De 'gnostische Jezus'

De "gnostische Jezus"

 

Anders dan de canonieke boeken doen geloven is de kruisiging van Jezus géén verzonnen verhaal en zeggen de honderd en veertien uitspraken over Jezus in het ‘evangelie van Thomas’ niets over de gekruisigde en opgestane Jezus. De ‘Jezus’ in het evangelie van Thomas is een wijsgeer, niet de gekruisigde en opgestane Heer. In dit ‘evangelie’ zegt ‘Jezus’ over het koninkrijk: “Het koninkrijk is in je, en buiten je. Als je jezelf leert kennen zul je erachter komen, dat jullie zelf de zonen zijn van de levende vader. Maar als je jezelf niet kent, dan zul je in armoede blijven en ben je zelf die armoede” ( 12). Veel andere gnostische geschriften komen op hetzelfde neer. In het boek van Thomas the Contender (mededinger) spreekt ‘Jezus’ geheime woorden met betrekking tot zelfkennis. “Degene die zichzelf niet kent weet niets, maar degene die zichzelf kent heeft tegelijkertijd de bodem van alle kennis bereikt” (13). Pagels (zie noten)merkt op dat vele gnostici een zekere verwantschap vertonen met het onderzoeken van het zelf, zoals dat tegenwoordig in veel psychotherapeutische technieken gedaan wordt (14). Dit houdt in dat veel mensen zich niet bewust zouden zijn van hun ware toestand en tevens dat de psyche in iemand de potentie heeft tot bevrijding of vernietiging van de mens (15). Gilles Quispel beweert dat voor Valentinus, een gnostische leraar van de 2e eeuw, Christus de inwendige gids is, die het onbekende onthult….de ontdekking van het zelf…de goddelijke vonk in je (16). De kern van het menselijk probleem voor de gnostici is onwetendheid, ook wel ‘slaap’, ‘vergiftiging’ of ‘blindheid’ genoemd. Maar ‘Jezus’ verlost de mensen van een dergelijke onwetendheid, aldus de gnostici. Stephan Hoeller zegt dat er in het denken van Valentinus geen plaats is voor schuld, berouw van zonde, en er is dus volgens Valentinus ook geen noodzaak voor een blind geloof in de plaatsvervangende zaligmaking door de dood en opstanding van Jezus (17). Jezus is volgens gnostici veel meer de verlosser van ons verstand en een spirituele leider die ons geneest van onze ziekte van onwetendheid (18).

Gnostiek tegenover kruis en opstanding

De gnostische teksten die Jezus’ kruisiging en opstanding ter discussie stellen zijn zeer verschillend hoewel ze ook sommige zaken gemeen hebben. Jacobus wordt getroost door ‘Jezus’ in het eerste ‘apocalyptische boek van Jacobus’: “Ik heb nooit op enige manier geleden, of veel stress gehad en deze mensen hebben me nooit kwaad gedaan (19). In ’The Second Treatise of the Great Seth’ zegt ‘Jezus’: ”Ik ging niet echt dood, maar verdween. Degenen die me in hun onwetendheid en blindheid naar me keken, die waren het, die me straften. Het was een ander, hun vader die de gal en azijn dronk, ik niet. Het was een ander, Simon, die het kruis op zijn schouder droeg. Ik verheugde me op het hoogtepunt van dat alles… en ik lachte om hun onwetendheid”(20). John Dart heeft aangetoond dat de gnostische boeken van een ‘Jezus’ die spot met zijn beulen, verschilt met de berichtgeving van Matteus en Lucas en Marcus, waar de soldaten en de hogepriester met Jezus spotten. (Marc. 15:20,21) In de bijbelse evangeliën spot Jezus niet met zijn folteraars of maakt ze belachelijk, integendeel, terwijl Hij leed aan het kruis vroeg Hij aan de Vader: “Vergeef het hun.” In de leer van Valentinus en zijn volgelingen wordt de dood van Jezus steeds bedekt zonder enige overeenkomst met de Nieuw Testamentische betekenis. Hoewel de 'Jezus' in het evangelie van Thomas, ook wel 'evangelie van de waarheid' genoemd, zegt dat de dood van Jezus het leven is voor velen, blijkt dit leven geven meer te slaan op het omarmen van de gnostiek dan het verwijderen van de zonde (22). Pagels zegt dat in plaats van de dood van Christus te zien als een heilige offergave en boetedoening voor schuld en zonde, het ‘evangelie van de waarheid’ de kruisiging meer ziet als een gelegenheid om het heilige ware zelf in je te ontdekken. Een opstanding wordt zelfs enthousiast bevestigd in de ‘Treatise on the Resurrection’: “Denk niet dat de opstanding een illusie is. Het is geen illusie maar waarheid! Het is meer waar te zeggen dat de wereld een illusie is dan de opstanding”(24). Alleen verschilt het wezen van de verschijningsvorm na de opstanding met die in de Bijbel. Jezus’ opstanding wordt voorgesteld als spiritueel, niet als een van fysieke aard. De opgestane Jezus is voor de gnostici de spirituele onthuller, die aan een enkeling zijn spirituele wijsheid deelt. De inhoud en geest van Jezus’ opstanding zoals Lucas die beschrijft verschilt nogal van deze gnostische beschrijving. Hand. 1:3 zegt: “Aan hen ook had Hij Zich na Zijn dood vele malen laten zien. Hij verscheen hen 40 dagen lang en bewees hen overtuigend dat Hij leefde en sprak met hen over het koninkrijk van God.” Het moet duidelijk zijn dat de bijbelse Jezus weinig te maken heeft met de gnostische ‘Jezus’. In beide gevallen wordt Hij als een verlosser gezien, maar Zijn wezen als verlosser en de aard van de verlossing verschillen op cruciale punten.

Leed Jezus Christus werkelijk en stierf Hij?

Net zoals in vele new age geschriften proberen de gnostici Jezus te scheiden van de Christus. Valentinus dacht dat Christus neerdaalde op Jezus bij Zijn doop en dat Christus Hem verliet vòòr de dood aan het kruis. Deze dwaling werd al weerlegd door de inhoud van het boek ‘The Treatise Against Heresies’, geschreven door de vroege Christen-theoloog Irenaeus, die er de nadruk op legde dat Jezus is, was en altijd zal zijn: de Christus. Hij schrijft: ‘Het evangelie….kende geen andere zoon des mensen, dan degene die de zoon van Maria was, die geleden heeft, en het is niet waar dat Christus van Jezus week vòòr het lijden, maar Hij die geboren was, is bekend als Jezus Christus, de zoon van God, en Hij is dezelfde die leed en opstond uit de dood (25). Irenaeus benadrukt de uitspraak van Johannes dat Jezus de Christus is (Joh. 20:31), dit in tegenstelling tot de bewering van de gnostici die leerden dat Jezus en Christus twee verschillende wezens waren (26). Irenaeus beweerde, teneinde aan te tonen dat als het klopt dat Christus niet leed aan het kruis voor de zonden der mensheid, Hij Zijn discipelen ook nooit aangemoedigd zou hebben hun kruis op te nemen, als Hij Zelf er niet aan geleden had, maar ervoor was weggevlucht (27). Voor Irenaeus (die een discipel van Polycarpus was en die op zijn beurt weer een discipel was van de apostel Johannes) ging het lijden van Jezus Christus vóór alles. Het was voor de apostelen een onomstotelijke geloofsregel dat Jezus Christus aan het kruis geleden heeft om redding voor Zijn volk te brengen. In Irenaeus’ denken was geen plaats voor ‘een goddelijke vonk’ die in het hart van mensen moest opvlammen. Zelfkennis is niet hetzelfde als kennis van God. Het menselijk geslacht zat vast in de zonde en er was een radicale reddingsoperatie nodig. Omdat het niet mogelijk was dat de mens, die vernietigd was door ongehoorzaamheid, zichzelf kon vernieuwen, bracht de Zoon redding door Zijn Vader te verlaten, mens te worden, Zich diep te vernederen, zelfs tot de dood toe, om het voorgenomen plan om ons te redden, te volmaken (28). Dit komt overeen met de woorden van Polycarpus: “Laten we daarom volhardend en vurig de hoop vasthouden van onze rechtvaardiging door Jezus Christus. Hij heeft onze zonden lijfelijk gedragen aan het kruishout (1 Petr. 2:24a). Daarom zijn we afgestorven aan de zonden en mogen we leven in een goede verstandhouding met God. Door Zijn wonden bent u genezen (1 Petr. 2:24b (29). Polycarpus’ mentor, de apostel Johannes, zei: “Van Christus hebben we leren kennen wat liefde is, Hij heeft Zijn leven voor ons gegeven” (1 Joh. 3:16). En verder in Joh. 4:10: “Liefde betekent niet, dat wij God hebben liefgehad, maar Hij ons, en dat Hij Zijn Zoon heeft gezonden, om voor onze zonden te boeten.” De gnostische ‘Jezus’, echter is een uitdeler van kosmische wijsheid, die cryptische boodschappen verkondigt, zoals de ‘geestelijke val in de materie’. Jezus Christus onderwees zeker theologie, maar Hij overwon het probleem van pijn en lijden op een andere manier. Hij leed voor ons, in plaats van het kruis te ontvluchten of de ijdelheid van het lichaam te leren.

De kwestie van de opstanding

Volgens het gnosticisme is het probleem van de mensheid inherent aan het verkeerde gebruik van kracht door een onwetende schepper, met als gevolg dat zielen gevangen zijn in materie. De gnostische ‘Jezus’ maakt ons hierop attent en helpt ons de ‘goddelijke vonk’ in ons te ontvlammen. In de Bijbel is het probleem vooral ethisch: mensen hebben gezondigd tegen een goede Schepper en zijn schuldig voor de universele troon. Voor het gnosticisme is de wereld slecht, maar de ziel goed, als die tenminste bevrijd wordt van de val, waar ze in zit. Voor christenen geldt: de wereld was goed geschapen (Gen. 1) maar de mens is vanuit echtheid en onschuld in zonde gevallen door ongehoorzaamheid (Gen. 3, Rom. 3). En toch zegt de Bijbel dat de Enige die Zijn schepselen kan vervolgen en straffen voor hun schuld, zich vervaardigd heeft hen op te zoeken in de persoon van Zijn enige Zoon, niet om een soort schaderapport uit de eerste hand te schrijven, maar door kruis en opstanding de situatie weer te herstellen. Gezien deze verschillen moet het duidelijk zijn wat het belang is van de letterlijke en fysieke betekenis van de opstanding. Voor de gnostici, die de materie verfoeien en naar bevrijding zoeken van die onverbiddelijke verbintenis, is de fysieke opstanding van Jezus een anticlimax, zo niet absurd. Een materiële, fysieke opstanding zou averechts werken, en zou het oorspronkelijke probleem weer herhalen. Jezus stelt zich in de evangeliën positief op ten opzichte van de schepping. Als Hij tegen Zijn leerlingen zegt dat ze niet bezorgd moeten zijn, zegt Hij: “Let eens op de vogels in de lucht: zij zaaien niet, ze maaien niet, en slaan geen voorraden op in de schuren. Uw hemelse Vader zorgt dat ze te eten krijgen” (Matt. 6:26). En verder in Matt. 10:29: “Worden twee mussen niet verkocht voor een stuiver? Toch vallen ze geen van tweeën naar beneden, buiten jullie Vader om.” Deze en vele andere teksten laten de vooronderstelling zien van de kwaliteit van de materiële wereld en verklaren de zorg van een goedwillende Schepper. Gnostisch dualisme is uitgesloten. Als Jezus in een enkel geval vasten en fysieke zelfontkenning preekt, is dat niet vanwege de onwaardigheid van materie, of vanwege een ultieme blokkade voor geestelijke groei, maar omdat morele en geestelijke besluiten versterkt worden door periodiek onthouding (Matt. 6:16-18, 9:14-15). Jezus vast in de woestijn en viert feest met Zijn discipelen. De geschapen wereld is goed, maar het menselijk hart is corrupt en neigt ernaar de goede schepping zelfzuchtig te misbruiken. Daarom is het soms verstandig iets te weigeren wat goed is, zonder altijd na te gaan of er iets slechts in zit. Als Jezus de Christus is, die Gods schepping herstelt, moet Hij komen als een van hen, een door en door goede man. Hoewel gnostische leerstellingen hier soms verschillend in zijn, neigen ze naar docetisme, de leer dat de nederdaling van Jezus geestelijk was en niet materieel, zonder enige fysieke aanwezigheid. Men claimde zelfs dat Jezus geen voetsporen in het zand naliet. Bijbels gezien is niet de materie het probleem maar de disharmonie met de Schepper. Adam en Eva waren beiden geformeerd uit de materie der aarde en waren in harmonie met hun Schepper voordat ze bezweken voor de verleiding van de slang. Daarom moet vanuit een bijbelse logica Jezus de zonde en de dood van de mensheid overwinnen door op te staan vanuit de dood in een fysiek lichaam, weliswaar veranderd en verheerlijkt lichaam. Een alleen geestelijke verschijning zou een veel meer afstand nemen betekenen van zijn materiële verantwoordelijkheid. Zoals Norman Geisler zegt: “Mensen zondigen en sterven in materiële lichamen, en ze moeten verlost worden in dezelfde fysieke lichamen. Iedere andere vorm van bevrijding zou bedrog betekend hebben. Als de verlossing niet Gods fysieke schepping herstelt, vooral onze materiële lichamen, dan zou Gods aanvankelijk gestelde doel om een materiële wereld te scheppen, gedwarsboomd worden (30). Hierover spreekt de apostel Petrus op Pinksteren. Hij beschrijft Jezus van Nazareth als “een man wiens goddelijke zending duidelijk gemaakt is door de machtige werken en grootste wonderlijke dingen, die God door Hem bij u heeft gedaan” (Hand. 2:22). “U hebt Hem aan het kruis geslagen en gedood. Maar God heeft Hem uit het graf doen opstaan en Hem bevrijd uit de pijnen van de dood. Het was onmogelijk dat de dood Hem in zijn macht zou houden” (Hand. 2:23,24). Petrus citeert Ps 16:10 waar staat dat God de Heilige niet overlaat aan het dodenrijk en hem niet laat vergaan (Hand. 2:27). Petrus zegt over David, de schrijver van deze psalm: “Hij zag in de toekomst en sprak dan ook over de opstanding van Christus, toen hij zei dat Hij niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en zijn lichaam niet zou vergaan (Hand. 2:31,32).De apostel Paulus erkent dat als de opstanding van Jezus geen historisch feit is, zijn verkondiging een holle klank is en dat het geloof dan van nul en generlei waarde is (1 Kor. 15:14-19). En als hij spreekt van de opstanding van Jezus (en de gelovigen) met ‘een geestelijk lichaam’ betekent dat niet niet-fysisch of slechts etherisch, maar duidt het veel meer op een totale verlossing van de mens uit de zondeval. Het een aan de wetten van de Geest onderworpen lichaam, niet besmet door ook maar iets van de duivel. Omdat Jezus lichamelijk is opgestaan, mogen zij die Hem als Heer kennen, ook een lichamelijke opstanding verwachten.

Jezus, Judaïsme en gnostiek

De gnostieke ‘Jezus’ verschilt ook van de Jezus in de evangeliën wat betreft Zijn relatie tot het Judaïsme. Voor gnostici is de God van het Oude Testament zo’n beetje een ‘kosmische clown’, niet volmaakt, niet goed. Het is zelfs zo dat veel gnostische documenten sommige gedeelten uit het Oude Testament citeren om ze belachelijk te maken. Bijvoorbeeld: Eva en de slang zijn heldhaftige figuren die de ‘slome’ god tegemoet treden in ‘The Hypostasis of the Archons’ (De realiteit van de regeerders) en in ‘On the Origin of the World’ (31). In the ‘Apocryphion of John’ moedigt ‘Jezus’ Adam en Eva aan om van de boom van kennis van goed en kwaad te nemen! (32). Dit stelt Jezus in een positie die lijnrecht staat tegenover de betekenis in het boek Genesis, waar die gebeurtenis gezien wordt als een zonde (Gen. 3). Hetzelfde anti-joodse element is te zien in het ‘evangelie van Thomas’ waar de discipelen tegen ‘Jezus’ zeggen: “24 profeten hebben gesproken in Israël en zij spreken allemaal van U.” Waarop ‘Jezus’ antwoordt: “Jullie vergeten dat er maar één nu leeft en dat de anderen alleen maar over de dood spreken” (33). ‘Jezus’ dankt al de profeten af als dood zijnde. Voor de gnostici is het belangrijk dat de Schepper gescheiden wordt van de Verlosser. De Jezus in het Nieuwe Testament citeert daarentegen de profeten en claimt dat Hij de vervulling is van hun profetieën en redeneert volgens de openbaring in het Oude Testament, In Matt. 5:17 zegt Jezus: “U moet niet denken dat Ik gekomen ben om de wet op te heffen of de boeken van de profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen. In Marc. 12:24 corrigeert Hij de opvatting van de Sadduceeën over hun gedachten na de dood door te zeggen:

“U heeft geen gelijk, en weet u waarom? Omdat u de Schrift niet kent en ook de macht van God niet”. Tegenover andere critici doet Hij weer een appel op het Oude Testament: “U onderzoekt de Schriften, omdat u daarin eeuwig leven denkt te vinden, toch spreekt ook de Schrift over Mij. Maar u wilt niet bij Mij komen om eeuwig leven te vinden” (Joh. 5:39). Toen Jezus na Zijn dood en begrafenis aan de twee discipelen op de weg naar Emmaus verscheen, zei Hij tegen hen: “Wat zijn jullie toch dom en traag, in plaats van geloof te hechten aan alles wat de profeten gezegd hebben. Moest de Christus dat alles niet lijden om Zijn glorie binnen te gaan? En Hij begon hen uit te leggen wat er over Hem in de hele Schrift stond, te beginnen bij Mozes en alle profeten” ( Luc. 24:25-27). Hij legde uit dat alles in de Schrift op hem betrekking had. Voor beiden, Jezus en het Oude Testament, is de allerhoogste Schepper één met de Vader van alles wat leeft.

© Douglas Groothuis

CRI- 2009 DG040-1 www.equip.org

P.O. box 8500 Charlotte NC 28271

© Vertaling: Gerard Feller

 

 

NOTES

1 Joseph Campbell, The Power of Myth, ed. Betty Sue Flowers (New York: Doubleday, 1988), 210.
2 Don Lattin, "Rediscovery of Gnostic Christianity," San Francisco Chronicle, 1 April 1989, A-4-5.
3 Stephan A. Hoeller, "Wandering Bishops," Gnosis, Summer 1989, 24.
4 Ibid.
5 "The Gnostic Jung: An Interview with Stephan Hoeller," The Quest, Summer 1989, 85.
6 C. G. Jung, Psychological Types (Princeton, NJ: Princeton University Press, 1976), 11.
7 "Gnosticism," Critique, June-Sept. 1989, 66.
8 Elaine Pagels, The Gnostic Gospels (New York: Random House, 1979), xxxv.
9 Kurt Rudolph, Gnosis: The Nature and History of Gnosticism (San Francisco: Harper and Row, 1987), 57f.
10 James M. Robinson, ed., The Nag Hammadi Library (San Francisco: Harper and Row, 1988), 154.
11 Robinson, 126.
12 F. F. Bruce, Jesus and Christian Origins Outside the New Testament (Grand Rapids: Eerdmans, 1974), 112-13.
13 Bentley Layton, The Gnostic Scriptures (Garden City, NY: Doubleday and Co., Inc., 1987), 403.
14 Pagels, 124.
15 Ibid., 126.
16 Christopher Farmer, "An Interview with Gilles Quispel," Gnosis, Summer 1989, 28.
17 Stephan A. Hoeller, "Valentinus: A Gnostic for All Seasons," Gnosis, Fall/Winter 1985, 24.
18 Ibid., 25.
19 Robinson, 265.
20 Ibid., 365.
21 John Dart, The Jesus of History and Heresy (San Francisco: Harper and Row, 1988), 97.
22 Robinson, 41.
23 Pagels, 95.
24 Robinson, 56.
25 Irenaeus, Against Heresies, 3.16.5.
26 Ibid.
27 Ibid., 3.18.5.
28 Ibid., 3.18.2.
29 "The Epistle of Polycarp," ch. 8, in The Apostolic Fathers, ed. A. Cleveland Coxe (Grand Rapids: Eerdmans, 1987), 35.
30 Norman L. Geisler, "I Believe...In the Resurrection of the Flesh," Christian Research Journal, Summer 1989, 21-22.
31 See Dart, 60-74.
32 Robinson, 117.
33 Ibid., 132.
34 Ibid., 209.
35 Ibid., 210.

36 Ibid., 224-25.
37 Irenaeus, 1.11.3.
38 Ibid., 1.11.4.
39 Ibid.
40 Pheme Perkins, "Popularizing the Past," Commonweal, November 1979, 634.
41 Kenneth Pitchford, "The Good News About God," Ms. Magazine, April 1980, 32-35.
42 Robinson, 138.
43 See The Book of Thomas the Contender, in Robinson, 205.
44 See Layton, 17.
45 F. F. Bruce, The Canon of Scripture (Downers Grove, IL: InterVarsity Press, 1988), 277.


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: New age en occultisme