Psychotherapie contra pastoraat deel 1

PSYCHOTHERAPIE CONTRA PASTORAAT DEEL 1

De grote kloof

In deze artikelen willen we de tegenstellingen tussen de psychotherapie en het bijbels pastoraat aangegeven, en met name hun oorsprong, methode en doelstelling verder belichten. Zowel de psychotherapie als ook het pastoraat hebben een antropologische achtergrond, die de behandelwijze sterk beÔnvloed. Daarom willen we het mensbeeld, wat aan beide vormen van hulpverlening ten grondslag ligt, nader bestuderen.

Ook de verschillen in de methode, met de daarin opgesloten ethische consequenties, zullen we bespreken. Tenslotte richten we onze aandacht op de doelstelling van zowel psychotherapie als pastoraat, want ook dit heeft een niet geringe invloed op de behandelwijze. Een bepaalde methode wordt als zinvol aangemerkt, indien zij in staat is het gewenste doel dichterbij te brengen. Vandaar zou het naÔef zijn een methode te willen beoordelen, zonder rekening te houden met haar antropologische en filosofische vooronderstellingen en doelstellingen. Door hier de psychotherapie en het pastoraat tegenover elkaar te stellen, met hun 'oorsprong', 'methode' en 'doel', zal duidelijk worden door welk een diepe kloof zij van elkaar gescheiden zijn.

Onverenigbaar in de antropologie

De drie grote richtingen binnen de psychologie, die elk een therapeutisch concept ontwikkeld hebben, zijn de 'psycho-analyse', het 'behaviorisme' en de 'humanistische psychologie'. Hun antropologische vooronderstellingen zijn niet altijd duidelijk geformuleerd, maar kunnen afgelezen en geconcludeerd worden uit de theorie en praktijk. We willen hier alleen kort ingaan op de wezenlijkste gemeenschappelijke kenmerken. Dat zijn een materialistische wereldbeschouwing; een in meer of mindere mate vormgegeven determinisme (noodwendigheidsleer); een darwinistische voorstelling over de herkomst van de mens; alsook een hedonistische (hedon = genot) basis voor de zingeving en doel van het menselijk bestaan.

Psycho-analyse

De psycho-analyse, zoals ook de beide andere psychologische richtingen, is gebaseerd op een materialistisch mensbeeld. Dat betekent dat de mens gezien wordt als een louter stoffelijk en immanent (innerlijk) wezen. Alle drie concepten hebben weliswaar het physikalische (natuurkundig) materialisme overwonnen, toch vertegenwoordigen zij een biologisch-, fysiologisch-, respectievelijk psychologisch materialisme, waarbij ze de ziel van de mens als materie betitelen, die per definitie te verklaren moet zijn d.m.v. natuurkundige, chemische reacties. Er wordt totaal geen rekening gehouden met de geest van de mens, in ieder geval niet als een onafhankelijk van het lichaam bestaande werkelijkheid.

Een duidelijk voorbeeld van de positivistische (het met de zintuigen waarneembare) aanbidding van het verstand en de wetenschap is deze voorstelling van Freud, dat het zieleleven door biologisch oorzakelijk verband en met behulp van exact wetenschappelijk onderzoek volledig verklaarbaar zou zijn. Een citaat van Freud uit 'Jenseits des Lustprincips': "De gebrekkigheid, waarmee we het zieleleven kunnen beschrijven, zou waarschijnlijk verleden tijd zijn, wanneer we in plaats van de psychologische termen gebruik konden maken van fysiologische- of chemische benamingen."

De psyche van de mens wordt door Freud omschreven als een apparaat, dat werkt volgens energetische principes, opgebouwd uit 'Es', 'Ich' en 'Uber-ich' en gevoed door libidineuse (seksuele driften) energie en functioneert volgens zeer mechanisch aandoende wetmatigheden. Het besturingsapparaat bevindt zich dan ook niet in de wil van de mens, maar in het zogenaamde 'Lust-Unlust-Prinzip'.

Naast een biologisch determinisme, wat Freud ten volle aanhangt, is hij ook voorstander van een psychologie, met lustbevrediging als motivatie. De drijfveer van de mens is uiteindelijk lust te zoeken en last te vermijden. Volgens Freud is de mens met zichzelf en de wereld in een strijd verwikkeld en wordt geplaagd door angsten en onbewuste verlangens. Hij wordt eerder gedreven tot een bepaald gedrag door een aangeboren instinct, dan door invloeden vanuit zijn omgeving.

Freud was een groot aanbidder van Charles Darwin, en diens werk heeft een sterke invloed gehad op de ontwikkeling van zijn eigen theorieën. De evolutieleer van Darwin bood hem de mogelijkheid een wereldbeeld te creëren, waarin geen plaats was voor de realiteit van God (als een persoonlijk wezen), voor b.v. de eeuwigheid, de Geest, e.d. Dit geeft hij toe in een autobiografie van 1925, waarin hij zegt: "De destijds actuele leer van Darwin heeft een grote aantrekkingskracht op mij gehad, omdat zij een groeiend inzicht beloofde in het kennen van onze leefwereld."

Een bestemming voor de mens in het hiernamaals was er volgens Freud niet. Het wezen van de mens verklaart zich afdoende door zijn aangeboren streven naar een optimale bevrediging der driften (Lustprinzip) en het minimaliseren van angsten (Realitaitsprinzip). Daarbij bevindt de mens zich voortdurend in conflict tussen de egoïstische aanspraken van het 'Es' en de verwachtingen van het 'Uber-ich'.

Behaviorisme

Ook het mensbeeld, dat bij het behaviorisme wordt gehanteerd, is gestoeld op het biologisch materialisme. De voorstelling, dat het transcendente, het onzienlijke, deel zou hebben aan psychische processen, wordt afgedaan als pure speculatie. De begrippen 'geest' en 'ziel' zijn überhaupt geen gespreksthema. Vanwege het feit dat het zieleleven noch zichtbaar, noch meetbaar is, maar alleen het gedrag van de mens (waarbij ook innerlijke fysiologische processen als gedrag worden gezien), doet men alleen maar uitspraken over prikkel-en-reactie verhoudingen (Stimulus-Response-schema=S.R.).

Het orthodoxe S.R.model is weliswaar reeds lang vervangen door het S.O.R., de Organisme variant. Men geeft dus toe, dat het zinvol en wetenschappelijk verantwoord is, te vragen wat zich afspeelt tussen de prikkel en de reactie. Ook bij deze tussen-beide-komende variabelen gaat het de behavioristen echter nog steeds om niet-meetbare fysiologische reacties, omdat deze zich voornamelijk in de hersenstructuren voltrekken. De cognitieve (verstandelijke) en affectieve (gevoelsmatige) ervaring van het individu is alleen daarom interessant, omdat zij gezien wordt als een verschijningsvorm van het uiterlijk gedrag, en als zodanig aan een analyse wordt onderworpen.

Net zoals de psycho-analyse gaat ook het behaviorisme uit van het determinisme, hetgeen gestalte krijgt middels een samenspel van erfelijke structuren en factoren uit de omgeving. Het gedrag van de mens wordt uitsluitend verklaart als een mechanisme van klassieke en operante conditionering. Het gedrag, waarvan de gevolgen aangenaam zijn en die leiden tot bevrediging van de lusten of waardoor onaangename gevolgen kunnen worden verhinderd, wordt aangemoedigd. Wanneer echter succes uitblijft of zelfs onaangename gevolgen optreden, wordt gedrag gecorrigeerd.

Het 'besturingsapparaat' is ook hier het hedonistische 'lust-unlust-prinzip'. Overigens is in dit model heel moeilijk aan te geven, waar de keuzevrijheid van de mens een plaats zou kunnen hebben.

In het behaviorisme wordt niets gezegd over de natuur van de mens; in zekere zin is zij neutraal. Ook het geweten wordt afgedaan als een voorgeprogrammeerde reflex. Er bestaat geen goed of slecht gedrag; enkel aangepast of ongepast gedrag. Indien echter de mens niet meer is als een aantal voorbewerkte programma's, dan is de mens in principe door de mens te scheppen, zij het binnen het kader van zijn elementaire eigenschappen. Hiervan uit gaande beschreef B.F.Skinner, ÈÈn van de beroemdste vertegenwoordigers van deze richting, in zijn boeken 'Walden Two' (1948) en 'Jenseits van Freiheit und WÐrde' (1973) het programma voor een maatschappij, die door een totale psychologische controle omgeven is.

De grondlegger van het behaviorisme, J.B. Watson, sprak reeds de overtuiging uit, dat hij ten allen tijde uit gezonde kleinkinderen, zonder rekening te houden met hun aanleg of voorkeur, onder invloed van de juist gekozen omstandigheden, volledig naar eigen wens hen zou kunnen vormen tot artsen, advocaten, kunstenaars, kooplieden, of ook landlopers en dieven. Zijn hedendaagse volgelingen zouden zich toch wat bescheidener opstellen.

Zoals we dat tegenkomen bij het materialisme, is ook het behavioristische mensbeeld doordrongen van het evolutionistische gedachtegoed. Daarom is het voor de behavioristen totaal geen probleem resultaten, verkregen uit experimenten met dieren, toe te passen op de mens. Alhoewel daar bij gezegd moet worden, dat deze onderzoeksmethode door psychologen in twijfel wordt getrokken en reeds bestempeld is als de 'rattengelijkheid van de mens".

Humanistische psychologie

Door toedoen van Abraham Maslow werd in 1962 een organisatie in het leven geroepen, die datgene moest vertegenwoordigen, wat door Maslow de 'derde kracht' werd genoemd; n.l. een psychologisch denken, wat duidelijk verschilt van de psycho-analyse en van het behaviorisme. De humanistische psychologie ziet zichzelf als een oppositiebeweging tegen de gereduceerde menselijkheid van de mens in de natuurwetenschappelijk georiÎnteerde psychologie. Ze wil een bijdrage leveren tot een re-humanisering van de psychologie, doordat ze een aanzet geeft tot vernieuwing van de geesteswetenschappen en de nadruk legt op de eenheid van het menselijk wezen.

Daarbij laat ze zich leiden door een antropo-centrisme (mens in het middelpunt) en streeft het doel na van het humanisme: ze wil de mens ervoor bewaren, dat hij zich laat misbruiken voor mensonwaardige doeleinden; aan de andere kant wil ze ook de mens beschermen, dat hij zich niet onderwerpt aan bovenmenselijke machten of waarheden. Elk geloof in God wordt eigenlijk toch gezien als een inperking van het mens-zijn, omdat hij daarmee zijn zelfbeschikking opgeeft. Zodoende is de grondslag van de humanistische psychologie een materialistische psychologie, die zich uitsluitend bezighoudt met de immanente (innerlijke) en zichtbare betrekkingen.

In tegenstelling tot de psycho-analisten en de behavioristen kennen de humanistische psychologen geen streng determinisme, maar schrijven de mens een geringe mate van keuzevrijheid toe, hoewel ze de invloed van de omstandigheden zeer belangrijk achten. Nochtans is de mens in beginsel in staat zijn inherente mogelijkheden te verwerkelijken (zelfverwerkelijking).

Terwijl de psycho-analyse en het behaviorisme uitgaan van een biologische evolutie, wordt de humanistische psychologie gekenmerkt door een sociale ontwikkelingsleer. Hierbij valt te denken aan de behoefte-hiÎrarchie van Abraham Maslow, waarbij het hoogste doel, n.l. de zelfverwerkelijking, slechts door weinige bevoorrechte mensen kan worden bereikt, gezien het feit dat de doorsnee burger vechten moet voor zijn dagelijkse werk, voeding, onderdak. De Duitse psycholoog Carl F. Graumann legt met waarschuwende woorden zijn vinger op deze zwakke plek: " Het gevaar bestaat in onze tijd, dat zulk een humanisme onmenselijk wordt, doordat zij de meerderheid van de minder ontwikkelde mensen mogelijk zou gaan beschouwen als minder menselijk, omdat hun economische-, sociale-, of etnische situatie niet toestaat dat ze hun menselijke kundigheden of mogelijkheden ontwikkelen, welke juist het studiegebied vormen van de humanistische psychologie."

In elk geval hangt de humanistische psychologie het postulaat (onderstelling, waarvan geÎist wordt dat ze zonder bewijs wordt aangenomen) aan van de psycholoog Jean Jacques Rousseau, die beweert dat de mens van nature goed is.

Weliswaar put zij ook nog uit de bronnen van het existentialisme (daar is het centrale probleem, dat de mens zijn bestaan ervaart, als 'geworpen zijnde' in de kosmos). De humanistische psychologie hoopt dat haar sterke geloof in de bekwaamheid van de individuele mens, n.l. een zin te vinden in het absurde bestaan, een positieve kracht kan vormen in het leven van vandaag. Dit vermogen, zin te vinden in het absurde, is werkelijk wonderbaarlijk. Zo is zij in staat, ondanks de bewering dat de mens enkel een toevalsproduct van vergankelijke materie is, een hoopgevende soteriologie te formuleren.

Het mensbeeld van de zielszorg

In de bijbel openbaart God aan ons de herkomst, de betekenis en het doel van het menselijk bestaan. Daarnaast echter wordt ook inzicht gegeven in de opbouw en structuur van de menselijke persoonlijkheid. Deze openbaring verschaft ons een mensbeeld, dat fundamenteel verschilt van de hierboven genoemde psycho-therapeutische richtingen. Allereerst wordt ons getoond dat de mens een schepsel is van God, geschapen naar het beeld van God. Daarmee is de mens geenszins een louter lichamelijk wezen, maar toegerust met een onsterfelijk bestaan. Toen God het uit materie gevormde lichaam de levensadem inblies, "werd de mens een levende ziel." (Gen.2:7b)

Door de vereniging van lichaam en geest ontstond iets nieuws; de ziel of de persoonlijkheid van de mens als een heelheid. De levensuitingen van de ziel vertonen duidelijke kenmerken van zowel de geest als van het lichaam. Daarnaast zien we ook uitingen, die pas mogelijk werden door de vereniging van geest en lichaam (dus het geheel is mÈÈr dat de optelling van haar twee delen). Zodoende kan de ziel worden beschreven en worden herkend aan de hand van haar functies en uitingen, maar de ziel kan niet onafhankelijk van geest of lichaam bestaan.

De bijbel ziet de mens dus in zijn bestaan, substantieel, als tweeledig, maar in zijn werking, functioneel, als drieledig. Omdat de persoonlijkheid van de mens altijd voortkomt uit de som van geest, ziel en lichaam, zijn de uitingen van de geest en lichaam van de mens nooit direct toegankelijk, maar deze komen tot ons middels de ziel. Deze volledige eenheid van het menselijk bestaan is blijvend tot aan de dood, wanneer lichaam en geest weer van elkaar gescheiden worden.

Het onzichtbare en immateriÎle deel van de persoonlijkheid, de innerlijke mens, noemt de bijbel het hart. Het hart omvat geestelijk-psychische kwaliteiten, die voor de buitenwereld verborgen, voor God echter openbaar zijn. Ook deze term, het hart, is net zoals het begrip ziel, niet substantieel, maar functioneel. In zekere zin is het hart de commandotoren van de mens, die bewuste-, alsook onbewuste terreinen omvat. Hier liggen de aanknopingspunten voor het bijbels pastoraat.

Hoewel zeer algemeen, is hiermee toch iets gezegd over de herkomst en opbouw van de mens. Maar bij een mensbeeld moet ook invulling gegeven worden aan de bestemming en het doel van het menselijk bestaan. Vanaf het begin was de mens geroepen tot gemeenschap met de Here God; een gemeenschap, die bovenal gedragen zou moeten worden door wederzijdse liefde. Als schepsel werd hij opgeroepen vertrouwen te hebben in zijn Schepper; niet te leven vanuit natuurlijke krachten, maar vanuit een zelfgekozen afhankelijkheid van God.

In de zondeval heeft de mens gekozen voor autonomie, wat leidde tot zijn geestelijke dood, gescheiden van God. Maar toch, net zoals voorheen, was de mens bestemd om te heersen over de schepping, die hij moest bewerken en bewaren in verantwoordelijkheid tegenover zijn Schepper. Tegenover deze bijzondere bestemming van de mens staat nu het feit, dat de mens verstrikt raakt in zonde en rebellie en nu een wezen is geworden, dat ten zeerste verlossing nodig heeft. De eigenlijke zonde, de verbroken relatie tot God, heeft tot gevolg dat het gehele doen en denken van de mens ontregelt wordt, zelfs totaal verdorven.

In deze situatie bevindt zich ieder mens al vanaf zijn geboorte. Het wezen van de mens is zondig, en hoewel hij met deze erfzonde geboren wordt, is hij zelf volledig verantwoordelijk voor deze toestand, waarin hij zich bevindt. (Romeinen 5:12) Niet zijn overgeÎrfde aanleg en neigingen en ook niet de ongunstige omstandigheden zijn de oorzaak voor zijn schuldig bevinden, enkel het feit van het gescheiden-zijn van God.

Nu echter heeft Jezus Christus als de Zoon van God de plaats ingenomen van Adam en alle zondaren. Als enige heeft Hij volledig zo geleefd, als God het had bedoeld. In Hem is de liefde van God de geschiedenis van de mensheid binnen gestapt; in Hem wil God alle mensen deel laten hebben aan zijn liefde en de voleinding. Wie het plaatsvervangend lijden van Jezus voor zich persoonlijk in aanspraak neemt, zich zo identificeert met de Man aan het kruis, zodat hij weet dat in het oordeel over Jezus zijn eigen zonden veroordeeld zijn, die dringt door tot in het eeuwige leven.

Op deze manier kan een mens opnieuw geboren worden, zodat het gescheiden zijn van God opgeheven wordt, en hij binnentreedt in een nauwe levensgemeenschap met God door en in Jezus Christus. In Christus is de mens een nieuwe schepping, de macht van de zonde is gebroken, een vernieuwing, hervorming ook van de levenswandel, is binnen bereik gekomen. Dit veranderd worden is een groeiproces dat onmogelijk door de mens zelfs bewerkt kan worden. Alleen in Christus en door de kracht van zijn opstanding kan de wedergeboren mens in toenemende mate genezen van de schade, die in het verleden in zijn leven veroorzaakt is, hetzij door zijn eigen zonde, hetzij door de zonde van anderen.

Uit deze beknopte uiteenzetting wordt duidelijk dat het bijbelse mensbeeld lijnrecht tegenover het mensbeeld binnen de genoemde psychotherapeutische scholen staat. De antropologische uitgangspunten zijn onverenigbaar, en de kloof is zo groot, dat een scheiding niet te vermijden is.

In een volgend artikel willen we verder ingaan op de verschillen in methode en doelstellingen van pastoraat en psychotherapie.

Uit: 'Psychotherapie - der fatale Irrtum" van T.Schirrmacher en R.Antholzer,
vertaald door Marco Blankenburgh.
oktober 1996
Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Pastoraat en/contra psychologie