goede en slechte fantasie

 

Goede en slechte fantasie

 

De Harry Potterboeken zijn misschien wel de grootste successtories in de kinderliteratuur. Er zijn al meer dan twaalf miljoen boeken verkocht. De auteur J.K. Rowling is een Engelse, die begon te schrijven als een gescheiden en alleenstaande moeder. Haar boeken domineren al jaren de bestsellerslijsten. Op een gegeven moment waren de nummers 1,2 en 3 op die lijsten Harry Potterboeken, iets wat nog nooit vertoond was. Het vierde Harry Potterboek was alleen al op basis van de vóórverkoop een bestseller, en toen het uiteindelijk uitkwam, kon de uitgever nauwelijks aan de vraag voldoen.

Het meest verbazingwekkende was dat de meeste kopers van de boeken kinderen waren, die de verkoop van volwassenen overtroffen. Velen van hen, zo wordt gemeld, lazen voor het eerst een boek in hun leven! Ouders en onderwijskrachten beweren dat de serie Harry Potterboeken duizenden en duizenden jonge mensen het plezier van het lezen hebben bijgebracht. Veel jongens, die vaak nog meer weerstand tegen lezen hebben dan meisjes, zetten de televisie en de videospelletjes uit om tijd aan een ‘goed boek’ te besteden. Jonge mensen die geconditioneerd waren door de korte aandachtsboog van de televisie, gingen een boek van 700 pagina’s lezen. Zeker, dat is op zich goed nieuws. En toch is er iets bij de Harry Potterboeken waar christelijke ouders zich niet gelukkig bij voelen want deze verhalen gaan over heksen. Harry is een slome, vervelende prepuber, opgevoed door stiefouders die hem verachten, totdat hij weg gaat naar de Hogwarts Academy, een magisch internaat, waar hij leert toveren, een topatleet wordt in een bezemvliegwedstrijd, en van allerlei geweldige avonturen geniet.

In een tijd waarin echte hekserij in de mode is, en waar op veel campussen van universiteiten wicca-afdelingen als een legitieme praktijk gezien worden, maken deze verhalen tot iets wat ‘cool’ is. Toegegeven, het is zo dat de bezemvliegwedstrijden van heksen en tovenaars een ‘goede’ versie zijn van de sprookjesachtige karakters, en niet hetzelfde als de neo-heidense goden en natuurvereerders van de wicca. Niettemin zijn veel ouders bezorgd en geloven dat de stap van gefascineerd worden door de Potterboeken naar openingen tot occulte betrokkenheid gauw gemaakt is. Harry Potter is een van de voorbeelden van hoe jongelui tegenwoordig overspoeld worden met fantasie. Videospellen mogen dan hightech zijn, ze zijn vaak een verbeelding van de middeleeuwse realiteit. Men is vaak begonnen met de Pokemon kaartspelen, waarna men overgaat naar fantasie rol spellen (Fantasy Rol Playing F.R.P.) zoals ‘Magic the Gathering’ en ‘Dungeons and Dragons’ (Draken en kelders) om vervolgens zich bezig te houden met vampierrolspelen. Op de televisie kijken ze naar Xena Warrior Princess, Buffy the Vampire Slayer en Sabrina de teenager heks. Films die vaak bij teenagers populair zijn, worden gemixt met science fiction fantasieën, zoals de Star Wars serie of andere variaties, waarbij geesten in flessen, sprekende dieren enzovoort worden opgevoerd. Fantasie, inclusief de gezonde fantasieën, is altijd al een belangrijk basisonderdeel geweest in het kinderamusement.. Sprookjes kennen ook heksen, hoewel feministen en anderen ons willen overtuigen dat deze waarden te ‘traditioneel’ zijn. Enkele van de beste christelijke schrijvers zoals John Bunyan tot C.S. Lewis hebben het fantasiegenre gebruikt en verdedigd. ‘Chronicles of Narnia’ van Lewis hebben duizenden kinderen en hun ouders geholpen om het evangelie te begrijpen. Het probleem ligt niet in het gebruik van fantasie, want dat gebruik is eenvoudig een oefening van verbeelding. Fantasie echter kan de verbeelding van mensen beschadigen of goed doen ontwikkelen. De uitdaging is de goede van de slechte fantasie te onderscheiden, door niet alleen naar de inhoud te kijken maar ook te letten op het effect op de lezer. Harry Potter is op dit moment in Engeland voorbijgestreefd door en ander fantasieboek. Het is een nieuwe vertaling van het heldendicht uit de tiende eeuw, ‘Beowulf’, weergegeven in een levende en nieuwe prozastijl door de Ierse dichter en Nobelprijs winnaar Seamus Heaney, die ook een literaire sensatie geworden is. ‘Beowulf’ en Harry Potters ‘The Prisoner of Azkaban’ streden beiden om de prestigieuze Britse literatuurprijs de Whitbread Prijs. De negen leden tellende jury was het er niet over eens wie het beste was. Een pro Beowulf criticus noemde het boek van Potter “een traditionele kopie, en niet bijzonder goed geschreven”. Een pro Potter stemmer kwalificeerde Beowulf als ”een stomvervelend boek over draken”.(1) Beowulf en de Potterboeken gingen beiden over draken, monsters en bovennatuurlijke krachten. Toch is de eerstgenoemde erkend als een literaire klassieker terwijl de laatste een controversieel kinderboek is. Wat is het verschil? De Whitbread Prijs ging overigens naar Beowulf met een krappe vijf tegen vier stemmen. Hoe komt het dat de fantasie van de één groter is dan die van de ander? Hoe kan een lezer onderscheid maken tussen goede en slechte fantasie? Als je dit wilt beoordelen moet je vooral letten op het wereldbeeld dat achter de fantasieën ligt, dit om te kijken hoe fantasieën werken en wat voor uitwerking ze op de lezer hebben. (2)

 

Fantasie en realiteit

Het antwoord is niet zo simpel, dat we alle fantasieboeken moeten afkeuren en de realistische boeken als goed moeten beschouwen. Je zou kunnen opmerken dat de vloedgolf van realistische kinderboeken meer negatief uitwerkt dan de Harry Potterboeken. Boeken als ‘Heather heeft twee moeders’, geschreven door Leslea Newman en Diana Souza, en ‘Vaders kamergenoot’ van de auteur Michael Willhoite zijn ‘realistische pogingen’ om homoseksualiteit voor achtjarigen te verdedigen. Andere boeken in het genre van het realisme gaan over scheiding, kindermisbruik en seks. Populaire titels geschreven voor tieners gaan over een positieve kijk op drugsgebruik, weglopen van huis, zelfmoord, en seks voor het huwelijk. (3) De realistische wereld van vandaag is er een van slechte ouders, morele rebellie en zelfmedelijden van pubers. De populariteit van realistische boeken is vaak een inleiding op een politiek correcte indoctrinatie van antifamiliaire scheldkanonnades en angstige probleemverhalen. De realistische literaire stijl kwam laat op in de negentiende en begin twintigste eeuw, als een manifestatie van een wereldbeeld wat bekend werd als het naturalisme. Auteurs als Emile Zola, Frank Norris en Stefan Crane bepleitten dat schrijvers zich moesten concentreren op wat ‘echt’ is en tastbaar en wat empirisch beleefd kon worden: zoals Darwin het materiële universum heeft uitgelegd en zoals dat voortgezet is in het sociale materialisme van Marx. Hun realisme was koud en depressief, vol van littekens van het leven, doelbewust ontdaan van idealen, sentimenten, moraliteit en ‘natuurlijk’ ook religie. De term ‘realisme’ roept uiteraard de vraag op wat iemand onder de realiteit verstaat. Als iemand gelooft dat Darwins wet van de jungle echt is, dan zal men verhalen schrijven over de meedogenloze strijd om te overleven. Een hopeloze kijk op de realiteit leidt tot kunst die dit uitstraalt. Het is onvermijdelijk dat het specifieke beeld van de werkelijkheid van een auteur gebouwd is op zijn of haar wereldbeeld. Nog sterker: omdat ieders werk per definitie verzonnen en een verbeeld verhaal is, is ieder werk of boek, hoe realistisch het ook lijkt, een soort fantasie. De positieve kijk op homoseksualiteit in ‘Heather heeft twee moeders’, is echt geschreven zoals het eruit ziet, maar is in feite een onzekere projectie van de verbeelding van de auteur. Omdat het de waarheid van Gods geboden overtreedt, verstoort het vanuit een christelijk perspectief eerder de realiteit dan dat het deze reflecteert. Door de geestelijke dimensie te verlaten, mogen Zola’s commentaren realistisch schijnen in hun stijl, maar ze zijn het totaal niet.

 

Wat is realiteit?

Een realisme dat zichzelf beperkt tot een beschrijving van alleen de dingen die je kunt zien in het gewone leven, verwijdert ons van de onzichtbare dingen, die het gewone leven betekenis geven, namelijk de waarde van de moraliteit, geloof en transcendente idealen. De uitdaging van een christelijke schrijver is de vraag, hoe deze onzichtbare waarheden te verwerken. Het is mogelijk dit te beschrijven op een realistische wijze, die de diepte van het hart en de innerlijke strijd laat zien. Er zijn realistische christelijke auteurs die dit beschrijven zoals Dostojewsky, maar een andere manier om de onzichtbare waarheden te verkennen is meer symbolisch, en dan komen we op het gebied van de fantasie. Fantasie is per definitie totale verbeelding. Het is geen realiteit, maar het kan een bepaalde visie uitwerken op de manier waarop we de realiteit zien. Een van de eerste expliciete discussies over christelijke literatuur was ‘The Apology for Poetry’ geschreven door Sir Philippe Sidney, een zestiende eeuwse staatsman, militair en schrijver en overtuigd protestant. Hij ging in discussie met de puritein Stephen Gosson, die beweerde dat creatieve verbeelding een leugen is, omdat het een opsomming is van iets wat niet echt is. Een verhalenschrijver beweert echter nooit dat zijn verhaal echt zo gebeurd is. Hij bevestigt niets, zegt Sydney, en daarom liegt hij nooit. (4) Historici, filosofen en wetenschappers kunnen nauwelijks leugens voorkomen, waarbij een leugen is: beweren dat iets waar is, als dit niet het geval is, zelfs als hun dwaling onopzettelijk is. Maar een verhalenschrijver werkt, zoals iedereen weet, per definitie met verbeelding. Hij of zij beschrijft niet wat er is of was, maar wat zou kunnen of moeten; hij of zij beschrijft niet bevestigend maar allegorisch en figuratief. (5) Sydney zegt dat ‘fiction’ voordelig nuttige uitvindingen zijn. Het is voordelig omdat het gaat over idealen, hoe het zou moeten zijn, en het is bijzonder effectief, waar het gaat om het leren van moraliteit. Een goed verhaal, zegt Sydney, leert en verrukt tegelijk, met andere woorden: het leert door verrukking! (6)

 

Christelijke realiteit

De christelijke psycholoog William Kirk Kilpatrick heeft laten zien hoe verhalen kinderen moreel kunnen opvoeden. Kinderen leren de aantrekkelijkheid van de deugdzaamheid, en de weerzinwekkendheid van het kwaad. Niet door abstracte voorschriften en zeker niet door het schoolse vak ‘morele opvoeding’, maar door het navolgen van grote helden die hen inspireren en wiens gedrag ze willen navolgen.(7) Het lijkt logisch dat het omgekeerde ook waar is. Als verhalen deugdzaamheid voor sommigen aantrekkelijk maken, kan onzedelijk gedrag voor anderen aantrekkelijk zijn. Net als alle krachtige opvoedmiddelen kan literatuur een goed en verkeerd gebruik in de hand werken. Als iemands doel is, kinderen te leren niet te liegen, dan is dit het beste. ‘The Boy Who Cried Wolf’ of Aesops andere fabels met sprekende dieren, overtuigen de lezer van het goede begrip van hard werken en doorzetten. (‘De krekel en de mier’ en ‘De schildpad en de haas’.) Veel christelijke schrijvers van Dante tot J.R. Tolkien hebben de voordelige effecten ten opzichte van de ‘realistische en non-fiction verhalen’ benadrukt. Een van de redenen, die sterk verankerd zijn in het denken over verbeelding, zou te maken kunnen hebben met de uitleg over de tien geboden in de Bijbel. Het verbod om ‘een gesneden beeld’ te maken verbiedt vooral het maken van een gelijkenis.

 

Ex 20:4 zegt: “Gij zult u geen gesneden beeld maken nog enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op aarde, noch wat van in de wateren onder de aarde is”.

 

Voor de klassieke Grieken, van wie wij ons esthetisch erfgoed ontvingen, is de essentie van de kunst: ‘mimesis’, de imitatie van de externe realiteit. Voor Plato is de visuele wereld zelf niet meer dan een imitatie van een ideaalbeeld in de gevoelsrealiteit van ideeën. De Hebreeën zagen het universum echter als een creatie door een transcendente God. In het verlengde hiervan wordt kunst gezien als een creatie door de mens. Het gebod in het bijbelboek Exodus zou het maken van realistische kunst, de esthetische traditie van mimesis, die beelden maakt van de uitwendige wereld, verbieden. Natuurlijk is dit gebod bedoeld voor het tegengaan van afgoderij!, dit is het zich buigen voor deze gelijkenis zoals dat vooral gepraktiseerd wordt door de heidense natuurreligies. De Bijbel geeft aan dat bepaalde realistische kunst, zoals weergave van leeuwen, granaatappelen, serafim, gemaakt worden om de tempel te versieren. Maar de Joden trokken zich dit gebod te sterk aan. Het verhinderde hen niet om artistieke ontwerpen te maken, maar het mochten geen realistische ontwerpen zijn. Het aardewerk en de munten van Israël waren versierd met abstracte ontwerpen, ingewikkelde elkaar kruisende lijnen en geometrische figuren, die geweldig mooi waren, maar op niets in de hemel, op aarde of in de zeeën leek. (8) De vroege kerk viel de afgoderij van het klassieke heidendom aan door vol te houden dat de heidense mythologieën niet echt waren, maar alleen verhalen, fantasieën dus. Men zou echter kunnen tegenwerpen dat de vroege christenen fantasieën hebben uitgevonden of zelfs ‘fiction’ door wat zij met die mythe deden. Zij leerden dat de mythen niet waar waren, terwijl zij deze in hun opvoedkundige leerplannen behielden als zuivere verhalen. Het waren de christenen, merkt Werner Jaeger op, die uiteindelijk leerden poëzie naar hun puur esthetische standaard op waarde te schatten. Een standaard die hen in staat stelde, de meeste morele en religieuze leringen van de klassieke dichters als onwaar en onbijbels te verwerpen, terwijl de formele elementen in hun werk als leerzaam en esthetisch bijzonder erkend waren. (9) De heidenen geloofden niet dat de verhalen van hun goden, mythen waren. Ze geloofden dat ze echt waren. Maar het zou voor christenen afgoderij zijn om te geloven dat Icarus inderdaad zo hoog vloog dat zijn wassen vleugels smolten door de strijdwagen van de zonnegod. Als eenmaal duidelijk is, dat er geen zonnegod bestaat en dat dit verhaal nooit echt gebeurd is, kan het op een andere manier gezien worden, namelijk als metafoor wat er gebeurt met menselijke trots. Kinderen met een sterk gevoel voor verhaalzin en die het verschil kennen tussen dit verhaal en de werkelijke wereld, worden beschermd tegen de meest slechte effecten van fantasie. Pas als het kind de fantasiewereld als werkelijk ziet, dat is het moment dat de fantasie ophoudt, kunnen er problemen ontstaan. Als het kind het verschil tussen fictie en realiteit kent, kan er van allerlei soorten verhalen genoten en geleerd worden.

 

Goede en slechte vlucht uit de werkelijkheid

 

Een andere christelijke verdediger van fantasieboeken is J.R. Tolkien, zelf één van de beste schrijvers in dit genre. Een van de meest genoemde bezwaren tegen fantasieboeken is dat het een vlucht uit de werkelijkheid is. Tolkien legt echter uit, dat dit niet altijd moreel incorrect hoeft te zijn. “Waarom moet een man veracht worden als hij zich in een gevangenis bevindt, en hij probeert naar huis te komen. En als dat niet kan, dan is het niet verkeerd, dat hij ook aan andere dingen denkt dan alleen aan gevangenissen en gevangenismuren.(10) Er is een verschil tussen de vlucht van een deserteur en de vlucht van een gevangene.(11) Het is inderdaad mogelijk om fantasie te gebruiken om te deserteren en te ontsnappen aan de verantwoordelijkheden die God je gegeven heeft. Dat is een vorm van misbruik van de fantasie. Maar Tolkien legt veel meer de nadruk op de materialistische kijk op de wereld, die geen verbinding met God heeft, maar wel met immoraliteit en die geen morele waarheden en geen transcendente idealen heeft. Dit is in feite een nieuwe verstikkende gevangenis. In een intellectueel en cultureel klimaat, dat niets anders erkent dan wat men ziet, meet en kan aanraken, daarin kunnen fantasieboeken als die van Tolkiens ‘Lord of the Rings’ de verbeelding van mensen doen ontwaken, zodat ze naar schoonheid, moreel heldendom en transcendente idealen gaan verlangen. Als op deze manier aan hun verbeelding gewerkt wordt, kan er een gevoel in hen opgewekt worden, dat er meer in het leven is dan een nauw materieel universum met botsende atomen. Een deel van het probleem van het hedendaagse ongeloof is dat mensen zich op geen enkele manier het transcendente meer voor kunnen stellen. C.S. Lewis, de grote christelijke apologeet die door Tolkien mede tot geloof in Christus gekomen is, zei dat het lezen van het ‘volwassen’ sprookje ‘Phantases’ van de negentiende eeuwse christelijke auteur George Mac Donald, voor hem (Lewis) een eye-opener was in zijn spirituele zoektocht. “Ik wist toen nog niet, terwijl ik er allang mee bezig was, welke nieuwe kwaliteiten en schaduwen oprezen achter de hoofdpersoon Anodes. Ik weet het nu. Het was Heiligheid…. In die nacht werd ik in mijn verbeelding in zekere zin gedoopt, de rest van me duurde, niet geheel onnatuurlijk, wat langer”. (12) Lewis ging verder met zelf fantasieën te schrijven zoals ‘The Chronicles of Narnia’. Een van de chronicles, namelijk ‘The Voyage of the Dawn Trader’, gaat over een jongen, genaamd Eustace Scrubb, een product van tolerante, liberale ouders in het moderne opvoedingssysteem. Grootgebracht als een door en door materialist, hield hij alleen van boeken die realistisch waren. Hij hield van boeken als ze veel informatie en foto’s bevatten, bijvoorbeeld van graanelevators of van dikke buitenlandse kinderen, die in modelscholen oefeningen deden. (13) Toen Eustace in Narnia, met zijn sprekende dieren en nobele idealen, terechtkwam was hij hopeloos verloren. Brutaal, afschuwelijk en egocentrisch als hij was, kon hij niet functioneren in een morele wereld. Dan ontmoet hij een draak. Omdat Eustace niet de juiste boeken gelezen had, wist hij zelfs niet eens wat een draak was. (14) Lewis schrijft: ”De meeste van ons weten wat je kunt verwachten in het hol van een draak, maar zoals ik al zei: Eustace had niet de juiste boeken gelezen. Deze boeken hadden veel te zeggen over in en -export en droogleggingen, maar ze waren niet zo goed in draken”. (15) Deels door zijn onwetendheid en deels door zijn misvormde karakter verandert Eustace uiteindelijk zelf in een draak. Tenslotte vernietigt de machtige koning Aslan, Eustaces slechte karakter en wordt Eustace wedergeboren, een berouwvolle zondaar, gekocht en veranderd door Lewis’ symbool van Christus. Men kan in het verhaal lezen en ontdekken de noodzaak van Eustace om te ontsnappen uit een materialistische, egocentrische wereld, naar een grotere, vrijere en ruimere wereld, niet alleen die van Narnia, maar naar een spirituele realiteit. Lewis’ punt was, dat door het lezen van de ‘juiste boeken’, een kind draken kan herkennen die zich binnen en buiten schuil houden. De ‘Chronicles van Narnia’ is een voorbeeld van die juiste boeken, die de spirituele bewustwording van een kind veel beter vorm kunnen geven dan realistische boeken over graanelevators.

 

De ethiek van sprookjes

G.K. Chesterton schreef ‘De ethiek van Elfenland’, een boek dat beschrijft hoe sprookjes een manier van denken kunnen leiden, die heel goed overeenkomt met het christelijke wereldbeeld. Er is een ridderlijke les in ‘Jack, de reuzendoder’, dat reuzen gedood moeten worden omdat ze te groot zijn. Het is een ‘mannelijke’ les over trots, zoals er ook een les zit in ‘Assepoester’, namelijk dat de nederige verheven zal worden (Luk. 1: 46-56). Zo is er ook een grote les in ‘The Beauty and the Beast’, dat van iets gehouden moet worden vóór het er leuk uit ziet. Andersom zit er weer een slechte allegorie in ‘Doornroosje’, dat vertelt dat het menselijke schepsel gezegend was met verjaardagscadeautjes, en toch vervloekt werd met de dood, en hoe de dood afgezwakt wordt als een slaap. (16) Deze lessen zijn geen abstracte recepten meer, maar innerlijke houdingen en karaktereigenschappen, die diep in de verbeelding doordringen en iemands karakter helpen te vormen. De kinderpsycholoog Bruno Bettelheim geeft aan hoe sprookjesverhalen nuttig zijn in de behandeling van kinderen die angsten hebben door trauma’s en misbruik. (17) De angstige gedeelten van sprookjes, anticiperen op de actuele angsten van kinderen (Zoals in ‘Hans en Grietje’, dat de ouders niet voor hen kunnen zorgen, dáár zijn kinderen angstig over). Dan zien ze dat ondanks vele problemen (o.a. de weg kwijt in het bos) en verzoekingen (eet niet van dat pannenkoekenhuisje!) door moed en virtuoze actie (Grietje is de heks te slim af) ze daarna gelukkig verder kunnen leven.

 

Terwijl men in veel kinderliteratuur de veilige, huiselijke wereld probeert te beschrijven, en men er op staat om de angstige en grove situaties uit te bannen, neemt Bettelheim een heel ander standpunt in. Volwassenen denken vaak dat wrede straffen voor slechte personen in sprookjes, de kinderen angstig maakt. Het is precies het tegenovergestelde. Zulke vergeldingen verzekeren het kind dat straf een gevolg van misdaad is. Kinderen voelen zich vaak onrechtvaardig behandeld door volwassenen en de wereld, en het lijkt of daar niets aan gedaan wordt. Alleen al op basis van die ervaringen wil hij dat wie hem bedriegt en vernedert…. gestraft wordt. Als dat niet gebeurt, neemt het kind niemand, die hem wil beschermen, serieus. Echter des te harder de slechteriken aangepakt worden, des te veiliger voelt een kind zich. (18) De sprookjeswereld is een realiteit met een rigoureuze moraliteit. Als dit goed gebruikt wordt, kunnen fantasieën helpen een goede moraliteit in hun karakter in te slijpen.

 

Slechte fantasieën

Als fantasieën een heilzaam effect kunnen hebben om de verbeeldingskracht op een positieve manier te helpen, dan moet het ook zo zijn dat andersoortige fantasieën de verbeelding op een destructieve manier beïnvloeden. Het ene sprookje kan de aantrekkelijkheid van moreel heldendom overbrengen, terwijl het andere een mogelijkheid biedt zich in slechte gedachten te wentelen. Het is niet genoeg om alleen naar het verhaal te kijken waar het over gaat. Sommige ouders zijn tegen het verhaal ‘The Lion, the Witch and the Wardrobe’ van C.S. Lewis, alleen omdat er een heks in voorkomt. Men ziet niet dat in het boek de heks gepresenteerd wordt als een verschrikkelijke schurk, een echt symbool van de duivel en zijn verleidingen. Men ziet ook over het hoofd dat het boek een krachtige analogie is van het evangelie. Men denkt, dat als de heks veel in het boek voorkomt de lezers occult beïnvloed zullen worden. Je zou eerder het tegendeel kunnen beweren, dat het een traktaat is tégen hekserij en occultisme, omdat het refereert aan het Woord van God. Het is ook niet zo gemakkelijk om alle geweld uit een verhaal te bannen. Er kan geen sprake zijn van een oplossing zonder dat er eerst een probleem is. Er is geen enkel verhaal waar iedereen gelukkig verder leeft. Er moet een probleem of obstakel zijn wat overwonnen dient te worden. Het kan een extern conflict zijn, goede of slechte mensen, of een intern probleem, het karakter waarin men moet kiezen tussen verschillende opties. Fantasieën hebben de neiging om de innerlijke staat te externaliseren, of ideeën in concrete vormen te symboliseren. Dat betekent dat het conflict vaak extern gepresenteerd wordt. Dit manifesteert zich in gevechten met monsters, slagvelden en ridderlijke wedstrijden. Dit kan inderdaad allemaal gekenmerkt worden als geweld. En toch: zonder conflict kan iemand alleen rekeningen hebben of graanelevators. Het in verbeelding worstelen met conflicten, is nu precies de manier waarop moraliteit geleerd wordt, en karakter opgebouwd.

 

Tegenwoordig zijn er heel wat liberale humanisten, die vaak het echte onderscheid tussen goed en kwaad ontkennen, en die protesteren tegen ‘geweld’ in kindersprookjes. Een draak slachten is een overtreding van de rechten van het dier, en een prinses redden is ‘seksistisch’. Eustaces ouders, die hem beschermden tegen boeken over draken waren vegetariërs en pacifisten. Fantasieverhalen moeten net als iedere literatuur, geëvalueerd worden volgens de bedoeling en effect van het boek. Wat betekent het geweld? Dramatiseert dit het conflict tussen goed en slecht, of verheerlijkt het de sterke die de zwakke terroriseert? Wat is het effect van het geweld op de lezer? Heeft het tot gevolg dat de lezer in de praktijk van het leven minder mensen kwaad doet? Of rakelt het alleen maar de ‘genoegens’ van wreedheid en sadisme op? Het gezichtspunt waarmee de lezer zich identificeert, is meestal de visie van de auteur op het karakter van het verhaal, en dus een nuttig aspect van de analyse. Traditionele verhalen laten het verhaal vaak zien vanuit het perspectief van de ‘goede’ persoon. In vaak complexere verhalen, met een intern conflict, is het karakter niet zo simpel en laat het verhaal nu juist meer de interne strijd zien. Tragedies laten vaak, na een breuk in het leven, de teloorgang van een nobel karakter zien, terwijl in fantasieën de karakters meestal eenvoudiger zijn. Er zijn echter ook veel verhalen waar de lezer vanuit het gezichtspunt van een ‘slecht’ persoon geplaatst wordt. Bram Stokers Dracula, het originele vampierverhaal uit de negentiende eeuw, was geschreven vanuit deugdzame karakters, die in strijd waren met een monster. Dracula was ‘de ander’ die veraf was en weerzinwekkend. Toch zijn er tegenwoordig vampierverhalen, zoals die van Anne Rice, en verschillende fantasierolspelen (FRS), die verteld worden vanuit het oogpunt van de vampiers, waardoor het de lezer wordt opgedrongen zich voor te stellen hoe het is om hun tanden in iemand te zetten en zijn bloed te drinken. Bram Stoker en Anne Rice hebben beiden over vampiers geschreven, maar de verbeeldende ervaring en het effect dat ze creëerden was totaal verschillend. In de hedendaagse videospelen is er een nieuw populair format, genaamd, de eerste schutter, die dit illustreert. Dit type interactief computerspel laat het verhaal en de acties zien door een karakter in dit verhaal, die de speler zelf is. Het beeldscherm laat zien wat de speler als hoofdpersoon zou zien. De speler is een schutter, die zelf in de rol van moordenaar geplaatst wordt en wiens stappen in een virtueel landschap zichtbaar worden, dit terwijl hij een revolver gericht houdt op wegkruipende slachtoffers, die hij vervolgens neerknalt. Soms zijn er ook van dergelijke high-tech schietgalerijen, waar niet op mensen gericht wordt maar op niet-menselijke doelen, zoals buitenaardse ruimteschepen of surrealistische monsters. Deze spelen zijn waarschijnlijk relatief ongevaarlijk. Maar voor sommige spelers heeft het de uitwerking te voelen hoe het is om een seriemoordenaar te zijn. De Columbine schoolmoordenaars waren, zoals inmiddels bekend, ervaren spelers van deze videogames, waarna ze de spelletjes in het echt reconstrueerden. Men discussieert erover of het aantal spelers, die dit ook daadwerkelijk praktiseren, groot is. Christenen weten echter dat het niet alleen om daden gaat, maar dat juist de gedachten en de verbeelding iemands moraal beschadigen. Jezus Zelf benadrukt dat God niet alleen het gedrag, maar ook de gedachten oordeelt en dat bijvoorbeeld overspel dat in het hart wordt gekoesterd, Gods geboden overtreedt, zelfs als er daadwerkelijk (nog) niets gebeurd is (Matt. 5: 21-22; 27-28). Waarover we fantaseren en bij gelegenheid naar handelen, is geestelijk gezien belangrijk. Pornografische beelden en fantasieën, of fantasieën hoe we anderen pijn kunnen doen, zijn inderdaad schadelijk, ook als het niet echt gebeurt, omdat ze iemands hart beschadigen.

 

Geen grenzen tussen goede en slechte fantasie

Een ander verschil tussen de traditionele fantasieën en de fantasieën die heden ten dage populair zijn, is dat er bij de eerstgenoemde duidelijke grenzen bestaan tussen goed en slecht. Tegenwoordig zijn de grenzen tussen goed en kwaad vaak besmet of zelfs verdwenen. Bram Stoker leefde in een moreel, bijbels georiënteerd universum, vampiers waren krachteloos tegen kruizen en andere christelijke symbolen. Tegenwoordig erkennen de vampiers in films en boeken een dergelijke autoriteit niet meer, Dracula loopt in een film het kruis achteloos voorbij. Nog een stap verder is dat ook vaak de vampier zelf heel sympathiek gemaakt wordt, en ogenschijnlijk nobeler is dan zijn slachtoffers. Andere fantasieën, in boeken, films of videogames, creëren een ‘neutraal’ universum, waarin de een niet beter is dan de ander, en iedere man of ieder monster voor zichzelf leeft. Nog steeds regeert het kwaad in vele media. Als fantasie gebruikt kan worden voor een betere moraal, is het helaas ook mogelijk dat fantasie mensen minder gevoelig maakt voor morele vooruitgang. Net zoals een verhaal over ridderlijkheid, idealen van moed mensen positief kan inspireren, zo kunnen de ‘Sword en Socery’-sagen over verkrachtingen en plunderingen zonder enige vorm van moraliteit, het hart afstompen. Voor christenen is het grootste gevaar bij fantasieën vaak de occulte wereld. Dit komt doordat een fantasie zijn eigen wereld vorm geeft, waarin overweldigende dingen kunnen gebeuren, en waarin de gedachten geheel in beslag genomen worden door magie, geesten en toverij, die het hart geestelijk gezien doden. De verleiding is groot om aan geschiedvervalsing te doen door fantasie te vertalen naar een mythe en die mythe naar heldendom. Als heksen alleen maar creaties van de fantasie zouden zijn, dan was het minder gevaarlijk. Maar hekserij is een realiteit! Demonie, necromantie (geestenbezwering) en heidense rituelen zijn geen fantasie, ze zijn echt. Iemand kan door het lezen van fantasieliteratuur in deze zaken gefascineerd raken , om het later in het echte leven te gaan praktiseren. We kennen nu vampier fans, die vanuit de fantasierolspelen met het script van Anne Rice, daadwerkelijk overgegaan zijn tot het drinken van iemands bloed. Het probleem is dat men vanuit de fantasie oversteekt naar de realiteit. Er is verwarring over wat de lezer ziet als fantasie in de echte wereld, of over wat hij denkt dat echt is. Het is een fundamentele overlevingsvaardigheid om te kunnen onderscheiden wat fantasie en realiteit is. Nog sterker, het is een definitie van gezondheid. Omdat fantasie uit onze innerlijke wereld komt, is er overal gevaar, en als het gevaarlijk is, dan heeft dat vaak te maken met de verleiding in onszelf weg te zakken, om toe te geven aan zondige fantasieën (Gen 8:21), en om te zwelgen in de duisternis van onze gevallen oude natuur. Het pseudo-realisme van een verkeerd wereldbeeld sluit ons ook in de duisternis op. Goede fantasie echter doet ons boven onszelf uitstijgen, terwijl de duisternis door een glimp van het externe licht overwonnen wordt.

 

Harry Potter

Hoe moeten christenen nu omgaan met de zegetocht van Harry Potter? Allereerst is het goed om op te merken waarom ze zoveel kinderen voor het eerst in hun leven aan het lezen zetten. Het is een duidelijk symptoom van het ontberen van verbeelding, het is een grote aanklacht tegen ons onderwijssysteem. Voor ons is het, om Tolkiens metafoor te gebruiken, zo dat kinderen opgesloten zitten in de gevangenis en eruit willen ontsnappen. Hun scholen sluiten hen op in een politiek correct leerplan door hen onder andere ernstig bewust te maken van alle ‘échte’ en deprimerende sociale problematiek. Hun leerboeken zijn materialistisch, met een wetenschappelijke achtergrond die een gesloten materialistisch en evolutionair wereldbeeld inhouden, met onder andere geschiedenisteksten, die zelfs de weinige overblijfselen van de westerse idealen aanvallen, en dit door een lesinhoud, waarin alle probleemgevallen en morele dilemma’s uitgebannen zijn. Geen wonder dat kinderen een hekel hebben aan het lezen. De belangrijkste reden waarom de Harry Potterboeken zo populair zijn is niet omdat ze van het fantasiegenre zijn, want daarvan zijn er vele geweest die niet zo populair waren, maar het zijn boeken die over school gaan! Kinderen lezen over de Hogwarts-academie, en herkennen hier veel in. De kliekjes kinderen op school, de stress, en bovenal de strijd om populair te zijn, zijn bekende onderwerpen. Maar hier, in het boek, is de school tenminste interessant. In plaats van in groepjes je gevoelens te delen, leert deze school hen geweldige dingen: hoe word je onzichtbaar, hoe verander je dingen met een toverstokje en hoe leer je vliegen? Kinderen, in het bijzonder intelligente kinderen, identificeren zich met Harry Potter, die eerst gevangen zit bij zijn stiefouders en in het gezapige wereldje op school ( de kleurloze gewone materialistische realiteit). Harry voelt zich een buitenbeentje op school en wordt veracht door zijn stief-familie. Uiteindelijk blijkt hij altijd al een echte tovenaar geweest te zijn en wordt het vreemde jongetje met zijn brilletje op Hogwarts zelfs populair. Jonge Harry Potterfans fantaseren niet zo zeer alleen over heksen, maar veel meer over hoe populair en succesvol op school te zijn. De christelijke problematiek rondom Harry Potter is dat hij op een school voor heksen zit. Christenen weten dat heksen niet alleen fantasiekarakters zijn, maar dat ze echt zijn, of het nu openlijke satansaanbidders zijn of de neo-heidense aanbidders van de wicca-beweging, in feite is dat lood om oud ijzer. Verdedigers van Harry Potter kunnen er op wijzen dat de Hogwarts-heksen niets met wicca of zwarte magie te maken hebben. Ze zijn helemaal niet slecht en indoctrineren de kinderen niet met de New Age natuurleer. Deze heksen zijn de heksen uit de sprookjes met bezems en toverformules, met dit verschil dat ze goed zijn (zoals de goede heks in ’De Tovenaar van Oz’). Het is zelfs zo dat Harry bezig is een tovenaar te worden zoals Gandalf in Tolkiens ‘Lord of the Rings’, geen gemene tovenaar. En toch is het goed ons te realiseren dat we in een tijd leven waarin hekserij steeds meer de kop op steekt in onze jeugdcultuur, met boeken als ‘Hoe word ik een heks‘ en andere die gericht zijn op teenagers. Christenen wijzen dit terecht af. In sprookjes zijn de heksen typisch goddeloos en versterken daarmee het verschil tussen goed en kwaad, tussen de krachten van de duisternis en de krachten van het licht. Alles wat dit onderscheid probeert uit te wissen is een reden tot zorg. Harry Potter wist deze lijnen echter niet geheel uit. Er is een openlijk kwade macht in Voldemort, een goddeloze heks, waarmee Harry en zijn maatjes in alle boeken in conflict zijn. Sommigen benadrukken de respectloosheid van Harry ten opzichte van zijn Muggle-stiefouders, die hem opsluiten in zijn studeerkamer om daar te slapen. Maar Harry’s echte ouders waren gedood (door Voldemort) en zijn liefde en bewondering voor hen is een belangrijk onderdeel van Harry’s karakter. Harry Potter schiet dus duidelijk tekort, maar is zeker niet zo slecht als anderen. (Zoals de vampier krankzinnigheid , of de video schietspelletjes of de ”Hoe word ik een heks?”-boeken) Als het boek alleen over tovenaars gegaan was en als die bezigheid alleen te vinden was in fantasieverhalen, en niet in de vele hedendaagse hekserijpraktijken, dan zou de mogelijke slechte uitwerking van de Potterboeken meevallen. Christen-ouders hebben gelijk als ze willen vermijden dat hun kinderen met deze boeken in aanraking komen. Maar als het ‘Pottervirus’ hun kinderen al geïnfecteerd heeft, moeten ze voorzichtig te werk gaan. Ouders moeten hun kinderen duidelijk maken dat christenen geen ‘Muggles’ zijn. Met andere woorden, christendom is geen nauwe, materialistische, vervelende wereldvisie, zoals het in de satire van de Potterboeken of tegenwoordige scholen wordt voorgesteld. Het is juist het christendom dat het universum geopend heeft en ruimte geeft voor het natuurlijke en bovennatuurlijke, voor het gewone en het miraculeuze. Het zijn de christenen, die de onzichtbare waarden van schoonheid en goedheid herkennen en die geloven in een werkelijk slagveld tussen de krachten van licht en duisternis. Christenen weten hoe God mens werd in Jezus Christus, die de duivel versloeg en boete deed door voor onze zonden aan het kruis te sterven en daarna weer opstond uit de dood. Dit is het meest verbijsterende van alle verhalen, dat bovendien het diepzinnige voordeel heeft dat het echt waar is. De Bijbel leert het, de geschiedenis bevestigt het en de Heilige Geest laat het ons geloven. Degenen die in bijbelse termen denken hebben een veel groter en meer stimulerend en inspirerend wereldbeeld dan alle andere materialistische en occulte wereldbeelden bij elkaar. De beste manier om de kinderen te beschermen tegen de verwarring door Harry Potter of de verleidingen in de fantasiewereld die nog gevaarlijker zijn, is hen een solide ondergrond te geven in Gods Woord en hen in contact te brengen met goede literatuur, inclusief de fantasieboeken. Om C.S. Lewis te citeren: “Een kind dat draken en heksen uit de ‘goede’ boeken kent, weet dat hij bij hen uit de buurt wil blijven, en wil er zelf geen worden”.

 

Dr. Gene Edward Veith

Professor of English at Concordia University in Wisconsin, culture editor of World Magazine. De auteur van 9 boeken, waaronder ‘Postmodern Times’, en ‘Reading Between the Lines, A Christian Guide to Literature’. Dit artikel is eerder verschenen in Volume 23 / nr. 1 van The Christian Research Journal, zie http:// www.equip.org

 

Vertaald door Gerard Feller

 

1              Quoted in Hillel Italie, “Will Classic Epic Poem Catch on in U.S.?” Associated Press, Milwaukee Journal Sentinel, 26 February 2000, 6B.

2              Much of what follows is taken from my book, Reading Between the Lines: A Christian Guide to Literature (Wheaton, IL: Crossway, 1990), which discusses the issues in more detail.

3              See, e.g., Norma Fox Mazer’s When She Was Good, about child-abuse and running away; Francesca Block’s Weetcie Bat, about homosexuality; and Brook Cole’s The Facts Speak for Themselves, about murder and pederasty.

4              Sir Philip Sidney, “An Apology for Poetry,” Criticism: The Major Statements, ed. Charles Kaplan (New York: St. Martin’s Press, 1985), 132.

5              Ibid., 133.

6              Ibid., 115.

7              William Kirk Kilpatrick, Psychological Seduction (Nashville: Thomas Nelson, 1983), 105-7. See also his title with Gregory Wolfe, Suzanne Wolfe, and Robert Coles, Books That Build Character: A Guide to Teaching Your Child Moral Values through Stories (New York: Simon & Schuster, 1994).

8              For further development of these points, see my book, State of the Arts: From Bezalel to Mapplethorpe (Wheaton, IL: Crossway, 1991), 145–161.

9              Werner Jaeger, Paideia: The Ideals of Greek Culture, trans. Gilbert Highet (New York: Oxford University Press, 1965), xxvii-xxviii.

10            J. R. R. Tolkien, “On Fairy Stories,” The Monsters and the Critics and Other Essays, ed. Christopher Tolkien (Boston: Houghton Mifflin, 1984), 148.

11            Ibid.

12            C. S. Lewis, Surprised by Joy (New York: Harcourt, Brace, & World, 1955), 179, 181.

13            C. S. Lewis, The Voyage of the Dawn Treader (New York: Collier Books, 1970), 1-2.

14            Ibid., 69.

15            Ibid., 71.

16                  G. K. Chesterton, Orthodoxy (London: The Bodley Head, 1908), 73.17                  Bruno Bettelheim, The Uses of Enchantment: The Meaning and Importance of Fairy Tales (New York: Knopf, 1976).18                  Ibid, 141.

 

 

 

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Meditatie en occultisme