehele artikel is te lezen op de website van Promise) .

 

Het slechte geweten is aantoonbaar in de hersenen

Gewetenloze moordenaars hebben dus geen goed werkende frontale cortex die hun agressieve emoties reguleert. Ze reageren direct op hun emoties. Als een moordenaar wél een normaalwerkende prefrontale cortex heeft en dus wel kan beredeneren dat iets niet goed is, kan een slecht werkende amygdala een normale redenering alsnog in de weg staan. Volgens Raine, een Engelse neurowetenschapper, blijkt dat veel gewetenloze mensen een lage hartslag hebben. Het niveau van opwinding, prikkeling is lager dan normaal. Hierdoor zoekt men situaties om dat niveau te verhogen. Een lage hartslag betekent bij deze categorie een gebrek aan angst. Men maakt zich minder druk over de gevolgen van hun daden. Het ultieme moordbrein wordt volgens Raine gezien met drie abnormaliteiten: een groter stratum gedreven door beloning, een kleinere amygdala die niet reageert op straf en een slechte werking van de prefrontale cortex. Een moordenaar kan alsnog gewetenloos reageren, geen medelijden hebben voor zijn slachtoffers, en achteraf geen berouw hebben voor zijn daad. Hij weet dat het fout is maar heeft er door een slecht werkende amygdala geen gevoel over. In die zin voelt hij ook geen verschil tussen grote of kleine fouten. Door het gebrek aan empathie zal hij op een narcistische wijze alleen op zijn eigen behoeften reageren en niet voelen wat hij de ander aandoet. Psychopathische moordenaars voelen geen schuld en spijt. Een bijbelse term is een gebrandmerkt (verschroeid, gevoelloos) geweten.

 

Geweten als functie en oefening in de relatie met God.

Eerder in dit artikel hebben we beschreven hoe iemand wedergeboren wordt en de Heilige Geest zich verbindt met die gelovige. Het goede geweten wordt vervolgens gevormd door de Heilige Geest ‘die de wet in zijn hart schrijft’. Er is een geweldig mooie analogie van de manier waarop een moeder op natuurlijke manier door non-verbaal contact het baby’tje vreugde geeft en door de interacties met het baby’tje een identiteit opbouwt (van liefde, gewild zijn etc.). Langzamerhand krijgt de identiteit van het baby’tje, de kleuter, steeds meer vorm door de interacties van de opvoeders. Dit is vergelijkbaar met hoe de christelijke identiteit wordt opgebouwd. Door steeds weer voor het aangezicht van God te komen, net zoals een baby’tje voortdurend voor het aangezicht van de moeder komt, zo zal de Heilige Geest ons leren een identiteit in het geloof in Christus te ontwikkelen. Dit gebeurt doordat we ons voortdurend ‘synchroniseren’ met God, ons geweten reinigen en voor zijn troon (aanwezigheid) komen, en te leren ons op Hem te richten en zo een identiteit op te bouwen die aan Christus gelijkvormig is. De oudtestamentische zegen drukt dit prachtig uit:

“Moge de Heer u zegenen en u beschermen. Moge de Heer het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn. Moge de Heer u Zijn gelaat toewenden en u vrede geven” (Num. 6:24-26).

Ons geweten wordt geoefend door steeds de boom des levens (Christus) te zoeken in plaats van de boom van goed en kwaad, onze eigen normen of die van onze omgeving. Steeds Zijn aangezicht zoeken vormt ons geweten, gebaseerd op Zijn vreugde (Ps. 4:7-8; Ps. 89:16; Ps. 34:5; Ps. 21:7, Hebr. 10:19-22; Joh. 15:9-12 enz.).

Het geweten vertelt ons of de verhouding met God en met de medemens rein is. Of onze gedachten en daden voortkomen uit onze eigen wil of uit God. Bij een geestelijke groei zie je dat die twee steeds dichter bij elkaar komen. Zo kan de Heilige Geest spreken tot een gelovige, bijvoorbeeld bij Paulus: "Ik spreek de waarheid in Christus, mijn geweten getuigt met de Heilige Geest..........." (Rom.9:1). Een belangrijk geheim van een overwinnend christenleven is een zuiver, rein geweten. In Handelingen 23:1 zegt Paulus tegenover de joodse raad, dat hij met een rein geweten voor God gewandeld heeft (zie ook 2Tim. 1:3). Dit is echter een zaak van oefening, waarin ieder christen zich dient te bekwamen (Hand. 24:16). Uiteindelijk is de lof of kritiek van mensen om ons heen altijd te bezien met een zekere scepsis. Zij zien vaak het hart niet aan. Een christen moet niet in de eerste plaats de getuigenis van anderen of van zichzelf als toetssteen hanteren voor een goed leven, maar het getuigenis van ons levend geweten, waarin God zelf spreekt. Dat is onze enige maatstaf. "Want dit is onze roem, het getuigenis van ons geweten, dat we in heiligheid en reinheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben” (2Kor. 1:12). Hoewel Paulus best een indrukwekkende staat van dienst aangevoerd zou kunnen hebben, is hij er zich terdege van bewust, dat alleen het feit dat er een hemelse Hogepriester is, die zijn zonden reinigt, een basis van leven is. Alle roem is uitgesloten. Naast een eenmalige reiniging door het bad der wedergeboorte (Titus 3:5) tot behoud, is er een voortdurende reiniging nodig van ons geweten, die plaatsvindt, als we de zonden die de Heilige Geest door het geweten ons aangeeft, beleden en gereinigd hebben. Wandelen in heiligheid en genade Gods. Zo kan men ook pas de wil van de Heer verstaan in het leven (Rom. 12:1,2 ).

Een belangrijk aspect wat bij het oefenen van het geweten voor God en mensen (dat hoort bij elkaar) in de Bijbel genoemd wordt, vinden we in 1 Petrus 3:13,17: "Heiligt de Christus in uw harten, als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze, en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad dat men van u spreekt, zij, die u goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden. Want het is beter te leiden, indien de wil van God dit eist, goed doende dan kwaad doende”. Lijden omwille van de Here Jezus Christus is een genade (Kol. 1:24). Dit is geen vorm van ascese of het zelf zoeken van lijden, maar een lijden wat ontstaat na het volgen van Gods stem in ons geweten. Bij een gereinigd geweten leren we steeds beter de stem en wil van God verstaan. Soms kan dit betekenen dat we een andere weg volgen dan omstanders, ja, zelfs broeders en zusters van ons verwachten. Het kan zelfs leiden tot gevangenschap, marteling en dood (Rom. 8:36).

Toch geldt als absolute voorwaarde om in de rust van Christus te blijven: "Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw hart(geweten) niet" (Hebr. 4:7b). Alleen een goed geweten voor God en mensen wekt een goed getuigenis. Laten we ons niet afschrikken (1 Petrus 3:15) door kwaadsprekerij en dreiging van de tegenpartij, ook al proberen mensen dit goede getuigenis te bestrijden. Het zal zeker niet lukken (vers 16b). Een goed gedrag in andere zaken kan een slecht geweten niet beïnvloedenen kwaadsprekerij kan een goed geweten niet verstoren.

 

Geweten oefenen in gevoeligheid naar de medemens

We hebben al benoemd dat het geweten ook geoefend moet worden, niet alleen naar God maar ook in relatie met de medemens. Dat is het oefenen van de juiste, bijbelse empathie die voor het geweten zo belangrijk is. Die relatie van het geweten wordt in de Bijbel uitgelegd door Paulus aan de hand van het offervlees in die dagen. Vele dingen die bijvoorbeeld door ’volwassen’ christenen gedaan worden naar de wil van God, kunnen tot zonde worden als ze klakkeloos gekopieerd worden door ’zuigelingen’. Meer kennis brengt een sterker geweten, en daarmee een grotere vrijheid met zich mee, terwijl een geringere kennis als oorzaak van een ‘zwak geweten’ vaak tot grote inperkingen leidt. Dat wordt ons in de eerste Korinthebrief duidelijk aangegeven, als het gaat om onze houding tegenover het offervlees (1Kor. 8:4). Sommigen duidden de goden als niet bestaand, omdat er maar één God is. Voor hen was het zonder betekenis dat het vlees aan de afgoden geofferd was. Het kon in ieder geval gegeten worden. Maar anderen, die lange tijd in de afgodendienst verstrikt waren geweest, zagen een sterke verbinding tussen het geofferde vlees en de god zelf.

Ze wilden het niet eten, omdat hun geweten zwak was, en daarom werden ze door het eten van afgodenvlees verontreinigd (vers 7). De apostel Paulus maakt de verschillende standpunten duidelijk aan de hand van de stand van kennis van het geweten (vers 7). De eersten hadden meer geestelijk licht en zondigden niet als ze van het offervlees aten. Want hun geweten klaagde hen niet aan. De laatsten hadden deze kennis (innerlijke zekerheid) niet en voelden zich schuldig als ze aten en werden dan ook schuldig. Dit laat zien dat een grotere kennis ons toenemend kan veroordelen, maar het kan ook een veroordeling van ons geweten tegengaan! We moeten daarom God blijven bidden om kennis, omdat we anders verengd blijven in ons geweten, maar die kennis moet tegelijkertijd in nederigheid blijven, anders worden we net als de Korintiërs weer vleselijk.

Zolang onze kennis ontoereikend is en het geweten ons aanklaagt, moeten we deze stem tot iedere prijs gehoorzamen. Het helpt niet om erover te filosoferen dat een bepaalde zaak geen zonde is. Dat geeft ons nog niet het recht en de vrijheid om tegen ons geweten te handelen. Let wel, ons geweten is een acute maatstaf voor de leiding van God in ons. We kunnen daaraan gehoorzamen of zondigen. Wat door het geweten veroordeeld wordt, wordt ook door God veroordeeld.

Tot nu toe hebben we alleen nog maar gesproken over uiterlijke dingen zoals voedsel. Wanneer het echter gaat om geestelijke dingen, kan ons kennisniveau net zulke verschillen te zien geven. God handelt met ons naar onze ’geestelijke leeftijd’. Bij jonge gelovigen gaat het vaak om uiterlijke dingen: kleding, voedsel. Als jonge christenen de Heer willen volgen, dan verlangt Hij vaak van ze dat ze de uiterlijke dingen ordenen in gehoorzaamheid. Als er daarna meer ervaringen met de Heer zijn, dan lijkt het alsof onze vrijheden meer worden. Maar juist de ‘verder op weg’ christenen staan voor een groot gevaar. Hun geweten is zo sterk dat het in ‘ongevoeligheid’ dreigt weg te zinken. Jonge gelovigen die de Heer van harte willen dienen, gehoorzamen in vele dingen, omdat hun geweten gevoelig en gemakkelijk te leiden is door de Heilige Geest. Oudere gelovigen hebben vaak zoveel kennis dat ze het gevaar lopen met hun verstand zaken te overschatten en daarmee de gevoeligheid van hun geweten verminderen.

Ze komen in de verleiding om alleen met hun verstand tot keuzes te komen. Zo worden ze ongevoelig voor de Heilige Geest. Dit is een harde klap voor hun geloofsleven. Het neemt vaak de frisheid uit de wandel van een gelovige en veroorzaakt afstand en verlamt geestelijke opname. Hoewel kennis dus zeer nodig is, zullen we deze op zich niet alleen moeten volgen. Als we niet opletten wat ons geweten intuïtief veroordeelt, en daarvoor in de plaats onze kennis zetten, wandelen we in het vlees. Wie heeft niet ook ervaren dat ons geweten onrustig werd van iets dat onze kennis als legitiem beschouwde? Kennis wordt door het speuren van ons verstand verkregen, maar wat niet altijd geleid wordt door Gods Geest. Zo kan het gebeuren dat kennis en geweten met elkaar in strijd komen. Laat ieder die geestelijk wil wandelen, zich oefenen in een rein geweten voor God en voor mensen, opdat er volle vrijmoedigheid is om in te gaan in het binnenste heiligdom, door het bloed van Jezus.

 

Tot slot

Als we alle gezichtspunten over de ontwikkeling en het functioneren van het geweten op een rijtje zetten, blijken veel sociologische, psychologische en neurofysiologische factoren de bijbelse visie op het geweten te ondersteunen. Belangrijke aspecten als identiteitsvorming, impulsbeheersing, socialisatie, zelfbeheersing, groepsidentiteit, verwerken van ervaringen van kennis en cultuur, ontwikkelen van empathie, synchronisatie en hersenonderzoek en natuurlijk niet in de laatste plaats geestelijk leven passen naadloos in een bijbelse analyse over het geweten. Natuurlijk is de bijbelse visie maatgevend en niet het wetenschappelijk onderzoek. Het geweten in de Bijbel wordt getekend vanuit een geestelijke dimensie waarin de mens verbonden is met God. Die verbondenheid uit zich in de geweldige schepping die de mens is naar geest, ziel en lichaam. God is de schepper van ons lichaam, onze geest en onze hersenen! Hij krijgt alle eer: “Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus” (1Thess. 5:23).

 

© Gerard Feller, augustus 2015

 

Geraadpleegde literatuur

Gerard Feller: Het geweten, artikel in blad Promise 1999, zie: http://www.stichtingpromise.nl/bijbelstudies-bemoedigend/het-geweten.htm

Watchman Nee: The Spiritual man, isbn 90-5719-049-4 Uitgever: Importantia Publishing. www.importantia.com Nederlandse uitgave 2002

Dr. Jim Wilder: Met vreugde man zijn, groeien naar volwassenheid. Uitgeverij Archippus, 448 p., genaaid gebrocheerd. ISBN: 9789079011018, € 24,95. www.archippus.nl met daarin het artikel over emotionele synchronisatie wat ook te lezen is op de website van Promise (artikelen Jim Wilder)

https://nl.wikipedia.org/wiki/geweten

Bram Bakker (psychiater):: Gewetenloze opvoeding. Artikel in het AD van 20 maart 2010

Dr..H. Dubbeldam: Bewustzijn en visie op de werkelijkheid.http://www.ecclesianet.nl/?page=16485230

Dr. Adrian Raine: The Anatomy of violence https://crim.sas.upenn.edu/people/faculty/adrian-raine

Jan Kerkhofs (emeritus prof. te Leuven): Het geweten. Lannoo nv Tielt België. isbn 9789020947632


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Pastoraat