Nochtans wil ik juichen in de Here

NOCHTANS WIL IK JUICHEN IN DE HERE

Verborgen tussen de kleine profeten bevindt zich een klein boek, waaruit we een heel aantal geestelijke lessen kunnen leren, met name in tijden van depressie.
Ik vraag me af of je je ooit zorgen maakt over de dingen die in de wereld om je heen gebeuren. Toen ik depressief was. kwam ik op een punt dat ik niet langer de kranten wilde lezen of naar het nieuws wilde luisteren, omdat het allemaal volslagen hopeloos leek. Ik denk niet dat ik met enige overtuiging had kunnen zingen: "De Heer regeert, Zijn Koninkrijk staat vast". Want het leek er op dat het kwade steeds meer de overhand kreeg. Het leek of het nieuws alleen maar melding maakte van nieuwe golven van geweld in ons eigen land of elders. Het leek wel of overal onrust was en afbreuk aan de wet en het gezag werd gedaan. En omdat ik zelf zo in de put zat, was het gewoon teveel om over al deze dingen na te denken.
Vandaag de dag is het nieuws vrijwel gelijk, maar omdat mijn depressie opgeheven is, kan ik er naar luisteren en overspoelt het mij niet. Het is niet zo dat het nieuws veranderd is, maar mijn houding is veranderd. En dat is precies wat er ook met Habakuk ongeveer 600 jaar voor de komst van de Here Jezus gebeurde. Laten wij eens kijken hoe Habakuk precies dezelfde lessen moest leren als wij.

VERWARRING EN VERBIJSTERING

In hoofdstuk 1 treffen we een dialoog aan tussen de profeet en God. Habakuk begon met zijn beklag te maken over de afschuwelijke toestand van de samenleving rondom hem. Het lijkt precies op deze tijd.
"Hoe lang, Here, roep ik om hulp en Gij hoort niet. Schreeuw ik tot U: Geweld, en Gij verlost niet? Waarom doet Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt Gij ellende? Ja, onderdrukking en geweld zijn voor mijn ogen; er is twist en tweedracht verheft zich. Daarom verliest de wet haar kracht en nimmer komt het recht tevoorschijn. Want de goddeloze omsingelt de rechtvaardige, daarom komt het recht verdraaid tevoorschijn." (Habakuk 1:2-4)
Merk op hoe de profeet zijn beklag doet, over een blijkbaar onbeantwoord gebed, over toenemend geweld, over diegenen die onderdrukking en geweld plegen, over wet en gezag die aan kracht verliezen, en over de goddeloze die ten koste van de rechtvaardige voorspoed geniet. We kunnen ons indenken hoe hij zich voelde, toen hij met zijn klachten tot God kwam. Gods antwoord in de verzen 5-11 was zeer zeker niet wat Habakuk verwachtte. God vertelde hem dat Hij de ChaldeeÎn ging toestaan het land in bezit te nemen en dat zij het instrument van het oordeel waren, vanwege de zondigheid van Zijn volk.

We kunnen in het bijzonder opmerken dat God zegt: "IK doe een werk in uw dagen.....IK verwek de ChaldeeÎn...." God was nog op de troon en alles werd volgens Zijn wil uitgevoerd. Maar natuurlijk bracht dit Habakuk in nog grotere verwarring, zoals we uit zijn antwoord in de verzen 12-17 kunnen opmaken. Hij kon begrip opbrengen voor het feit dat Gods volk oordeel en correctie verdiende, maar blijkens zijn vraag in vers 10 vond hij het niet eerlijk, dat God dit oordeel ten uitvoer zou brengen door een natie, die meer verdorven was dan zijn eigen volk. De dingen werden van kwaad tot erger en ik vraag me af of Habakuk het eigenlijk niet betreurde dat hij die vragen gesteld had. Dit was zeer zeker niet het antwoord dat hij verwachtte.

Het is interessant te zien dat Habakuk in dit hoofdstuk drie fundamentele vragen stelt, die van vitaal belang zijn.

  • TEN EERSTE vraagt de profeet; "Hoelang?" in vers 2: Here waarom komt er geen antwoord op mijn gebed? Here hoelang duurt het nog voordat de uitkomst komt? Dit is de zelfde vraag die David in Psalm 13 vier keer stelt.
  • TEN TWEEDE treffen we de vraag aan: "Waarom?" in vers 3. Waarom gebeurt dit allemaal Here? Waarom moet ik door dit alles heen gaan? Waarom komt U niet tussenbeide en doet iets, Here? In Psalm 10:1 stelt de psalmist dezelfde vragen. "Waarom Here, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood?"
  • TEN DERDE vraagt Habakuk in vers 13: "Waarom, met welk doel?" Hij kon de tegenstelling niet begrijpen, waarmee een heilig God een zondig en afgodisch volk zou toestaan de joden onder de voet te lopen en het volk in gevangenschap te nemen. Here, ik begrijp het niet. Het lijkt me niet eerlijk. Het lijkt niet logisch. Het komt op mij over als een complete tegenstelling.
De drie vragen die we in het eerste hoofdstuk van dit boek aantreffen hebben door alle eeuwen heen het verstand van Gods kinderen verbijsterd, en komen ook vaak voor in tijden van depressie.

VERTROUW ME!!

We zullen hoofdstuk 2 eens gaan bekijken en daar zien dat God antwoord geeft op alle drie vragen. We merken eerst even op dat Habakuk een antwoord verwachtte op zijn gebed in vers 1. Dit is natuurlijk van wezenlijk belang. Het heeft geen enkele zin te bidden als we niet verwachten dat God een antwoord gaat geven. In Hebreeën 11:6 lezen we:
"Want wie tot God komt moet geloven dat Hij bestaat en een Beloner is voor wie Hem ernstig zoeken."
Misschien moeten we wachten op een antwoord op gebed. Maar dat zal zeker komen, daar de Heer de profeet in vers drie verzekert: "Als het vertoeft, verbeid het."

Maar de sleutel tot het hele boek Habakuk kun je vinden in vers vier. We kunnen met recht opmerken dat dit in feite de sleutel is tot geheel Gods Woord. Het is de sleutel om het christenleven binnen te gaan en de sleutel om ook als christen te leven. Het is van zo'n vitaal belang dat het drie maal in het Nieuwe Testament herhaald wordt. Het vers begint met te zeggen: "Zie, opgeblazen, niet recht is zijn ziel in hem." De persoon die tevreden is over zichzelf, zichzelf rechtvaardigt en zelfgenoegzaam is, kan geen omgang met God hebben.

"Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven."
Ik zou wel willen dat ik dit kilometers breed in de lucht kon schrijven. Dit is de kern van alle christelijke waarheid.
"Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn." (Hebr.11:6)
"Want door genade zijt gij behouden, door het geloof." (Ef.2:8)
"Want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen." (2 Kor.5:7)
"Neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand." (Ef.6:16)
DIT IS GODS ANTWOORD op de drie vragen die in hoofdstuk 1 gesteld worden. Kun je je voorstellen hoe God tegen de profeet zegt: "Jij vraagt, hoe lang, Habakuk? Maar Ik wil dat je Mij eenvoudig vertrouwt dat Ik op de juiste tijd zal antwoorden. Jij vraagt waarom, Habakuk? Maar Ik wil dat je vertrouwt dat Ik voor je zal zorgen. Jij vraagt waartoe, Habakuk? Ik weet dat jij niet begrijpt wat Ik doe, maar Ik wil dat je Mij eenvoudig vertrouwt." Dit is ook precies wat de Here tot ons zegt, als we dezelfde vragen stellen. "Vertrouw Me, vertrouw Me."

Dit gedeelte helpt ons te verstaan dat ons geloof moet groeien door het te oefenen. Als God onze gebeden altijd onmiddellijk zou beantwoorden; als God de dingen precies zo zou doen zoals wij het ons hadden voorgesteld; als we nooit zouden botsen op de tegenstellingen die God toestaat, dan zou ons geloof slechts op een laag pitje staan. Maar als we God kunnen vertrouwen als Hij ons laat wachten Èn door de beproevingen en stormen van ons leven heen, Èn ook in de schijnbare tegenstellingen die Hij toestaat, dan is ons geloof in een verder gevorderd stadium aangeland.

De rest van hoofdstuk twee spreekt vijf maal het "WEE" uit over het zondige volk. Het is niet helemaal duidelijk wie hier aan het woord is, maar ik heb de indruk dat God hier aan het woord is. Dit lijkt zo te zijn vanwege wat Habakuk in hoofdstuk 3 vers 2 zegt. Ik kan me voor de ChaldeeÎn niets verschrikkelijkers voorstellen dan deze goddelijke weeÎn, die boven hun hoofd hangen. Heel in het kort kunnen ze als volgt worden samengevat:
  • vers 6- 8 WEE hem die anderen met geweld berooft.
  • vers 9-11 WEE die zijn goederen door valse middelen vermeerdert
  • vers 12-13 WEE hem die geweld gebruikt om zijn doel te bereiken
  • vers 15-17 WEE hem die zich overgeeft aan dronkenschap en immoreel handelen
  • vers 18-19 WEE hem die valse goden aanbidt.
We moeten goed in gedachten houden dat God het laatste woord heeft. Het lijkt misschien dat de goddeloze voorspoed heeft en geniet van zijn zondige leven, maar Gods WEE wordt al over zulke mensen uitgesproken.
"Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten, want wat de mens zaait, zal hij ook oogsten." (Gal.6:7)
We kunnen Gods antwoord aan de profeet dus op deze manier weergeven. "Habakuk, jij begrijpt misschien niet wat er aan de hand is. Het zal er op lijken dat de goddeloze voorspoed heeft. Je zult voor jouw problemen geen onmiddellijke oplossing zien. De dingen zullen van kwaad tot erger worden, maar Ik wil dat je Mij vertrouwt. IK zal uiteindelijk met alles klaarkomen en er komt een dag van oordeel, waarop Mijn wraak over het zondige zal uitgestort worden. Er komt een tijd waarop de aarde vervuld zal zijn met de kennis van de heerlijkheid van de Here, zoals de wateren de zee bedekken.(vers 14) In de tussenliggende tijd wil Ik dat je geloof oefent; vertrouw eenvoudig op MIJ."Dit is Gods antwoord op al de vragen uit hoofdstuk 1. En dit is ook voor ons in onze wereld een hulp, als er zoveel is dat ons verbijsterd en ter neer drukt.
"God heeft een dag bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een Man, die Hij aangewezen heeft." (Hand.17:31)
In Psalm 73 kun je lezen hoe Asaf door sommige van dezelfde problemen in de war werd gebracht. Merk zijn conclusies in de verzen 17-24 op, en tot welke houding hij kwam in vers 25-28.

VOETEN ALS HINDEN

We zullen nu hoofdstuk 3 bekijken en zien of Habakuk geleerd heeft van Gods aanwijzing. Hij lijkt duidelijk dat deze profeet ÈÈn van de tempelzangers was, en dat dit hoofdstuk geschreven was om als psalm gezongen te worden. Als je het leest, lijkt het ook echt een psalm. Habakuk was ten diepste betrokken bij wat hij had gehoord. Hij was herinnerd aan Gods almacht en hier schreef hij over, terwijl hij daarbij verslag deed, hoe God in vroeger tijden zijn volk bevrijd had. (vers 3-16).

Het is duidelijk dat de schrijver zijn ogen nu vast op de Here en op Zijn beloften gericht had en daardoor niet meer zo over de situatie inzat. Als we de laatste drie verzen van het boek lezen komen we in de verleiding ons af te vragen of dit wel dezelfde persoon kan zijn, die in hoofdstuk 1 zo gedeprimeerd en ontmoedigt was. Wat was er veranderd? Niet de situatie, die bleef net zo slecht als ooit. Maar Habakuks houding ten aanzien van de situatie was veranderd. Hoe beroerd de zaken er ook voor mochten staan, en hij was er zelfs op voorbereid dat het nog slechter zou worden (vers 17), toch zegt hij dat hij in de Here zal juichen en zal jubelen in de God van zijn heil.
Uiterlijke omstandigheden kunnen de persoon, die door geloof zijn wortels in de Almachtige heeft, niet van zijn stuk brengen; net zo min als de stormen de machtige eik kunnen aantasten, die zijn wortels gedurende een periode van vele jaren in de grond heeft ingegraven. Habakuk had de belofte van God nu stevig onder de voeten, en de golven van verbijstering en verwarring die hem omringden, konden hem niet uit zijn positie trekken.

Hoe heerlijk is het te kunnen zeggen: "De Here is mijn kracht." (vers 19) Het herinnert me aan een van mijn favoriete verzen uit de Bijbel. Het is heel eenvoudig en toch uitermate verheven. Er staan in dit vers geen woorden waar je een woordenboek voor nodig hebt, en toch zijn z'n lessen zo groot, dat we ze niet ten volle kunnen bevatten. Ik spreek over psalm 121:2: "Mijn hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft." Stel je eens voor: God, die het heelal gemaakt heeft, staat klaar om door een enkel woord Zijn hulp en Zijn kracht te schenken.
In het licht van dit vers hebben de problemen niet het laatste woord. Er is uitzicht in de moeilijkheden, omdat ik hulp kan verwachten van Een, Die Almachtig is. Habakuk eindigt dan met een uitdrukking, waarvan ik me voorstel dat hij die als een tempelzanger vele malen gezongen moet hebben. "Die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan."

David heeft deze woorden ook uitgesproken ten tijde dat hij verlost werd uit de hand van Saul. (2 Sam.22) Je zult je herinneren dat hij jarenlang als een vluchteling achtervolgd is. Met zijn volgelingen was hij ontsnapt aan Sauls aanvallen en had heel wat tijd doorgebracht in woest en onherbergzaam gebied, waarbij de grotten vaak zijn thuis waren. Zonder twijfel had hij de berghinden gade geslagen. Deze bewogen zich met gemak over de rotsachtige gebergten, waar een mens slechts met pijn en moeite op handen en voeten voort kan krabbelen. Zie je, God had de voeten van de hinden zo ontworpen, dat ze voor dit landschap geschikt waren. Hij had er voor gezorgd dat ze makkelijk en in absolute veiligheid over deze heuvels konden springen en rennen.
Als het aankomt op de heuvels van moeiten en bergen van beproeving, is God in staat ons voeten te geven die dit aankunnen. Uit onszelf zouden we proberen op handen en voeten vooruit proberen te kruipen, waarbij we ons zouden bezeren en verwonden, maar Habakuk zegt met stelligheid: "Hij zal mijn voeten maken als die der hinden." Hiervoor kunnen we naar de Here opzien, zodat de lasten die ons dreigen te vermorzelen, stenen worden waar we in geloof overheen kunnen stappen.

OPZIEN NAAR HEM

Aan het eind van dit boek zien we dus een heel andere Habakuk dan we aan het begin zagen. Hij begon vol vragen, twijfels, klachten en onbegrip, maar hij eindigt triomferend, met zijn geloof vast gevestigd op de beloften van God.

Samengevat is de les van dit boek, dat we onze ogen van de omstandigheden moeten afwenden en op de Here en zijn beloften moeten vestigen. Nehemia moest het volk aan dezelfde les herinneren, toen ze overweldigd werden door de bedreigingen van de vijanden en de hoeveelheid afval die ze, ten tijde dat ze de muren van Jeruzalem zochten te herbouwen, moesten verwijderen.
Lees hoofdstuk 4 en let eens bijzonder op vers 14. "Denk aan de grote en geduchte Here", alsof Nehemia moest zeggen: jullie hebben naar de moeilijkheden gekeken. Vestig nu je ogen op de Here, die ons bevolen heeft te herbouwen en die beloofd heeft ons te zegenen en ons voorspoedig te doen zijn. Jesaja had voor het volk van zijn dagen een soort gelijke boodschap. Lees hoofdstuk 40 en denk eens bijzonder over de eerste woorden van vers 10 na. "Zie, hier is uw God." Veel van dit hoofdstuk bevat beschrijvingen over Gods grootheid en macht. Tot onze grote troost vinden we hier dat zijn macht beschikbaar is voor ons. In vers 29 staat: 

"Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte."
Petrus moest dezelfde les leren, terwijl hij over de golven liep. Het gaat mis als we naar de golven om ons heen kijken. We moeten onze ogen op de Here gericht houden. En in tijden als je het gevoel hebt, dat je zinkt, kijk dan op naar Hem, die Zijn hand uitgestrekt heeft en Hij zal je vastgrijpen en je omhoog trekken.
Overgenomen uit "Sheila" door Alan Greenbank.
M. BLANKENBURGH
Categorie: Bijbelstudies: bemoedigend