Psychotherapie contra pastoraat deel 2

PSYCHOTHERAPIE CONTRA PASTORAAT (DEEL 2)

In deze artikelen willen we enkele tegenstellingen tussen psychotherapie en bijbels pastoraat aangeven, met name hun verschillen in oorsprong, methode en doelstelling. In het vorige nummer zijn de verschillen aangetoond in de antropologische achtergronden (verschillen in mensbeelden). In dit tweede gedeelte gaat het over de verschillen in hun methodiek, met de daaruit voortvloeiende ethische consequenties. Duidelijk zal worden dat beide disciplines niet te verenigen zijn.

De werkwijze van de psychotherapie

Binnen de psychologie zijn er drie richtingen, die een therapeutisch concept hebben ontwikkeld, te weten; de psycho-analyse, het behaviorisme en de humanistische psychologie. We zullen hun behandelwijze achtereenvolgens onder de loep genomen. De Psycho-analyse. Een uitgangspunt van de psychoanalyse is dat onaangenaam en bedreigende informatie door de censuur van het "Ik" wordt verwezen (verdrongen) naar het onbewuste, waar het echter actief blijft en waar het in veranderde vorm, namelijk als symptoom, later weer tevoorschijn komt. Dientengevolge moet het een streven van de therapie zijn, alle verdrongen zaken weer binnen het bewustzijn te brengen. Dit is te bereiken, wanneer de patiÎnt zoveel mogelijk ontspannen op een bank ligt, het kritisch denken uitschakelt, en zo mogelijk alles verwoordt, wat hem te binnen schiet (vrije associatie).

Een andere mogelijkheid, iets uit het onbewuste op te diepen, is door middel van dromen, die door Freud de "koningsweg tot het onbewuste" worden genoemd. Omdat tijdens de slaap de censuur van het "Ik" is uitgeschakeld, kunnen zich tijdens de droom verdrongen driften of belevenissen uiten, die voorheen de toegang tot het bewustzijn geblokkeerd werden door het "Ik". Door datgene te interpreteren, wat de patiÎnt over zijn dromen vertelt of ook verzwijgt, kan de therapeut informatie verkrijgen over verdrongen zaken, maar ook over de verdringende krachten. Deze krachten worden nog versterkt, wanneer de interpretatie aan de patiÎnt wordt meegedeeld, vooral als dit gebeurd op een moment, waarop de patiÎnt daar zelf nog geen zicht op heeft. Daardoor wordt er een weerstand opgebouwd tegen de interpretatie en tenslotte ook tegen het fenomeen van de overdracht.

Met deze weerstanden worden sterke emoties bedoeld, zoals vijandigheden, maar ook devote onderwerping, verliefdheid ja zelfs een homo-erotische natuur is mogelijk. De overdracht wordt uitgelegd als een herbeleving van de affectie, die de patiënt als klein kind tegenover de ouders heeft ervaren. Ook deze overdrachtgevoelens worden door de therapeut geïnterpreteerd, doordat hij bewust probeert te maken, waar de werkelijke oorsprong van de emoties te vinden is. Wat is hierbij de therapeutische werking? De theoretische basis voor deze methode is dat, door de interpretatie van de belevenissen, droomberichten, weerstanden en overdrachten, die in vrije associatie geuit zijn, de patiënt de kans gegeven wordt, die ziekmakende ervaringen in het bewustzijn te brengen, die zich misschien al tientallen jaren in het onbewuste bevinden. Deze moeten nogmaals doorleefd worden om ze zo te verwerken, dat ze voortaan geen onheil meer kunnen veroorzaken.

Natuurlijk geschiedt de interpretatie en eigenlijk al de selectie van de verschillende zaken op basis van de psychoanalytische theorie. Voor de gezond denkende mens klinken deze interpretaties nogal zonderling in de oren, en zijn ze ver gezocht.

Toetsing

Daar nog bij komt dat vrijwel alles wordt gereduceerd tot de factor 'seksualiteit'. Veel van wat analytikers weerstanden noemen, is niets anders dan een gezonde afwijzing van van de realiteit vervreemde vooronderstellingen. Het is echter zo dat de psycho-analytiker met zijn vooringenomen interpretatie altijd gelijk heeft. Datgene wat men achteraf kan interpreteren wordt als bevestiging geboekt voor de eigen geloofsleer. Of zoals een Duits spreekwoord zegt: men vindt altijd de paaseieren, die men zelf eerst heeft verstopt. De bevindelijke klaarblijkelijkheid van deze analytische leer is zeer gebrekkig. Vooral Freuds fasenmodel van de psycho-sexuele ontwikkeling van het kind heeft men kunnen weerleggen aan de hand van langdurige studies. Alle uit dit model afgeleide interpretaties bevinden zich zodoende op het dwaalspoor van een mislukte neuroseleer.

Ook is het tot op heden niet gelukt een overtuigend bewijs te leveren voor de werkzaamheid van de therapie. De psycho-analytikers hebben nooit de behoefte gehad hun theoretische achtergronden aan de praktijk te toetsen. Waar de effectiviteit echter wel is onderzocht - meestal bij gedragspsychologen - pakte dit voor de psycho-analytikers steeds uiterst negatief uit. Reeds in 1952 is een rapport uitgegeven door de Britse psycholoog Hans Jurgen Eysench, waarin wordt gesproken over een volledige in-effectiviteit (ondoeltreffendheid), zelfs is er sprake van een gedeeltelijk nadelige uitwerking, hetgeen bevestigd is in latere onderzoeken. Het aantal gevallen waarin verbetering optreedt middels de psychoanalytische behandeling staat in gelijke verhouding tot gevallen waarbij van behandeling helemaal geen sprake is geweest. Bij 40 % van de neurotische patiÎnten is in de loop van twee jaar ook zonder therapie een spontane verbetering te zien.

De psycholoog J.C. Brengelmann van het Max Planck Instituut voor psychiatrie in M¸nchen zegt daarom met recht: "De totale psychoanalytische theorie zou experimenteel getest moeten worden, voordat men zou instemmen met de toepassing. Dat is tenminste de voorwaarde die door de wetenschap aan elke vorm van therapie wordt gesteld, en aan deze eis zal men zich niet langer meer kunnen onttrekken."

Behaviorisme

Vanuit de behavioristische psychologie werd de zgn. gedragstherapie ontwikkeld. Het gaat hier om een verzamelnaam voor een veelvoud aan therapeutische technieken. Zo is er de 'systematische desensibilisering' gebruikt voor het afbouwen van angsten en fobieÎn; de 'gedragsvorming door toenemende conditionering'; de 'implosions therapie'; 'sociale-trainings-vormen'; 'aversie therapieën'; 'biofeedback'; en in de laatste tijd vooral cognitieve (verstandelijke) methodes. (zoals zelfuitdrukkingsmethodes, mentale training, e.d.)

Het is duidelijk dat het binnen dit kader niet mogelijk is in te gaan op alle verschillende genoemde methoden. Een gemeenschappelijk kenmerk in alle gedragstherapeutische technieken is, dat symptomen gezien worden als ongecontroleerde reacties, als resultaat van verkeerd aangeleerde gewoontes.

De persoonlijke levensgeschiedenis wordt over het algemeen als niet ter zake doende beschouwd, omdat alleen de op dit moment aanwezige of ontbrekende gewoontes van belang zijn. Door middel van doelgerichte leerervaringen moeten zulke gewoontes aan- of afgeleerd worden.

Hans Jurgen Eysench schrijft: "Deze theorie om iets aan te leren sluit onbewuste oorzaken uit, maar beschouwd neurotische symptomen als aangeleerde gewoontes. Er zouden geen neuroses zijn, die ten grondslag liggen aan bepaalde symptomen, maar men heeft alleen met het symptoom te maken. Men rekent af met het symptoom, en daarmee is de neurose ook verdwenen."

Het is begrijpelijk dat er in een dergelijke zienswijze moeilijk een plaats te geven is aan zaken als schuld en verantwoordelijkheid. Foutief gedrag is immers niets anders als het gevolg van een ongunstig verlopen leerproces. Hier dringt de vraag zich op of een uiterlijk aangepast en getraind gedrag ook te classificeren is als ethisch waardevol.

Overigens is de gedragstherapie ethisch niet zo waardevrij, als men in eerste instantie zou denken. Nemen we b.v. de implosionstherapie of overvloeiingtherapie. Deze gaat van het principe uit dat angst haar dreiging verliest, wanneer men lang en vaak genoeg daarmee geconfronteerd wordt en opnieuw doorleeft. De patiënt wordt herhaaldelijk opgedragen angstveroorzakende situaties voor te stellen. Door de therapeut worden deze zeer gedetailleerd beschreven en plastisch voorgesteld.

Als voorbeeld dient de beschrijving van zulk een therapie van de grondlegger Thomas G. Stampfl: "Ik gaf Leonard de opdracht zich voor te stellen, dat hij als kind op de ronde opening van de w.c.-bril moest zitten. De ouders zouden er naast staan en alles, wat hij verkeerd doet bestraffen. 'Stelt je eens voor, dat je door de zitting zakt en met een plons terecht komt in de dikke bruine brei onder je.' Leonard moest zich verder inbeelden, dat hij met armen en benen lag te roeien in deze stinkende duisternis van uitwerpselen en telkens weer werd getroffen door nieuwe uitwerpselen van mensen, die gebruik maakten van de latrine ...."

Men kan hier al ernstige bedenkingen over de therapeutische handelwijze hebben, maar nog meer in het volgende voorbeeld van therapeutische aanpak.

Psychotisch patiënt Arnold moet zich voorstellen, dat hij met een dubbelloopsgeweer op vogels schiet.Daarna moet hij zich inbeelden dat hij gevangen genomen en vernederd wordt door duivelse spinnen (de spin is een symbool voor de moeder); vervolgens rukt hij zich los, om uiteindelijk hen allemaal te doden. "Bij daaropvolgende sessies liet ik personen uit het leven van Arnold opdraven, zijn moeder, zijn familie, zijn jeugdvrienden, die hem destijds bespottelijk gemaakt hebben. Arnold moest ze allemaal uitschelden en in zijn verbeelding psychische aanvallen uitvoeren. Hij moest voor hen een bloederig levenseinde bedenken. Deze oefeningen heb ik ook als huiswerk opgedragen."

Wij zijn van mening dat elk commentaar overbodig is. Jezus Christus zegt hierover: "Een ieder, die in toorn leeft met zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht" en "een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd." (Matth.5:22+28) Ook in onze gedachten en voorstellingen kunnen we ons schuldig maken.

We moeten hier echter toegeven, dat de gedragstherapeutische technieken zijn onderworpen aan een strenge proefondervindelijke controle, waarbij, in een groot aantal van deze onderzoeken op effectiviteit, de werkzaamheid van de meeste technieken kon worden aangetoond; bij de een meer als bij de ander. 'Werkzaamheid' heeft hier natuurlijk betrekking op de doelstelling van de therapie die, vergeleken bij de humanistische methode, heel bescheiden is.

Humanistische psychologie

Het is bijzonder moeilijk iets te schrijven over de behandelwijze van de therapieën, die zich scharen onder het dak van de humanistische psychologie. Deze in ÈÈn boek samen te krijgen is zelfs maar beperkt mogelijk, omdat het hier gaat om een bonte verzameling aan therapievormen en pseudo-therapieen. Het meest erkend en waar ervaringen mee zijn opgedaan, lijkt ons de 'cliëntbetrokkene gespreks-psycho-therapie', die we hier als voorbeeld van humanistische therapie willen behandelen.

Bij deze gesprekspsychotherapie, waar de Amerikaanse psycholoog Carl R. Rogers de basis voor legde, staat de cliënt in het middelpunt van de psychologische behandeling. Door middel van bepaalde gesprekstechnieken probeert de therapeut de eigen activiteit en het initiatief van de patiënt te stimuleren, welke moeten bijdragen tot de oplossing van het eigen probleem. Daarbij wordt de patiënt volledig als zelfstandige persoon geaccepteerd en een zo gering mogelijke afhankelijkheid van de therapeut beoogt (dus geen divan, geen expert-imago van de therapeut door interpretatie en uitleg van dromen of associaties).

De nadruk bij deze behandeling is gelegen in het feit dat de cliënt duidelijkheid verschaft moet worden over zijn huidige gevoelstoestand. De toespitsing van het gesprek op de gevoelens van de cliënt bewerkt bij deze de bereidheid en bekwaamheid zichzelf te onderzoeken (doorgronden van eigen gevoelsleven), wat gezien wordt als wezenlijke voorwaarde voor het slagen van de therapie. De therapeut moet vooral letten op het verwezenlijken van drie voorwaarden:

  1. positief waardeoordeel en emotionele warmte
  2. verwoorden van emotionele ervaringen; d.w.z. dat de therapeut inhaakt op uitlatingen op persoonlijk-emotioneel vlak en verwoordt deze, zoals hij ze heeft begrepen.
  3. de indruk geven van echtheid; door het beter leren kennen van eigen gevoelens moet er voor de cliënt een weg duidelijk worden, hoe hij zelf met zijn eigen probleem klaar kan komen.
Achter deze vorm van therapie staat de humanistische overtuiging; 'de mens is van nature goed'. In tegenstelling tot Freud is dit kenmerkend voor het zeer optimistische mensbeeld van Rogers. De mens wordt niet gedreven door zelfzuchtige motieven, maar door een aangeboren drang tot zelfverwerkelijking of het streven zijn aangeboren (inherente) mogelijkheden te actualiseren (self-aktualisation-tendency). De mens wordt met een 'blauwdruk' geboren, d.w.z. met een innerlijke schets of schema, waar niets in aanwezig is, wat een conflict met de omgeving zou kunnen veroorzaken. Een neurotische ontwikkeling ontstaat, wanneer een mens niet voldoende 'positieve waardering' ontvangt, omdat zijn omgeving blokkades opwerpt, die de verwerkelijking van zijn mogelijkheden belemmeren.

Vanuit deze persoonlijkheidstheorie is het begrijpelijk dat van de therapeut wordt geÎist af te zien van elke directieve benadering (adviezen, opdrachten, e.d.) in de therapie, gezien het feit dat ieder individu de beste oplossing voor zijn problemen kan vinden in zich zelf. Ook ligt hierin de verklaring dat er veel waarde gehecht wordt aan het overdragen van een positief waardeoordeel en een zoveel mogelijk ontspannen en vertrouwelijke atmosfeer.

Gesprekspsychotherapie heeft dus alleen zin, wanneer rekening wordt gehouden met haar antropologische uitgangspunten en doelstellingen. De bewering van M. Dieterich, dat de ideologische achtergrond van psychotherapeutische technieken van geen betekenis zou zijn en verwaarloosd kan worden, kunnen wij daarom niet onderschrijven.

Terwijl deze ideologische invloed bij de gesprekspsychotherapie nog binnen een ethisch te verantwoorden kader blijft, gaat deze invloed bij andere humanistische methodes duidelijk een stuk verder. B.v. bij de Oerschreeuwtherapie (primair therapie) van Janor, de Bio-energetica (Keleman: 'We hebben geen lichaam, we zijn lichaam.'), bij de diverse sensitivity- en marathongroepen, of bij al de nieuwere, bijna exotisch aandoende groepentherapieën. Ook de hernieuwde opkomst van hypnose en astrologie is hier te noemen. Met de proefondervindelijke fundering is het bij de meeste humanistische therapieÎn (behalve gesprekspsychotherapie) nog slechter gesteld dan bij de psycho-analyse.

Toetsing

Wat betreft de drie voorwaarden, waar de therapeut op moet letten bij de gesprekspsychotherapie, willen we nog iets noemen, waar Christenen zich aan zouden moeten storen. Door het verwoorden van emotionele ervaringen wordt de cliënt (via toenemende conditionering) meer en meer gemanipuleerd, zodat hij, bijna zonder het zelf te merken, alleen nog maar spreekt over zijn gevoelens. Deze sterke nadruk op het gevoel heeft hier een negatieve uitwerking, omdat daarbij de ratio te kort komt. Er wordt een verkeerde voorstelling aan de cliënt gegeven, als zou men eerst een goed gevoel moeten hebben, alvorens men ook juist kan handelen.

Door eenzijdig benadrukken van het gevoelsaspect wordt bovendien de cliënt door de therapeut niet "holistisch" benaderd (niet in zijn totaliteit) en dus uiteindelijk ook niet serieus genomen. Vragen van de cliënt of ook een verstandelijk verzoek om advies, worden door de therapeut afgehouden, omdat hij ze principieel beantwoordt met tegenvragen betreffende het uiten van de gevoelens van zijn cliënt. Deze zal zich op den duur in zijn persoonlijkheid niet geaccepteerd kunnen voelen. De vereiste van een positief waardeoordeel blijft hierdoor onvervuld.

Waardering en warmte zijn niet zonder meer aan te leren of 'maakbaar'. Dat geldt eveneens voor 'echtheid'. De handelwijze, die men van de therapeut verwacht, is juist heel paradoxaal, wanneer echtheid een ingrediënt wordt, wat de therapeut door zijn gedrag moet overbrengen. Echtheid heeft te maken met het karakter en het wezen van de mens, namelijk met de mate van oprechtheid en openheid. Wordt echtheid geoefend, dan verwordt ze tot een facade en dus tot onechtheid.

Dat de therapeut doorgaans volledige acceptatie tot uitdrukking moet brengen, kan een voor Christenen ongewenst neveneffect hebben. Voor de cliënt wordt daarmee wel de toegang tot afgewezen delen van zijn eigen-ik gemakkelijker gemaakt. Maar omdat er geen correctie volgt, maar hij zich juist daarin geaccepteerd voelt, neemt hij er genoegen mee. Hij ervaart acceptatie als een absolute norm en blijft daardoor gevangen in het negatieve, in de zonde.

In de Bijbel lezen we echter dat liefde en waarheid onafscheidelijk aan elkaar verbonden zijn. De zielzorger moet daarom duidelijk onderscheid maken tussen de persoon en zijn gedrag. Acceptatie moet betrekking hebben op de persoon, terwijl hij zondig gedrag bij de naam moet noemen. Voor een christen zou het vanzelfsprekend moeten zijn, dat hij de ander in echtheid en ongeveinsde liefde tegemoet treedt (1.Petr.1:22). Daarbij moet hij de ander in zijn persoon serieus nemen en in nederigheid de ander hoger achten dan zichzelf. (Fil.2:3)

DE WERKWIJZE VAN BIJBELS PASTORAAT

De werkwijze van het bijbels pastoraat is niet zo heel gemakkelijk weer te geven, zoals dat wel het geval is net de verschillende psychotherapeutische richtingen, omdat er geen vast omlijnde methode is; tenminste niet in de Bijbel. Toch geeft de Bijbel een overvloed aan informatie over een bijbelse aanpak in de zielzorg. Het gevaar, waar we voor moeten waken, is dat we uit deze informatie een methode construeren om daarmee beter grip te krijgen op het pastoraat en er een leerstuk van maken.

Allereerst vinden we in de Bijbel verschillende basisprincipes voor pastoraal handelen, die telkens weer terug komen en waar, op basis van een daarin opgesloten logica, een bepaalde volgorde is te herkennen. Ook Bijbelse raadgeving begint met een diagnostische fase. We moeten informeren door welke nood gedreven de hulpzoekende advies vraagt (het gepresenteerde probleem).

Door goed te luisteren, vragen te stellen en te observeren moeten we informatie verzamelen en uit zien te vinden wat het eigenlijke probleem is; wat geleid heeft tot het ontstaan van dit probleem; waardoor het probleem is blijven bestaan; en hoe de hulpzoekende tot dusverre met het probleem is omgegaan. Op basis van een Bijbels mensbeeld, bijbelse en eventueel ook wetenschappelijke psychologie, met behulp van eigen pastorale en persoonlijke ervaring zal de hulpverlener deze informatie selecteren en trachten te begrijpen.

Het verkrijgen van informatie zal gewoonlijk hand in hand gaan met het begrijpen daarvan. Wel moet deze diagnostische fase heel zorgvuldig worden uitgevoerd, als ook de verdere consultatie effectief moet zijn.

Als de hulpverlener inzicht heeft verkregen in de aard van het probleem, dan zal hij dit daarna aan de hulpzoekende overbrengen. Hij zal hem dus vermanen. Als de hulpzoekende geconfronteerd wordt met zijn problematiek in het licht van de Bijbel, zal de Heilige Geest hem van schuld overtuigen; en hem zijn verkeerde gedrag aantonen. Als volgt moet dan de hulpzoekende door terechtwijzing (te-recht-wijzing) gewezen worden op het juiste gedrag.

Soms zal het ook nodig zijn, hem te waarschuwen met het oog op zijn leven in de nabije toekomst; d.w.z. te wijzen op de gevolgen indien volhardt wordt in een verkeerde en zondige levenswandel. Al deze aspecten worden samengevat met het begrip 'vermanen'. De drijfveer voor alle vermaning moet altijd de liefde zijn.

Als daarop volgend de hulpzoekende zijn schuld toegeeft en belijdt, mag hij de vergeving in ontvangst nemen en de hulpverlener zal hem oprichten. Het is namelijk goed mogelijk, dat de hulpzoekende, door dat te erkennen wat er in zijn leven verkeerd is gegaan, erg terneergeslagen is, en ertoe neigt, zichzelf te veroordelen of de moed op te geven. Naast het troosten kan het ook belangrijk zijn nieuwe hoop te geven.

Voordat de begeleiding nu wordt afgebroken, moeten aan de hulpzoekende concrete gedragsregels worden meegegeven. Hij moet adviezen krijgen voor zijn levensweg. Vaak zijn er nog veel dingen, die in orde gebracht moeten worden: rechtzetten van sociale verhoudingen, correcties in het persoonlijk leven, materiÎle zaken regelen, enz.

Christelijke volwassenheid en heiliging

In dit artikel kan niet nader ingegaan worden op alle richtlijnen voor een Bijbelse hulpverlening. Belangrijk is dat de hulpzoekende concrete hulp en richting wordt gegeven, zodat hij in het alledaagse leven zelf in staat is, het belangrijkste van het hele pastorale proces uit te voeren; n.l. het Bijbelse afleggen van schadelijke gewoontes en vleselijke karakterzonden, als ook het aandoen van goddelijke gewoontes en een geestelijke levenswandel.

Daarbij is het heel belangrijk, dat we de hulpzoekende niet alleen maar confronteren met de eis van gehoorzaamheid, maar ook een weg laten zien, hoe hij vreugde en kracht kan krijgen om in gehoorzaamheid te wandelen. Het moet niet zo zijn dat hij denkt onder druk, een wet te moeten naleven. We kunnen ons zelf en anderen bewaren voor zulk een ontspoord pastoraat, doordat aan ons handelen een Bijbelse heiligingsleer ten grondslag ligt. Daar moet ons leven ook op gericht zijn.

Het zal nooit tot een vreugdevolle gehoorzaamheid komen, als men niet weet van het gekruisigd-zijn met Christus en de noodzaak het eigen-ik te doden. Anders zullen menige bindingen aan de zonde blijven bestaan.

Als voorbeeld dient een Christen die, als gevolg van een chronisch lijden, waar hij nooit in kan berusten, depressief is geworden. In dit geval is het niet voldoende van hem te verwachten de zonde, n.l. het twisten met God, af te leggen. Het is veeleer nodig, dat hij het recht op gezondheid, dat hij onuitgesproken toch opeist, bereid is, prijs te geven. Alleen dan zal hij zijn ziekte kunnen aanvaarden en de strijd tegen God kunnen opgeven.

Pastoraat is een veelzijdig proces, waarbij we ons niet kunnen vastpinnen op een vastgelegde methode, maar uiteindelijk zijn we altijd aangewezen op de leiding en werking van de Geest van God. Het meedelen van Bijbelse waarheden, die een weg tot bevrijding bewerken, is niet alleen een kwestie van uitgebalanceerde didactiek. Als deze waarheden bij de hulpzoekende tot echt geestelijk inzicht moeten worden en een verandering moeten bewerken in de richting van onze doelstelling (n.l. heiliging), dan moet ons getuigenis gepaard gaan met de openbaringskracht van God.

Juist op dit punt is er een duidelijk verschil met iedere psychotherapeutische methode. Terecht kan men bij de psychotherapie een wetenschappelijk bewijs verlangt worden, waar uit blijkt dat resultaat is geboekt op grond van methode-gebonden specifieke factoren. Dit eveneens van Bijbels pastoraat te verwachten is zinloos. Hier zijn immers wetenschappelijk niet-relevante werkingen in het spel. Zou dat niet het geval zijn, dan ging het in het beste geval om een methode met Bijbelse garnering en geenszins om Bijbels pastoraat.

Uit: "Psychotherapie-der fatale Irrtum"
van T.Schirrmacher-theoloog en R. Antholzer-psycholoog.
Schwengeler Verlag, Berneck, Zwitserland 1993

Vertaald door Marco Blankenburgh.
oktober 1996


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Pastoraat en/contra psychologie