Neo Theïsme

Neo-theïsme              alt   

© door Norman L. Geisler

 

Samenvatting


Er is een nieuwkomer op het terrein van wereldbeschouwing, genaamd ‘neo-theïsme’. Hoewel de aanhangers van deze visie beweren zich in het kamp van het theïsme te bevinden, maken zij een aantal belangrijke aanpassingen in de aard van de theïstische God in de richting van proces-theologie of panentheïsme(de zienswijze dat Godinwonendis in het gehele universum, dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht is in het universum). Deze aanhangers beweren onder andere dat God van gedachten kan veranderen en dat Zijn kennis van de toekomst niet onfeilbaar is. Sinds een aantal bekende evangelische denkers het neo-theïsme aanhangen, vormt dat een belangrijke bedreiging voor het orthodoxe begrip van God. Immers, als God niet zeker weet wat er in de toekomst zal gebeuren, dan zouden voorspellingen die in de Bijbel vermeld staan, verkeerd kunnen zijn. Hoewel deze visie niet ketters is, is het toch een belangrijke leerstellige afwijking ten opzichte van het traditionele theïsme en zouden ze zowel de traditionele Arminiaanse en Calvinistische opvattingen* over predestinatie kunnen ondermijnen.

 


Het wezen van God is het meest fundamentele thema in elke theologie.

Immers dat is het centrale onderwerp van de theologie. Daarmee staat of valt elke belangrijke leer. Vanaf het begin van haar bestaan is het orthodoxe christendom onverdeeld theïstisch geweest. Onlangs heeft een nieuwe kijk op het wezen van God deze prominente geschiedenis ernstig uitgedaagd. Deze opvatting beweert orthodox te zijn, maar streeft er niettemin ijverig naar om grote veranderingen aan te brengen in de klassieke theïstische visie. Verschillende voorstanders van deze opvatting, waaronder Clark Pinnock, Richard Rice, John Sanders, William Hasker, en David Basinger, hebben samengewerkt in een boek met de titel ‘De Openheid van God’ (1). Andere christelijke denkers waaronder Greg Boyd, Stephen Davis, Thomas Morris en Richard Swinburne delen dezelfde standpunten of hebben sympathie voor deze visie betuigd (2).


Neo-theïsten hebben hun visie ‘de openheid van God’ of het ‘vrije wil theïsme’ genoemd. Anderen hebben deze nieuwe vorm van theïsme een vorm van proces- theologie of panentheïsme genoemd vanwege haar belangrijke overeenkomsten met deze opvatting (3). Toch lijkt het om verschillende redenen meer toepasselijk om het neo-theïsme te noemen. Ten eerste kent het significante verschillen met het panentheïsme van Alfred North Whitehead, Charles Hartshorn, en anderen (4). Net als het klassieke theïsme bevestigt het neo-theïsme veel van de essentiële eigenschappen van God, zoals oneindigheid, noodzakelijkheid (onmisbaarheid), ontologische onafhankelijkheid, transcendentie, alwetendheid, almacht en alomtegenwoordigheid. Evenzo deelt het met het traditionele theïsme het geloof in de schepping ‘ex nihilo’ (‘uit het niets’) en een direct bovennatuurlijk goddelijke ingrijpen in de wereld. Omdat proces-theologie al deze dingen ontkent, lijkt het niet juist om neo-theïsme als een subcategorie van dat standpunt te zien.

 

Echter, omdat er duidelijke verschillen bestaan tussen het nieuwe theïsme en het klassieke theïsme, past het neo-theïsme evenmin goed in de laatste categorie. Immers het neo-theïsme ontkent Gods voorkennis van toekomstige vrije handelingen en, als gevolg daarvan, Gods volledige soevereiniteit over menselijke keuzen  en gebeurtenissen. Deze afwijkingen ten opzichte van twee millennia christelijke theologie zijn ernstig genoeg om er een andere naam aan te geven. Het lijkt daarom passend om het neo-theïsme te noemen.


Een voorstander, Clark Pinnock, heeft neo-theïsme correct geplaatst bij het geven van de titel ‘Tussen klassiek en proces-theïsme’ aan een hoofdstuk in zijn boek Process Theology(Proces-theologie). Hoe het ook wordt genoemd, deze visie is een ernstige uitdaging voor het klassieke theïsme en een ernstige bedreiging voor veel belangrijke leerstellingen en praktijken die op die visie gebouwd zijn. Omdat de aanhangers graag in het orthodoxe theïstische kamp willen worden geplaatst, hebben zij begrijpelijkerwijs hun visie in die richting naar voren bracht. Laten we de diverse kenmerken van hun visie onderzoeken.

KENMERKEN EN INCONSISTENTIES VAN HET NEOTHEÏSME
Als nieuwkomer wil het neo-theïsme zichzelf duidelijk, zichtbaar en aantrekkelijk maken. Voorstanders noemen vijf kenmerken:
1. God creëerde niet alleen deze wereld vanuit het niets (ex nihilo), maar kan (soms ook de facto) eenzijdig ingrijpen in aardse zaken.

2. God koos ervoor om ons een vrije wil te geven (5) - de vrijheid waarover Hij geen totale controle kan uitoefenen

3. God waardeert de vrijheid - de morele integriteit van vrije wezens en een wereld waarin een dergelijke integriteit mogelijk is – zo hoog dat Hij normaliter die vrijheid niet terzijde schuift, zelfs als Hij ziet dat het ongewenste resultaten met zich meebrengt.

4. God verlangt altijd onze hoogste welzijn, zowel individueel als maatschappelijk, en leeft mee met wat er in ons leven gebeurt5. God bezit geen volledige kennis over hoe wij onze vrijheid zullen gebruiken, hoewel Hij soms met grote nauwkeurigheid kan voorspellen welke keuzes we zullen maken (6).
Neo-theïsme is een vorm van theïsme, en mag dus niet worden gezien als een ketterij. Toch is het een belangrijke leerstellige afwijking ten opzichte van het traditionele theïsme dat de basis is van de historische orthodoxie. Als zodanig verdient het een zorgvuldige analyse. Als we uitgaan van wat neo-theïsten over God geloven, is neo-theïsme inconsistent. Bovendien is het een overbodige dwaling: de klassieke theïstische visie op God kan logisch worden afgeleid uit de veronderstellingen van het neo-theïsme, terwijl de centrale wens van neo-theïsten m.b.t. een interactieve God mogelijk is zonder de klassieke theïstische visie op God los te laten. Dit zijn slechts enkele van de problemen met neo-theïsme, die duidelijk zichtbaar zijn. Om de logische inconsistentie van neo-theïsme nader te willen onderzoeken, zal het nodig zijn om een ​​aantal filosofische basisbegrippen te behandelen. Aan het eind van het artikel is een verklarende woordenlijst opgenomen om de lezers te helpen het volgende hoofdstuk te kunnen lezen.


Schepping vanuit het niets (ex nihilo) vereist theïsme, niet neo-theïsme
Evenals het theïsme verklaart het neo-theïsme dat God het universum vanuit het niets (ex nihilo) geschapen heeft. Het bestaan van God is dus onafhankelijk van Zijn schepping. Dat wil zeggen: ook als er geen wereld zou bestaan, dan zou God Zelf er toch zijn. Maar toch beweren neo-theïsten dat ze Gods ‘traditionele’ eigenschappen van volkomen onafhankelijkheid (onafhankelijk van welke oorzaak dan ook) en eeuwigheid (niet-tijdelijkheid) kunnen ontkennenLogischerwijs kunnen zij niet beide beweren.

 

Gods eeuwigheid volgt uit de schepping vanuit het niets

Als God het hele tijd-ruimtelijke universum geschapen heeft, dan is de tijd een deel van het bestaan van de kosmos. Kortom, God schiep de tijd. Bovendien, als de tijd iets is dat het wezen van de schepping is, dan kan het niet een kenmerk zijn van God die Zelf ongeschapen is.
Als een neo-theïst beweert dat de tijd al bestond vóór de schepping, dan ontstaan er enkele logische problemen​​.

Want een vraag zou zijn of de tijd ‘binnen’ God is, dus een deel is van Zijn wezen, of buiten Hem. Indien binnen God, hoe kan God dan bestaan zonder een begin, aangezien een oneindig aantal tijdelijke momenten onsamenhangend lijkt te zijn (zoals aanhangers van het Kalam-argument, een bepaald type kosmologisch argument,met betrekking tot Gods bestaan ​​hebben beweerd).

Als, aan de andere kant, de tijd ‘buiten’ God zou zijn, dan ontstaat een soort van dualisme. Want als de tijd buiten God zou zijn, dan moeten we ons afvragen of het een begin had of niet. Als dat geen begin had, dan zou kunnen worden betoogd dat er iets buiten God is dat Hij niet gemaakt had, want de tijd zou net zo eeuwig zijn als Hij Zelf is. Dit is niet langer het theïsme in zowel de klassieke als neo-theïstische zin. Maar als de tijd buiten God zou bestaan en een begin had, dan moet God het hebben geschapen (aangezien alles wat een begin heeft een oorzaak heeft). In dit geval zijn we direct weer terug bij de theïstische positie die zegt dat God de tijd schiep, en dat God als de Schepper van de tijd dus Zelf niet tijdelijk is.

 

Gods transcendentie (bovenzintuiglijkheid) impliceert Zijn niet-tijdelijkheid, dus Zijn eeuwigheid

Volgens het neo-theïsme staat God boven de schepping. Hij is meer dan en anders dan de hele tijd-ruimtelijke wereld. Echter, als God boven de tijd staat, dan kan Hij niet tijdelijk zijn. De neo-theïst zou kunnen antwoorden dat God ook immanent is in de tijdelijke wereld, en alles wat immanent is in het tijdelijke is ook tijdelijk. Maar een goed verstaan van Gods immanentie maakt Hem niet een deel van de wereld (zoals in het panentheïsme), maar alleen aanwezig in de wereld (zoals in het theïsme). God is in de wereld in overeenstemming met Zijn wezen en Zijn wezen is niet-temporeel. Hij is in de wereld op een niet-temporele manier.
Bijvoorbeeld, God is een wezen zonder Wie niets kan bestaan. Als zodanig is Hij immanent (inwonend) in de vergankelijke wereld, maar dit betekent niet dat Hij vergankelijk is. Integendeel, God als bron van alle bestaan is immanent in het vergankelijke bestaan in overeenstemming met Zijn wezen, dat noodzakelijk is (als bron van dat bestaan). Als Schepper Hij is immanent in Zijn schepping. Dit betekent niet dat Hij deel van de schepping is alleen maar omdat hij aanwezig is. Daarom betekent de immanentie van een eeuwige God in een tijdelijke wereld niet dat God tijdelijk zou zijn. Dat God Zelf geen oorzaak heeft maar Zelf oorzaak van alle bestaan is, impliceert Zijn volmaakte zijn (onvoorwaardelijkheid/onoorzakelijkheid)(Pure Actuality)

De nieuwe theïsten geloven ook dat God Zelf niet is veroorzaakt door een ander wezen, maar dat Hij Zelf de oorzaak is van alle andere wezens. Maar als Gods wezen Zelf geen oorzaak heeft, dan moet Hij in Zichzelf volmaakt zijn. Want alles wat niet veroorzaakt is, zou nooit kunnen bestaan, en wat nooit is ontstaan heeft geen bestaansmogelijkheid in zijn wezen. Maar als het niet kan zijn ontstaan, dan moet het onoorzakelijk(Pure Actuality)zijn. Om het anders te zeggen: als God Zelf geen oorzaak heeft, dan heeft hij ook geen voorwaarden om te bestaan nodig. Om te worden veroorzaakt is nodig dat het potentieel ervan verwerkelijkt wordt. Maar wat geen verwerkelijkt potentieel heeft, had geen mogelijkheid om te worden gerealiseerd. Vandaar dat God volkomen volmaakt in Zichzelf (Pure Actuality)moet zijn geweest. Dus het geloof van de neo-theïst dat God geen geschapen Wezen is, impliceert logischerwijs datgene wat ze zeggen te verwerpen, namelijk dat God in Zichzelf een volkomen volmaakt Wezen is zonder de mogelijkheid om niet te bestaan. De klassieke theïstische visie op God volgt ook uit het geloof van de neo-theïst dat God een noodzakelijk wezen is; want als God een noodzakelijk wezen is dan is het niet mogelijk dat Hij niet kan bestaan, met andere woorden: er is in God geen mogelijkheid dat Hij niet zo bestaan. Nogmaals, als God geen voorwaardelijkheid in Zijn wezen nodig heeft, dan is Hij volmaakt, compleet in Zichzelf, je zou ook kunnen zeggen: volkomen Zelfgenoegzaam. Daarom volgt de klassieke theïstische visie op God uit hetgeen neo-theïsten toegeven over God. Maar toch verwerpt het neo-theïsme Gods eigenschap van volmaaktheid, volkomen Zelfgenoegzaamheid. Vandaar dat het neo-theïsme inconsistent en niet-samenhangend is.

 

THEOLOGISCHE GEVOLGEN VAN HET NEO-THEÏSME
Naast de filosofische incoherentie van het neo-theïsme zijn er een aantal ernstige theologische consequenties. Verschillende ervan zullen hier kort worden opgesomd.


Voorspellende profetie zou feilbaar zijn
Als alle voorspellende profetie, waarbij menselijke vrije keuzen een rol spelen, voorwaardelijk is, dan zou de Bijbel niet kunnen voorspellen waar Jezus geboren zou worden. Micha had echter voorspeld dat Jezus geboren zou worden in Bethlehem (Micha 5:02), zoals inderdaad gebeurd is. Sterker nog, de Bijbel voorspelde ook wanneer Hij zou sterven (Daniël 9:25-27), hoe Hij zou sterven (Jes. 53), en hoe Hij zou opstaan uit de dood (Ps. 16:10; Handelingen 2:30 -31). Ofwel deze voorspellingen zijn onfeilbaar of anders waren ze gewoon gissingen van Gods kant. Als ze onfeilbaar zijn, dan ziet het neo-theïsme het verkeerd, want volgens hen kan God geen onfeilbare voorspellingen maken. Aan de andere kant, als ze niet onfeilbaar zijn, dan was God alleen maar aan het gissen.
Hetzelfde geldt voor de meeste, zo niet alle, profetieën over de Messias. Dergelijke profetische vervullingen waren in de tijd ergens afhankelijk van vrije keuzes, die - volgens het neo-theïsme - God niet wist. Bijvoorbeeld, als God toekomstige vrije handelingen niet met zekerheid kent, dan weet Hij niet dat het beest en de valse profeet in de poel des vuurs zullen worden geworpen. De Bijbel zegt echter dat ze daar zullen zijn (Openb. 19:20; 20:10). Dus ofwel deze profetie is mogelijk vals, of het neo-theïsme is niet correct. Met andere woorden, als het neo-theïsme waar is, dan zou deze voorspelling onjuist kunnen zijn.
Er moet nog een ander punt worden bekeken. Neo-theïsten beweren dat "het probleem met de traditionele visie op dit punt is dat er vanuit Gods gezichtspunt geen ‘indien’ bestaat. Als God de toekomst volledig kent, verliezen voorwaardelijke profetieën hun integriteit" (7). Dit argument verwart twee gezichtspunten. Natuurlijk, vanuit Gods perspectief is alles zeker omdat Hij de toekomst onfeilbaar kent. Zoals hierboven vermeld, betekent dit niet dat vanuit het menselijk standpunt bezien deze acties niet vrij gekozen zouden zijn. Het is eenvoudig zo dat God zeker wist hoe mensen hun vrije keuze zouden uitoefenen.


Het ondermijnt de toets voor valse profetie
Als alleprofetie voorwaardelijk is, dan kan er niet zoiets bestaan als valse profetie. Het Oude Testament echter geeft een toets voor het onderscheiden van valse profeten, waarvan er een de vraag is of de voorspelling uitkomt. "Als datgene, wat een profeet zegt te spreken in de naam van de Heer, niet plaatsvindt of uitkomt, dat is dat een boodschap die de Heer heeft niet gesproken. Die profeet heeft aanmatigend gesproken" (Deut. 18:22). Indien de neo-theïst gelijk zouden hebben, zou deze test niet geldig zijn.


Het ondermijnt de onfeilbaarheid van de Bijbel
Het gegeven dat neo-theïsten ontkennen, dat God de uitkomst van toekomstige vrije handelingen zou kennen, doet Gods alwetendheid en almacht verminderen, maar het houdt ook een ontkenning in van de onfeilbaarheid van de Bijbel, waarin enkele neo-theïsten (bijv. Pinnock) zeggen te geloven. Als al deze profetieën voorwaardelijk zijn, dan kunnen we er nooit zeker van zijn dat ze zullen gebeuren. Maar de Bijbel bevestigt dat ze echt zou gebeuren. Volgens neo-theïsten zijn zulke uitspraken niet onfeilbaar, en kunnen dus fout zijn. Onder de veronderstelling dat God slechts kan gissen, is het redelijk om te veronderstellen dat sommige verkeerd zijn. Het is een soort cirkelredenering om aan te nemen dat het gewoon zo gebeurde omdat al Zijn gissingen goed bleken te zijn. Uiteindelijk draaien neo-theïsten Deuteronomium 18:22 om en vinden Mozes aanmatigend in het voorspellen van goddelijk geïnspireerde, onfeilbare profetie.

 

Het leidt logischerwijs tot universalisme.

De neo-theïsten wedden op twee paarden door te bevestigen dat God het morele recht heeft om soms in te grijpen tegen de vrije wil van de mens in teneinde Zijn ultieme wens, namelijk het behouden van de mensheid, te garanderen. Het bezwaar is echter dat het de gehele neo-theïstische positie ondermijnt en leidt tot universalisme. Want als het in de ogen van God goed is om soms de vrijheid geweld aan te doen ten behoeve van onze redding, waarom dan niet altijd? Immers, neo-theïsten geloven dat God wil dat alle mensen behouden worden (1 Tim. 2:4; 2 Petrus 3:9). Daardoor vloeit universalisme logisch voort uit deze twee veronderstellingen. Want als God echt wil dat iedereen gered wordt, en Hij hun vrije wil kan schenden om hun redding te verzekeren, dan zal Hij dat toch zeker doen. Vandaar dat neo-theïsme lijkt te leiden tot universalisme.
God kan geen uiteindelijke overwinning over het kwade garanderen
Omdat neo-theïsts volhouden dat God de toekomst niet zeker weet en dat Hij niet ingrijpt tegen de vrijheid, behalve in zeldzame gevallen, dan lijkt daaruit te volgen dat er geen garantie is van een uiteindelijke overwinning op het kwaad. Hoe kan Hij er zeker van zijn dat iedereen gered zal worden zonder de vrijheid aan banden te leggen? Iedere beperking van de vrijheid is in tegenspraak met de neo-theïstische  libertijnse visie over de vrije wil (zie eindnoot nr. 4). Een dergelijke opvatting is in strijd met de Bijbel, die voorspelt dat satan zal worden verslagen, dat het kwaad zal worden overwonnen, en dat velen zullen gered worden (Openbaring 20-22). Maar omdat dit volgens de neo-theïst een morele vraag die uitgaat van de (libertijnse) vrije wil, dan volgt daaruit dat God dit niet onfeilbaar kon weten. Als neo-theïsme (Opm. PG in welk opzicht?) waar zou zijn, dan zijn noch God noch de Bijbel volledig onfeilbaar en betrouwbaar zijn.Maar, zoals we hebben opgemerkt, sommige neo-theïsten beweren dat het wel zo is. Maar dan zijn ze inconsistent.


Het is in strijd met Gods onvoorwaardelijke beloften
Het is duidelijk dat niet al Gods beloften die in de Bijbel genoemd zijn, voor iedereen zijn. Sommige zijn alleen bedoeld voor enkele mensen (Gen. 4:15). Andere zijn alleen bedoeld voor een bepaalde groep mensen (Gen. 13:14-17). Sommige hebben slechts betrekking op een bepaalde tijd (Ef. 6:3). Veel beloften zijn voorwaardelijk, dat wil zeggen afhankelijk van menselijk gedrag. Ze zijn voorwaardelijk geformuleerd met het woord ‘indien’. Het verbond met Mozes is een voorbeeld van dit type. God zei tegen Israël: "Indien jullie Mij volledig gehoorzamen en Mijn verbond houden, dan zult gij uit alle natiën Mijn kostbare bezit zijn" (Ex. 19:5, cursivering van de auteur).


Andere beloften zijn onvoorwaardelijk. Bijvoorbeeld de landbelofte aan Abraham en zijn nageslacht. Dit blijkt uit de feiten dat (1) geen voorwaarden werden toegevoegd; (2 ) Abrahams instemming werd niet gevraagd; (3) het vond plaats terwijl Abraham in een diepe slaap was (Gen. 15:12) (4) het verbond werd eenzijdig vastgesteld door God, die tussen de stukken door ging (Gen. 15:17-19), en ( 5 ) God bevestigde deze belofte, zelfs als Israël ontrouw was (2 Kron. 21:07). Dergelijke onvoorwaardelijke beloften die vrije keuzes impliceren, zouden niet mogelijk zijn, tenzij God alle  toekomstige vrije keuzes van tevoren wist.  


Neo-theïsten gebruiken 1 Koningen 2:1-4 als een voorbeeld van hoe een schijnbaar onvoorwaardelijke belofte toch echt voorwaardelijk is. God beloofde David met betrekking tot zijn zoon Salomo: "Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik haar heb doen wijken van Saul, die Ik voor uw aangezicht heb weggedaan" (2 Sam. 7:15-16). Later leek God echter Zijn belofte te hebben terug genomen, waardoor het afhankelijk werd van de vraag of Salomo en zijn nakomelingen "getrouw vóór Zijn aangezicht zouden wandelen" (1 Koningen 2:1-4). Op basis van deze passages beredeneren zij dat alle schijnbaar onvoorwaardelijke beloften in werkelijkheid toch voorwaardelijk zijn.
Dit argument klopt niet om diverse redenen. Ten eerste is het ‘non sequitur’ (een onjuiste redenering) omdat de conclusie veel breder dan is dan de premissen. Zelfs als dit een voorbeeld zou zijn van een geïmpliceerde voorwaarde, zou het niet bewijzen dat alle beloften voorwaardelijk zijn.
Ten tweede ziet het de vele gevallen in de Schrift over het hoofd (zie hierboven), waar sprake is van onvoorwaardelijke beloften. Dit zijn tegenvoorbeelden die de stelling dat al Gods beloften voorwaardelijk zijn, weerleggen.
Ten derde is het in strijd met de neo-theïstische visie van God. Immers deze stelt dat God een ontologisch onafhankelijke Wezen is, terwijl Gods kennis een onderdeel is van Zijn essentie of wezen. Hoe kan Gods kennis dan afhankelijk zijn van iets anders? (8).
Tenslotte het belangrijkste punt, het argument is gebaseerd op het niet onderscheiden dat de twee teksten naar twee verschillende dingen verwijzen. In 2 Samuël sprak God tot David over het nooit wegnemen van het koninkrijk van zijn zoon Salomo. Deze belofte werd vervuld, want ondanks de zonden van Salomo

(1 Koningen 11:1-2), werd tijdens zijn hele leven het koninkrijk niet van hem afgenomen. In feite is de vervulling duidelijk gesteld toen God tegen Salomo zei: “Omdat het zo met u gesteld is, dat gij mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden had, niet in acht genomen hebt, zal Ik voorzeker het koninkrijk van u afscheuren en het uw knecht geven. Maar bij uw leven zal Ik dat niet doen, ter wille van uw vader David; uit de hand van uw zoon zal Ik het afscheuren " (1 Koningen 11:11-12, cursivering van auteur). Zo heeft God Zich gehouden aan Zijn belofte aan David over Salomo.
De andere tekst (1 Koningen 2:1-4) spreekt niet over Gods belofte aan David betreffende Zijn zoon Salomo. Integendeel, het verwijst naar God Die het koninkrijk van een van Salomo’s zonen afneemt. Hier werd geen onvoorwaardelijke belofte gedaan. Op zijn sterfbed vermaande David Salomo met de woorden: “wandel op Zijn wegen en onderhoud Zijn inzettingen en geboden … opdat gij voorspoedig volvoeren moogt alles wat gij doet en alles wat gij onderneemt, opdat de HERE het woord gestand moge doen, dat Hij aangaande mij gesproken heeft: Indien uw zonen op hun weg acht geven en in trouw, met hun gehele hart en met hun gehele ziel, voor mijn aangezicht wandelen, dan zal het u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël" (1 Koningen 2:3-4 , cursivering van auteur). Deze belofte was voorwaardelijk (‘indien’) en beperkt tot Salomo's zonen. Het zei niets over Salomo aan wie God een onvoorwaardelijke belofte had gegeven, dat Hij tijdens zijn leven zijn troon niet van hem zou afnemen.


Het ondermijnt het vertrouwen in Gods beloften
Een van de praktische gevolgen van het voorwaardelijk maken van alle voorspellingen is dat dit het vertrouwen in Gods Woord ondermijnt. Als we er niet zeker kunnen zijn dat zelfs God Zijn woord kan houden, dan ondermijnt dat ons geloof in Zijn betrouwbaarheid. De Bijbel zegt echter dat we Gods Woord onvoorwaardelijk kunnen aanvaarden.

Soms zegt dat dit expliciet in de context van de bevestiging dat Hij weet "het einde van het begin" (Jes. 46:10). In dit verband schreef Paulus, "als wij ontrouw zijn, zal hij trouw blijven, want hij kan zichzelf niet verloochenen" (2 Tim. 2:13).

Nogmaals, hij herinnert ons eraan dat “Gods genadegaven en Zijn roeping onberouwelijk zijn" (Rom. 11:29). Vandaar dat met betrekking tot deze onvoorwaardelijke beloften wordt gezegd: “Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt" (Rom. 9:16).

 

Het belemmert het geloof in Gods vermogen om ons gebed te beantwoorden
Ondanks het feit dat neo-theïsten hoog opgeven van Gods dynamische mogelijkheid om het gebed te beantwoorden, lijkt het er in werkelijkheid op dat hun idee van God het vertrouwen in Gods gebruik van speciale voorzieningen in het beantwoorden van gebed ondermijnt. Ze geven toe, zij moeten ook wel, dat de meeste antwoorden op gebed niet per se een direct bovennatuurlijk ingrijpen in de wereld betekenen. Maar toch werkt God op ongebruikelijke manieren door bijzondere voorzieningen om ongewone dingen te volbrengen. Maar een God die niet precies zou weten welke eventuele toekomstige vrije (menselijke) beslissingen zullen worden genomen, is sterk beperkt in zijn vermogen om dingen te doen die alleen kunnen worden gedaan door een God die elke beslissing kent. Dus, ironisch genoeg is de neo-theïstiche God een verplichting, een garantie tot gebedsverhoring, iets wat zij ​​ voor een persoonlijke God uiterst belangrijk vinden.


Het impliceert dat God zou niet weten wie de uitverkorenen zijn
Als neo-theïsten gelijk hebben, dan weet God niet wie Zijn heil zullen accepteren. Ze denken aan een collectieve verkiezing, waarvan God weet dat Christus uitverkoren is en vandaar allen die in Hem uitverkoren zijn, wie ze ook zijn. Maar er zijn ernstige problemen met deze visie. De Bijbel vertelt ons dat er een aantal uitverkorenen zal zijn, maar volgens de visie van de neo-theïsten zou God er niet eens zeker van kunnen zijn dat er überhaupt uitverkorenen zullen zijn. De ‘bus’ met bestemming Hemel zou leeg kunnen zijn als alle uitgenodigde bewoners vrij konden kiezen om niet in de bus te stappen. Bovendien, hoe zouden ze er zeker van kunnen zijn dat die ‘bus’ naar de hemel gaat? Immers, volgens hun mening kunnen ze niet eens zeker van zijn dat Christus ervoor zou kiezen om het kwaad te weerstaan (want vermoedelijk had ook Hij een vrije wil). Geen wonder dat een vertegenwoordiger van proces- theologie, waardoor de visie van de neo-theïsten is beïnvloed, zei dat God met ingehouden adem afwacht om te zien hoe de dingen zullen uitpakken!
Deze conclusie is in strijd met de Bijbel. De Schrift vertelt ons dat Christus “het Lam is dat geslacht is sinds de grondlegging van de wereld" (Openb. 13:08) en dat sommige individuen in Hem werden verkoren vóór de wereld werd geschapen (Rom. 8:29; Ef. 1:4). Maar dit zou niet mogelijk zijn, tenzij God hun toekomstige vrije keuzes zou kennen. Tot slot rekende Paulus zichzelf tot degenen die God kende en koos voor de grondlegging van de wereld (Ef. 1:4). Als God toekomstige vrije handelingen niet zou kennen, zou dit niet mogelijk zijn geweest.

 

Een kaartenhuis
Samenvattend, als neo-theïsten beweren dat God oneindig en alwetend is en een onafhankelijke Schepper is van deze wereld vanuit het niets, dan is hun opvatting dat Hij veranderlijk en tijdelijk is, en toekomstige vrije handelingen niet kent, daarmee onverenigbaar. Inderdaad, de enige consistente manier om dat laatste te geloven is dat neo-theïsten hun theïsme volkomen verzaken en voor panentheïsme kiezen. Het neo-theïstische huis is een kaartenhuis: het heeft geen consistente structuur. De aanhangers ervan wonen in een theologisch niemandsland. Ze kunnen niet van twee walletjes eten. Er is geen logische grens tussen het klassieke theïsme en het hedendaagse panentheïsme. De traditionele kenmerken van God staan ​​of vallen ermee.

 
De uitdaging is deze: "Kiest dan heden, wie gij dienen zult" (Joz. 24:15). De alternatieven zijn de in Zichzelf bestaande IK BEN van de Schrift, die zegt: "Ik, de Here zal niet veranderen" (Mal. 3:6 ) en die "van den beginne de afloop verkondig" (Jes. 46:10), of de god van het proces volgens Whitehead die met ingehouden adem afwacht om te zien hoe de dingen zullen blijken te zijn. Maar ik en mijn huis zullen de God van Augustinus, Anselmus en Thomas van Aquino kiezen. Hun theïsme is nog altijd de beste manier om te reizen over de theologische weg!


©Norman L. Geisler

 

 

is voorzitter van de Southern Evangelical Seminary in Charlotte , North Carolina, en is de auteur van meer dan 40 boeken, waaronder Creating God in the Image of Man? The New “Open” View of God — Neotheism’s Dangerous Drift(God scheppen naar hetbeeld van de mens? De nieuwe ‘open’ visie op God – Neo-theisme als gevaarlijke stroming (Bethany House, 1997).

 

Nederlandse vertaling: Stichting Promise, oktober 2013


OPMERKINGEN


1. Clark Pinnock, et al., The Openness of God: A Biblical Challenge to the Traditional Understanding of God(Downers Grove, IL: InterVarsity Press, 1994).

 

2. Wij noemen onder andere: Richard Rice, God’s Foreknowledge and Man’s Free Will (Minneapolis: Bethany House, 1985); Ronald Nash, ed., Process Theology (Grand Rapids: Baker Books, 1987); Greg Boyd, Trinity and Process (New York: Peter Lang, 1992) and Letters from a Skeptic (Colorado Springs: Victor Books, 1994); J. R. Lucas, The Freedom of the Will (Oxford: Oxford University Press, 1970) and The Future: An Essay on God, Temporality and Truth (London: Basil Blackwell, 1989); Peter Geach, Providence and Evil (Cambridge: University Press, 1977); and Richard Swinburne, The Coherence of Theism (Oxford: Oxford University Press, 1977). Thomas V. Morris, Our Idea of God: An Introduction to Philosophical Theology (Downers Grove, IL: InterVarsity Press, 1991), geeft ongeveer dezelfde opvatting weer. A. N. Prior, Richard Purtill en anderen hebben artikelen geschreven om het neo-theïsme te verdedigen. Weer anderen hebben begrip voor de visie, zoals Stephen T. Davis, Logic and the Nature of God (Grand Rapids: Eerdmans, 1983) en Linda Zagzebski, The Dilemma of Freedom and Foreknowledge (Oxford: Oxford University Press, 1991).

 

3 Clark Pinnock, “Between Classical and Process Theism,” in Nash; William Hasker, God, Time and Knowledge (Ithaca, NY: Cornell University Press, 1989); David en Randall Basinger, eds., Predestination and Free Will (Downers Grove, IL: InterVarsity Press, 1986).

 

4 Zie Norman L. Geisler en William D. Watkins, Worlds Apart: A Handbook of World Views (Grand Rapids: Baker Book House, 1989).

           

5 Met de ‘libertaire’ of ‘incompatibilistische’ visie* op de vrije wil wordt bedoeld dat een iemand vrij is ten opzichte van een bepaalde actie op een bepaald moment indien op dat moment ”het in de macht van de iemand is om de actie al of niet uit te voeren” (Pinnock, et al., 136-37). Met de ‘compatibilistische’ visie* op de vrije wil bedoelen ze dat “iemand vrij is met betrekking tot een bepaalde actie op een gegeven moment, als op dat moment het waar is dat die persoon de actie kan uitvoeren als hij besluit om het uit te voeren en hij van actie kan afzien als hij besluit om het niet te uit te voeren" (p. 137). Zoals zij het zien is "het verschil tussen de twee definities niet onmiddellijk duidelijk”. Het belangrijkste verschil is dat volgens een libertaire visie voor het bestaan van een vrije wil er zowel ‘innerlijke vrijheid’ (geen sterk verlangen om het tegendeel te doen) als ‘uiterlijke vrijheid’ (geen externe beperkingen) moet bestaan; Volgens de compatibilistische visie is alleen “uiterlijke vrijheid nodig om het uitvoeren van de beslissing in een van beide gevallen" noodzakelijk, zelfs als "de beslissing als zodanig volledig kan worden bepaald door de psychologische krachten die in de persoonlijkheid werkzaam zijn" (ibid.).

(* Volgens de ‘compatibilistische’ visie zijn vrije wil en determinisme verenigbaar met elkaar; volgens de ‘incompatibilistische’ visie zijn vrije wil en determinisme niet verenigbaar met elkaar)

6. Ibid., 156.

7. Ibid., 52.

8. Zie R. Garrigou-LaGrange, God: His Existence and Nature (St. Louis: B. Herder Books, 1946), appendix 4, 465–528.


WOORDENLIJST


• actualiteit: Dat wat de werkelijkheid is, dit in tegenstelling tot dat wat alleen maar in potentie zou kunnen bestaan. In Zichzelf volmaakt zijn (‘pure actuality’) is de eigenschap van God die alle eventualiteit van Hem, en de mogelijkheid van niet-bestaan uitsluit​​.

• zelfgenoegzaamheid (‘aseity’): De eigenschap van God waarin Hij in en door Zichzelf bestaat, onafhankelijk van iets anders.
• voorwaardelijk: Afhankelijk van een andere; een voorwaardelijke wezen is afhankelijk van een ander voor zijn bestaan​​.
• vrije wil: De mogelijkheid van de mens om bepaalde menselijke handelingen te doen die vrij zijn van externe en / of interne beperkingen; de mogelijkheid om bepaalde handelingen te verrichten zonder dwang van een ander.
• immanentie: Gods aanwezigheid in het universum, naast Zijn transcendentie die daarboven uitgaat.
• noodzakelijk wezen: Een wezen dat moet bestaan; het is onmogelijk dat het niet bestaat (in tegenstelling tot een voorwaardelijk wezen dat niet hoeft te bestaan​​) .
• ontologie: De filosofische studie van de aard van het zijn (van het Griekse woord ontos).
• panentheïsme: Het geloof dat alles in God is, in tegenstelling tot pantheïsme, dat beweert dat alles God is.
• potentie (‘potentiality’): Hetgeen kan zijn, de mogelijkheid om te worden geactualiseerd.
• proces-theologie: Een vorm van panentheïsme dat stelt dat God eindig is en voortdurend in verandering is, met twee polen of dimensies (bipolair) .
• theïsme: Het geloof in een oneindige, persoonlijke, transcendente en immanente God die de wereld geschapen uit het niets (ex nihilo) en die ook bovennatuurlijke ingrijpt indien het nodig is.

Neotheïsme  Deze aanhangers beweren onder andere dat God van gedachten kan veranderen en dat Zijn kennis van de toekomst niet onfeilbaar is.

• transcendentie: Dat wat meer is of ergens bovenuit gaat; het feit dat Gods wezen boven het ​​universum uitgaat en niet alleen er in is.

Deïsmeis een religieus-filosofischeopvatting die Godals transcendenteoorzaak van de natuurwettenbeschouwt. Dit houdt in dat God weliswaar de schepper van het universum is, maar sinds de schepping op geen enkele wijze ingrijpt in het proces van de natuurwetten
 

 

 

 
Categorie: Schriftkritiek