goddelijke genezing deel 1

 

 

Hoe ga ik om met goddelijke genezing ? (1)

 

© door Piet Guijt

 

Inleiding

 

We leven in een gebroken wereld met veel narigheid en ellende zoals onrecht, bedrog, oplichting, ruzies, oorlogen, natuurrampen, etc., en zijn er ook vele ziekten van zowel het lichaam, de ziel als de geest van de mens. Men is, soms wanhopig, op zoek naar genezing van het lichaam en de oplossing van bepaalde psychische en/of geestelijke problemen. Gelukkig kan de medische wetenschap veel doen, en zijn er vele hulpverleners zoals psychologen en psychiaters die goed werk kunnen verrichten, zij het uiteraard met hun menselijke beperkingen. Helaas worden in het medische circuit fouten gemaakt, bijvoorbeeld er worden verkeerde diagnoses gesteld en er worden niet-adequate medicijnen voorgeschreven. Mede daardoor en door onvoldoende aandacht voor de mens als geheel, gaan veel mensen hun heil helaas ook zoeken bij zgn. alternatieve genezers, magnetiseurs, mediums etc.. Men komt dan later in nog grotere (geestelijke) problemen, omdat deze alternatieve genezers, vaak zonder dat ze het weten, hun krachten ontvangen van de tegenstander van God, namelijk de satan, dus uit het rijk der duisternis.

 

Goddelijke genezing staat (ook) in onze tijd in de belangstelling, gelukkig ook meer en meer in de ‘traditionele’ kerken. Het thema ‘goddelijke genezing’ is een complex en gevoelig onderwerp. Er is helaas soms wel sprake van diverse misverstanden, en mede daardoor is er ook veel verwarring en teleurstelling over dit onderwerp. Er zijn veel vragen, en dat is heel begrijpelijk. Daarom is het van groot belang om het onderwerp genuanceerd en evenwichtig te benaderen.

 

We zullen eerst ingaan op mogelijke oorzaken van ziekte. Omdat men soms spreekt over ziekte als een straf of, tegengesteld, over ziekte als een zegen van God, zullen we ook daarover nadenken. Voorts zullen we de vraag bespreken of God wil en kan genezen, en wijzen op het belang van geloof. In het volgende nummer van Promise

zullen we ingaan op de vraag waarom niet iedereen, die om genezing bidt, geneest. Ook zal worden ingegaan op de vraag welke geestelijke opstelling (instelling) we dienen te hebben in geval van ziekte. Ook zullen we nagaan hoe gelovigen zich kunnen uitstrekken naar genezing en zelfs naar een genezingsbediening, een bediening die alleen God kan geven. Het gaat om het vervullen van de opdracht van Jezus o.a. om zieken te genezen en boze geesten uit te drijven (Matt. 10:8 en Marc. 16:17 en 18).

 

Oorzaken van ziekte

Ten diepste is zonde de oorzaak van ziekte. Door de zondeval heeft de geestelijke dood, dat is het gescheiden zijn van God, zijn intrede in de mensheid gedaan. En als gevolg daarvan zijn ziekte en dood in de schepping en in de mens gekomen. In Gen. 2:17 staat: “Als gij van de boom der kennis van goed en kwaad eet, zult gij voorzeker sterven”. Letterlijk staat er: “stervende zult gij sterven”. Dit stervensproces is dus door de zonde begonnen in de geest, en dat afbraakproces is nog steeds in werking omdat we niet meer volledig naar de levensonderhoudende en levensbeschermende wetten van God leven. Ook Rom. 5:12 spreekt over dit proces: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”.

 

Wij zullen dit algemene principe wat concreter bekijken.

 

A. Ziekte kan ontstaan door verkeerde leefpatronen, bijvoorbeeld:

  • ziekten door verkeerde eetgewoonten, drank- en drugsverslaving, onvoorzichtigheid of nalatigheid.
  • longziekten door roken.
  • zwakte, uitgeput zijn, door roofbouw op het lichaam, bijvoorbeeld door te hard werken en door te laat naar bed gaan.

 

B. Ziekte kan ontstaan door spanningen, angsten, woede, etc. (de zgn. psycho-somatische ziekten). Innerlijke spanningen kunnen zich uiten zich in allerlei lichamelijke kwalen, die een symptoom zijn van dieper liggende oorzaken. Deze kunnen leiden tot o.a. hartproblemen, reuma, chronische vermoeidheid, maagzweren en darmstoornissen. Ook door verdriet en pijn als gevolg van het verlies van een dierbare, of door verwerping en afwijzing kan er in de ziel en ook in het lichaam misvorming ontstaan. Verder kunnen bitterheid, wrok en niet-vergevingsgezindheid naar mensen toe, en zelfs naar God toe, de oorzaak zijn van ziekte, en de genezing tegenhouden. Mopperen en klagen vergiftigt de mens innerlijk. Denk aan het verhaal in Num. 21: 4-9 over de Israëlieten die gemord hadden vanwege ongeduld en ontevredenheid, en door vurige slangen gebeten waren.

 

C. Ziekte kan ontstaan door de gebrokenheid van de schepping als gevolg van de zondeval, bijvoorbeeld luchtverontreiniging met als gevolg allerlei ziekten en kwalen; of rampen (waarbij soms menselijke onzorgvuldigheid of nalatigheid een rol spelen) zoals met de kerncentrale van Tjernobyl, waardoor mensen kanker hebben gekregen, etc..

 

D. Ziekte kan ontstaan doorleven onder een vloek. Een vloek over iemands leven kan ontstaan door:

  • eigen zonde, bijvoorbeeld zich bezig houden met vormen van occultisme (spiritisme, hekserij, voodoo, etc.).
  • zonden van het voorgeslacht, bijvoorbeeld haat, onreinheid, alcoholisme en occultisme.
  • vervloekingen uitgesproken door occultisten en tovenaars.

(Opmerking: mensen kunnen hun lichaam of een deel ervan verwensen, bijvoorbeeld met uitspraken als: “Ik wilde, dat ik dood was”, “Dat rot been”, enzovoorts. Vaak is dat uiteraard niet zo bedoeld, maar als een uiting van nood. Maar toch moeten we ermee oppassen. Denk aan Spreuken 18:21a: “Dood en leven zijn in de macht van de tong”. Het is (eigenlijk) een vorm van zelfverwerping en klagen. Beter is het om de nood bij de Heer te brengen en op Hem te vertrouwen.)

 

Door diverse onderzoekers zijn verschillende overzichten opgesteld van factoren vanuit verleden en heden die van invloed zijn op het kunnen krijgen van ziekten (zoals genetische factoren, opvoeding, etc.) en welke factoren de kwetsbaarheid en gevoeligheid, of juist het tolerantievermogen van mensen kunnen beïnvloeden. Zubin (lit. …) heeft een en ander in bijgaand (kwetsbaarheids-)schema ondergebracht. Omdat in dit artikel het accent ligt op de duiding van ziekte door de zondeval in het algemeen, noemen we dit schema alleen als een voorbeeld en gaan we niet verder op dit schema in.

Schema Zubinalt

 

 

We hebben in het kort verschillende oorzaken van ziekte gezien. Uit de diverse oorzaken van ziekte blijkt, dat er niet altijd een relatie bestaat tussen persoonlijke zonde(n) en persoonlijke ziekte. Maar soms is wèl sprake van eigen zonden en is dus wel sprake van een relatie tussen zonden en ziekte. Dat blijkt uit wat Jezus zei tegen de man, die 38 jaar verlamd in Betesda lag: “Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkome” (Joh. 5:14).

We zien soms zelfs een directe relatie tussen oorzaak (zonde) en gevolg (ziekte of kwaal), bijvoorbeeld:

  • Num. 12: 1 t/m 10 (daar lezen we over de melaatsheid van Mirjam, omdat zij zich verzette tegen de leiding van Mozes).
  • 2 Kron. 26: 16 t/m 19 (over koning Uzzia, die hoogmoedig het reukwerk op het reukofferaltaar in de tempel wilde aansteken, en melaats werd).
  • Hand. 13: 6 t/m 12 (daar lezen we over de tovenaar Elymas, die blind werd vanwege zijn verzet tegen het evangelie, en ook anderen ervan af wilde houden).

 

Het kennen van de oorzaak en achtergrond van een ziekte of nood is van belang bij de vraag hoe men in een concreet geval voor zieken moet bidden. De ene keer zal men eerst moeten nagaan of iemand zich wil bekeren of een ander wil vergeven, een andere keer zal men een vloek moeten verbreken en een of meer demonen moeten uitdrijven. Dus men kan niet zomaar een standaardgebed voor genezing bidden. De leiding van de Heilige Geest is hierbij onmisbaar.

 

Is ziekte een straf of zegen van God?

Voordat we een antwoord gaan zoeken op de vraag of God wil genezen, zullen we eerst stilstaan bij de vraag of ziekte een straf van God is of misschien zelfs een zegen. Uit deze uitersten blijkt al hoe verschillend men over ziekte kan denken.

We kunnen beginnen met in te zien en te erkennen dat ziekte een gevolg is van de zonde en van de gebrokenheid van de schepping. Gods hart huilt als wij Zijn goede geboden niet opvolgen en als gevolg daarvan lichamelijk of geestelijk kapot gaan. Hij heeft er echt geen behoefte aan dan ook nog eens te straffen in de zin van ons ‘ervan langs te geven’. Neem als voorbeeld een auto, waarvan de motor vastloopt, doordat er niet voldoende motorolie in gedaan is. Is dat vastlopen een straf van de auto-fabrikant? Nee, het is een gevolg van het niet nakomen van de gebruiksaanwijzing, die zegt, dat de motor geolied moet zijn. Want de olie is nodig om te voorkomen dat de motor vastloopt. Zo loopt ook de mens vast als hij zich niet houdt aan de wetten van God, of anders gezegd, zich niet laat oliën (vullen) door de Heilige Geest.

 

Een ander voorbeeld. Jantje wordt door zijn ouders op het hart gedrukt om tijdens het spelen niet van het trottoir af te gaan, want dat kan immers vanwege het verkeer gevaarlijk zijn. Jantje gaat toch de straat op en wordt door een fiets aangereden. Is dat de straf van de ouders? Nee, want die hebben de fietser niet ingehuurd om Jantje een lesje te leren. Dat Jantje is aangereden, is een gevolg van het feit dat hij zijn ouders niet gehoorzaamde.

 

Het ligt uiteraard wat gecompliceerder in het geval, dat de ouders zelf een ‘straf’ geven. Bijvoorbeeld: Jantje mag niet buiten spelen of moet vroeg naar bed, omdat hij de buurjongen geplaagd of geslagen heeft. Dat is in zekere zin een straf omdat Jantje het niet leuk vindt, maar de vraag is wel wat de bedoeling van de ouders is, namelijk om Jantje te behoeden voor het opnieuw maken van die fout, en waarvoor de opvoedkundige maatregel uit liefde voor Jantje nodig was. Het is als een waarschuwing bedoeld. Van belang is dus de vraag wat onder straf moet worden verstaan en wat de gezindheid achter die ‘straf’ is. Straf lijkt soms vernietigend (of een oordeel), maar kan namelijk ook iets opvoedkundigs inhouden. Het Griekse werkwoord ‘paideuo’ kan zowel straffen als opvoeden betekenen. In sommige vertalingen is het met ‘tuchtigen’ vertaald (Hebr. 12: 5 t/m 11).

 

Ook al is ziekte geen straf van God en is Hij ook niet de bron van ziekte (immers in God is geen duisternis, ziekte of dood), echter gegeven het feit, dat we ziek zijn of ons niet lekker voelen of niet kunnen werken, kan het wèl zo zijn, dat we vanuit die nood naar God gaan vragen. Het is algemeen bekend dat juist door problemen, ziekte en zelfs sterfgevallen in een familie, mensen over de zin van het leven gaan nadenken, en tot inkeer en bekering komen. In dat geval heeft de nood mensen tot God gebracht (dat is de zegen), maar je mag daaruit niet concluderen, dat die nood als zodanig een zegen is, of dat God die ziekte of nood heeft gegeven. Immers diezelfde nood kan mensen er ook toe brengen God de rug toe te keren, of God zelfs te vervloeken.

 

Wìl God genezing?

Voor sommige of misschien zelfs vele christenen is dit een knellende vraag, want in de Heidelbergse Catechismus (zondag 10) leest men dat we behalve zegeningen ook ziekte uit Gods goede Vaderhand moeten ontvangen. Als dat werkelijk zo zou zijn, dan zouden we niet om genezing mogen bidden. Dan zou Jezus Zijn Vader hebben tegengewerkt toen Jezus zieken genas. Anderen zeggen: “God wil niet genezen, want ziekte is een straf of zegen van God, en door genezing wordt het effect van de straf of zegen tenietgedaan”. Dan zou men volgens deze opvatting dus ook niet naar een dokter mogen gaan voor genezing.

 

Ook onder hen die wèl geloven dat God wil genezen, zien we verschillende visies, bijvoorbeeld:

  1. “Genezing was alleen voor vroeger”, namelijk voor de begintijd van de discipelen en apostelen om het evangelie te kunnen verkondigen.
  2. “We moeten de genezing claimen, want God heeft het beloofd. We hebben recht op genezing. God zal nú genezen”.

 

We zullen aan het eind van deze paragraaf nog ingaan op de eerste opvatting en later nog op de tweede, maar eerst zullen we kijken naar wat het basisuitgangspunt is zoals dat vanuit de Bijbel tot ons komt. We zullen uit de veelheid van Bijbelteksten over genezing er slechts enkele noemen.

 

In het Oude Testament:

“Indien gij aandachtig luistert naar de stem van de Here, uw God, en doet wat recht is in Zijn ogen, en uw oor neigt tot Zijn geboden en al Zijn inzettingen onderhoudt, zal Ik u geen enkele van de kwalen opleggen, die Ik de Egyptenaren opgelegd heb; want Ik, de Here, ben uw Heelmeester” (Ex. 15: 26). God wil Heelmeester zijn, dus genezen. Deze tekst noemt wel voorwaarden voor genezing, We zien hier overigens een Hebreeuwse manier van iets herhalen met andere woorden, dus eigenlijk twee keer dezelfde twee voorwaarden, namelijk 1) goed luisteren naar Gods stem, en 2) ernaar handelen.

 

Een tekst uit de Psalmen: “Loof de Here, mijn ziel, en vergeet niet een van Zijn weldaden; die al uw ongerechtigheden vergeeft, die al uw krankheden geneest” (Ps. 103: 2 en 3).

En dan de bekende tekst uit Jesaja: “Nochtans, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden Hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden” (Jes. 53: 4 en 5).

 

We zien in de laatste twee teksten (en ook in andere teksten) twee belangrijke zaken, die met elkaar samenhangen. Jezus heeft de zonden gedragen en dáárdoor heeft Hij de oorzaak, de wortel van de ziekte, weggenomen. Dat mogen we goed beseffen, namelijk dat als Jezus onze zonden op Zich heeft genomen, wij door genade gerechtvaardigd zijn voor God, en wij door de Heilige Geest een persoonlijke relatie met de Vader en met Jezus Christus mogen gaan leren onderhouden En hierdoor mogen wij ons uitstrekken naar genezing van geest, ziel en lichaam. Niet in eigen kracht maar door de kracht van de Heilige Geest. We hebben er ‘recht’ op, niet in de zin dat we het op onze tijd mogen claimen, maar dat we dat recht mogen laten geldentegenover de duivel. Immers de duivel heeft in beginsel geen recht meer om ons ziek te laten zijn. Onze zonden zijn immers vergeven, en daarmee is de rechtskracht van de ziekte vervallen.

 

In het Nieuwe Testament:

Vooral de vier evangeliën bevatten vele teksten over genezing door de Here Jezus. Uit wat Jezus tegen de melaatse man zei, namelijk “Ik wil het, word rein!” (Marc. 1: 41) blijkt dat Jezus genezing wilde brengen, en ook daadwerkelijk de man genas (vers 42). Jezus was daartoe geopenbaard, en gezalfd met de Heilige Geest, om de werken van de duivel te verbreken (1 Joh. 3:8), en om goed te doen en te genezen allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem (Hand. 10:38).

Hieronder nog enkele voorbeelden:

“En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk” (Matt. 4:23).

“Toen de zon onderging, brachten allen, die zieken hadden, lijdende aan allerlei kwalen, deze tot Hem. Hij legde ieder van hen afzonderlijk de handen op en genas hen” (Luc. 4:40).

“Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met Zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen, opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zeide: Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen” (Matt. 8:16 en 17). We zien hier dus een vervulling van de profetie van Jesaja. Ook in 1 Petr. 2: 24 lezen we een verwijzing naar deze profetie (Jes. 53:4).

 

Opmerkelijk is dat Jezus allen genas (en wel van alle ziekten en alle kwalen!) die tot Hem kwamen of tot Hem gebracht werden. Later zullen we ingaan op de vraag waarom Jezus in Betesda alleen de man genas die 38 jaar ziek was, en de anderen niet.

Ook in de brieven van Paulus en anderen vinden we teksten over goddelijke genezing. “En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, die in u woont” (Rom. 8:11). Wij zien ook hier het belang van het vervuld zijn met de Heilige Geest.

En tenslotte noemen we de zeer bekende tekst uit Jak. 5: 14-16. “Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt”. Ook in deze tekst zien we de samenhang tussen vergeving van zonden en genezing.

 

We zien uit deze teksten overduidelijk dat God wil genezen (we zullen hierna nader ingaan op de vraag wat precies onder genezing moet worden verstaan). We zien het ook in wat Jezus deed. De basis van die wil is Gods liefde voor ons. En tevens het verlangen om Zijn Zoon Jezus te verheerlijken, want Jezus heeft de zonde weggenomen! (Joh. 1:30). Dit is het basisprincipe. Daaraan mogen we ons vasthouden, ook al lijkt het soms dat God niet wil genezen als genezing nog uitblijft. Maar dat komt doordat wij, zoals wij later zullen zien, nog niet (altijd) aan bepaalde voorwaarden voldoen. Die voorwaarden stelt God niet om ‘moeilijk te doen’ zoals sommigen denken, maar om Zich aan Zijn goede wetten te houden. Want dìe zijn goed voor ons en dáárdoor kan Hij ons het best helpen. Maar dat God in beginsel wil genezen is zeker.

 

Genezing alleen voor vroeger?

Voordat we Gods almacht om te genezen gaan leren kennen uit het Woord van God, willen we nog ingaan op de eerder genoemde visie over genezing, namelijk dat het alleen voor de begintijd zou zijn als ondersteuning van de evangelieverkondiging aan nog onbekeerden, en het evangelie daardoor aanvaardbaar te maken. Dat zou betekenen, dat een kind van God dus niet meer een wonder mag verwachten, want men kent het evangelie immers toch al? Dat zou niet zo best zijn. U bent een kind van God geworden, en dan zou God u niet meer willen genezen? Dat zou toch onzinnig zijn? God wil namelijk dat we Zijn Woord en Hem Zelf, Zijn hart, steeds beter leren kennen, en dat we meer en meer gaan ontdekken, dat God onze totale genezing van geest en ziel en lichaam wil. En dàt vanuit Zijn liefde voor ons. Genezing is dus niet alleen een bevestiging van het evangelie bij de verkondiging ervan, maar een onlosmakelijk onderdeel van het evangelie wat ‘blijde boodschap’ betekent, dus ook voor een kind van God dat het evangelie al jaren kent. God wil dat wij door genezing naar geest, ziel en lichaam tot Zijn eer en onze bestemming komen, namelijk dat wij als zonen van God op Jezus zullen gaan lijken en ook de werken zullen doen die Hij deed (Joh. 14: 12-14).

 

Kàn God genezen?

We hebben bij de bespreking van de vraag of God wil genezen ook al gezien, dat God niet alleen wil genezen, maar ook kàn genezen. Denk maar aan de vele genezingen, die Jezus gedaan heeft door de kracht van de Heilige Geest. Als voorbeelden van teksten waaruit de almacht van God en Jezus blijkt, noemen we Jeremia 32:27: “Zie, Ik, de Here, ben de God van al wat leeft; zou voor Mij iets te wonderlijk zijn?” en Matt. 28:18: “Mij (Jezus) is gegeven alle macht in hemel en op aarde”.

 

Maar het gaat nu nog wel om de vraag of wij geloof hebben in de almacht en kracht van God, want“zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn. Want wie tot Gód komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken” (Hebr. 11:6). En geloof is nodig voor het verwachten van een bovennatuurlijk ingrijpen van God. Geloven wij God, of ervaren wij nog ongeloof in onszelf?

 

God heeft ons de mogelijkheid gegeven om te kùnnen geloven. Wij hebben een geest, waarmee wij kunnen geloven. De Heilige Geest wil ons hierin versterken. Gods Woord is het zaad van het geloof. Het bouwt het geloof op. Het is ons geestelijke voedsel. Geloof is de ontvankelijkheid voor de waarheid en de kracht van God. Geloven is zich in vertrouwen en verwachting openstellen voor wat God allemaal wil en kan geven (op Zijn tijd), ook al hebben we geen zintuiglijk of rationeel bewijs! De vraag daarbij is steeds: laten we ons leiden door onze zintuigen of door het Woord van God? Of, zoals iemand eens zei: “Welke werkelijkheid kiezen we? Kiezen we voor de werkelijkheid met een kleine w (bijvoorbeeld ziekte) of voor de Werkelijkheid met een grote W (de Waarheid van het Woord van God)?”

 

We hebben gezien, dat God in Ex. 15:26 zegt dat Hij onze Heelmeester (een Meester in het genezen) wil zijn. Als wij dat niet geloven, dan zeggen we eigenlijk dat we het beter weten dan God, ja zelfs maken wij God tot een leugenaar. Uiteraard zullen christenen dit niet bewust doen of willen doen. Hieronder enkele teksten, die ons kunnen prikkelen onszelf te onderzoeken en Gods aangezicht te zoeken. God vraagt niet dat we Hem begrijpen, maar dat we Hem vertrouwen:

  • “God is geen man, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?” (Num. 23:19). God is (dus) volkomen betrouwbaar.
  • “Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken?” (Rom. 9:20).
  • ”Het is onmogelijk dat God liegen zou” (Hebr. 6:18).
  • “Wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft in het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn Zoon” (1 Joh. 5:10).

 

We doen God er verdriet mee als wij Hem niet vertrouwen. Hiermee willen we niemand beschuldigen, dat doet God ook niet, maar erop wijzen dat ongeloof, gebrek aan vertrouwen, ons afsluit voor Gods kracht. Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn, want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken (Hebr. 11:6), en zonder geloof zullen we geen wonderen meemaken. We behoren de zonde van ongeloof te belijden, en te bidden om de kracht van de Heilige Geest om te kunnen geloven. Wij mogen, wij moeten, ongeloof de oorlog verklaren. Vasten kan daarbij soms helpen om ons geloof op te bouwen en te versterken. Ons geloof kan en mag dus groeien. Overigens hoeven wij onszelf niet te beschuldigen als we ontdekken dat ons geloof op een bepaald moment nog beperkt is. Immers ongeloof of beperkt geloof wil niet per se zeggen, dat iemand niet wil geloven, maar dat wij als onvolmaakte mensen ons nog niet ten volle de rijkdom van het Koninkrijk Gods bewust zijn, eenvoudig omdat door allerlei oorzaken waar we ons vaak niet eens bewust zijn, de heerlijkheid van God nog niet tot ons doordringt. We moeten wel eerlijk zijn om het te durven constateren als we een gebrek aan geloof ervaren en vragen om geloof (“Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp” (Marc. 9:24)).

 

We kunnen overigens onderscheid maken tussen verschillende soorten of stadia van geloof.

  1. De bereidheid om het Woord van God serieus te nemen, het voor waar aan te nemen, en zich er voor open te stellen. Die bereidheid kan beginnen met een intentie, maar kan uitgroeien tot een volhardend vasthouden aan het Woord van God.
  2. Geloof als een innerlijk weten, dat door de Heilige Geest ter bevestiging aan de gelovige wordt gegeven. Het is het ‘normale’ geloofsniveau, dat groeiende is door vanuit een intieme relatie met de Heer in gehoorzaamheid aan het Woord van God te leven. Bijvoorbeeld: u wéét, dat Jezus uw Verlosser is, dat Hij leeft en alle macht heeft. U wéét dat u eeuwig leven hebt ontvangen (1 Joh. 5:11 en 12).
  3. Een instantelijke ‘injectie’ van geloof voor een concrete situatie of probleem (voor uzelf of voor een ander). Bijvoorbeeld u ervaart dat God tegen u zegt: “Ik zal je genezen”, of “ Je mag nu die persoon de handen opleggen ter genezing”. In dat geval is er sprake van de gaven van geloof en genezing door de Heilige Geest, vaak via een woord van kennis. En dan kan men namens Jezus iemand de handen opleggen en in het gebed de genezing uitspreken. Dit alles uiteraard in volkomen afhankelijkheid van de Heer.

 

Geloof is het vaste vertrouwen in de trouw van God, Die vanuit Zijn liefde voor ons op Zijn tijd ons het beste zal geven. Het is aan God om te bepalen hoe en wanneer Hij zal genezen. Maar dat betekent geen passiviteit van onze kant. Wij mogen geloven dat genezing door geloof mogelijk, zelfs (goddelijk) normaal is. Wij mogen ons daarnaar uitstrekken. Geloof wordt altijd beloond, ook al zien we nog niet direct tastbare of zichtbare resultaten. Door geloof geven we God de ruimte om Zijn macht te tonen. Denk aan wat Jezus tot de vader van de bezeten knaap zei: “Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft” (Marc. 9:23).

 

Wij hebben in deze inleiding over goddelijke genezing gezien dat ziekte niet bij de mens hoort, maar door de zonde(val) in de mensheid is gekomen, en dat God wil en kan genezen. We zullen nu een vraag aan de orde stellen, die veel gelovigen bezighoudt, namelijk: “Als God nu wil en kan genezen, waarom geneest dan niet iedereen, die om genezing bidt?”

 

 

Genezing naar geest, ziel en lichaam

Omdat er heel veel misverstanden, teleurstellingen en vragen bestaan ten aanzien van goddelijke genezing zullen we vooraf eerst moeten beginnen met de vraag wat genezing is en waarop genezing betrekking kan hebben. Heel algemeen kan worden gezegd, dat genezing is: (het proces van) terugkeer van de mens naar de door God bedoelde situatie van gezondheid. Daarbij moeten we niet alleen aan het lichaam denken. Immers God wil dat de mens in zijn totaliteit geneest, namelijk zowel naar geest als naar ziel als naar lichaam. De genezing kan dus alle drie delen van het mens-zijn betreffen. We hebben gezien, dat de fundamentele oorzaak van ellende en ziekte in de wereld de zonde is. De zonde is begonnen in de geest en heeft zijn gevolgen in de ziel en het lichaam van de mens. De genezing zal daarom in beginsel moeten beginnen in de geest, en van daaruit naar de ziel en het lichaam doorwerken.

 

Opmerkelijk is dat wij mensen een lichamelijke ziekte of kwaal wel direct ervaren (door pijn of een ander naar gevoel), maar dat een ziekte van de geest, namelijk het niet verlangen naar God, door veel mensen zelfs helemaal niet wordt onderkend. Mensen zijn veelal zo natuurlijk gericht, dat ze meer aandacht hebben voor het zichtbare, waaronder het lichamelijke, dan voor het geestelijke en het innerlijke. Ook al wil God ons òòk genezen naar het lichaam, we moeten het verlangen naar lichamelijke genezing niet stellen boven genezing van de innerlijke mens naar geest en ziel. Dit is gemakkelijk gezegd als men geen pijn lijdt of geen handicaps heeft, maar toch moeten we die juiste prioriteit steeds blijven bedenken, hoe moeilijk dat soms ook is. Immers als een lichamelijke kwaal een innerlijke of geestelijke oorzaak heeft (om het niet te ingewikkeld te maken laten we situaties van bijvoorbeeld verwondingen door geweld van buitenaf nog even buiten beschouwing), dan zal men toch eerst naar die oorzaak moeten kijken. Het kan immers zo zijn, dat God iemand (nog) niet van een kwaal geneest, omdat God de genezing van een innerlijk probleem, bijvoorbeeld het niet kunnen of willen vergeven van iemand, meer prioriteit geeft. Zo kan het heel belangrijk, en tevens innerlijk genezend zijn, om tijdens een ziekbed over uw leven en over uw relatie met God na te denken. Het kan zelfs belangrijker zijn dan lichamelijke genezing omdat het ons eeuwig heil betreft.

 

We moeten er dus altijd voor oppassen dat welichamelijke gezondheid niet stellen boven geestelijke gezondheid. Het gaat immers om het zoeken naar een evenwichtige balans. Bovendien moeten we bedenken, dat hoe belangrijk lichamelijke genezing ook is, en hoe graag God vanuit Zijn liefde voor de mens ook het lichaam van de mens wil genezen, de lichamelijke genezing toch altijd ‘slechts’ tijdelijk is. Het gegeven dat de mens eens zal sterven mag uiteraard geen argument zijn om dan maar niet naar lichamelijke genezing te verlangen. We moeten dus een middenweg zoeken tussen twee extremen, namelijk zich helemaal niet of niet meer naar goddelijke genezing uitstrekken, dus passief berusten in de situatie van ziekte enerzijds, en het dwangmatig zoeken naar en claimen van lichamelijke genezing met behulp van een of andere ‘succesformule’ voor genezing anderzijds. Beide extremen leiden tot onnodige problemen: bij het eerste dat men onnodig ziek blijft, en bij het tweede dat er bij het uitblijven van de gewenste genezing, teleurstelling en zelfveroordeling kunnen ontstaan.

 

In de volgende aflevering zullen we o.a. ingaan op: diverse mogelijke belemmeringen voor lichamelijke genezing, Gods bewogenheid over onze nood, de samenhang tussen vergeving van zonden en genezing, onze houding in situaties van ziekte en pijn, en tenslotte de vraag of we wel of niet naar de dokter zullen gaan.

 

© drs Piet Guyt                 klik hier voor het tweede deel

 

Categorie: Algemeen