De vrije wil

 

De menselijke wil en de soevereiniteit van God

door Piet Guijt

 

1) Inleiding

 Heeft de mens een vrije wil? Dit is een vraag waarmee in de loop der eeuwen vele mensen geworsteld hebben. Ook in deze tijd is het een zeer actueel onderwerp. Onlangs was de gehele zaterdagbijlage van het Nederlands Dagblad[1] aan het thema gewijd. In november 2011 heeft de Christelijke Vereniging voor Psychiaters, Psychologen en Psychotherapeuten (CVPPP) een congres georganiseerd, waar de vrije wil een van de thema’s was. De neurobioloog en hersenonderzoeker Dick Swaab, bekend vanwege zijn goed verkochte boek Wij zijn ons brein, ontkent het bestaan van de vrije wil en noemt dit een illusie, zij het een prettige. Zijn opvatting komt mede voort uit het atheïstisch materialisme (er bestaat alleen stof en er is geen dualisme van materie en geest[2]) dat vroeg of laat eindigt in determinisme. Andere neurowetenschappers (o.a. Kolk[3]) zijn van mening dat de vrije wil wel degelijk bestaat.

 

Met de vraag of er wel of niet een vrije wil bestaat hangt samen de vraag in hoeverre mensen verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor hun (mis)daden. Uiteraard zal men goed moeten omschrijven wat men onder de (vrije) wil verstaat en om welke keuzes het bij de wil gaat. Zo is een morele keuze (ethiek) heel wat anders dan de keuze van de groente die men vandaag zal eten, etc.. Verder moet men bedenken dat niet alle handelingen bewust plaatsvinden. Immers er is (gelukkig) sprake van allerlei automatische, routinematige en intuïtieve handelingen zoals nodig bij bijvoorbeeld autorijden en sportbeoefening. Dit is niet strijdig met verantwoord gedrag. Men past toe wat men eerder bewust geleerd heeft en waarvoor men bewust gekozen heeft, bijvoorbeeld autorijles. Overigens zou menselijk leven niet mogelijk zijn zonder diverse automatische handelingen.

Ook al beweren sommige neurowetenschappers dat er geen vrije wil zou bestaan, elk weldenkend mens en zeker iemand die de Bijbel kent en serieus neemt, moet ervan uitgaan dat de mens met een wil geschapen is en een moreel verantwoordelijk schepsel is. ‘Wie de mens elke eigen verantwoordelijkheid ontzegt, verlaagt hem niet alleen tot een redeloos dier, maar tekent voor het einde van elke publieke moraal en van de rechtstaat’.[4]

 

Uiteraard is in de door de zondeval ontstane gebroken schepping geen enkel mens volledig vrij. Soms is men door omstandigheden niet in staat te doen wat men graag zou wensen. Denk aan situaties van bijvoorbeeld gevangenschap, marteling en vervolging. Denk ook aan het hebben van dwanggedachten of aan bepaalde verslavingen, die zijn ontstaan door zonde. De vrije wil is kan dus door de zonde aangetast, verkeerd gericht zijn, maar er blijft sprake van een zekere vrijheid om te kiezen, bijvoorbeeld om ervoor te kiezen, soms met hulp van anderen, om bevrijd te worden van bepaalde gebondenheden.

 

Relatie tussen God en mens

Ook op godsdienstig gebied is de vraag naar de vrije wil van de mens steeds aan de orde geweest, maar vooral in de relatie tot (de soevereiniteit van) God. Als er sprake is van een vrije wil, is er dan geen onverenigbaarheid (incompatibiliteit) tussen die vrije wil van de mens en de soevereiniteit van God? Vele boeken zijn over dit thema geschreven, zowel door filosofen[5] als door theologen. Zelfs was er 400 jaar geleden tussen de hoogleraren Arminius en Gomarus een strijd gaande waarin de predestinatieleer (zie hieronder) centraal stond, een strijd die geleid heeft tot een kerkscheuring en het ontstaan van de Remonstrantse Broederschap[6]. Ook was er in die tijd een debat tussen Luther[7] en Erasmus, en in afgeleide zin tussen remonstranten en contra-remonstranten, die in 1619 leidde tot de opstelling van de Dordtse leerregels.[8]

 

Het is van groot belang een goed zicht te hebben op het gegeven van de menselijke vrije wil (en daarmee ook de verantwoordelijkheid van de mens) omdat het ook gevolgen heeft voor bepaalde theologische leerstukken en leringen. In onderstaande gaat het om de keuze van de mens met betrekking tot zijn eeuwige bestemming. Uiteraard gaat het niet om een enkele keuze maar om het geheel van keuzen in een mensenleven.

 

We zullen eerst drie opvattingen beknopt bekijken omdat het heel leerzaam is in die zin dat we kunnen zien hoe men door een foutieve visie op de wil van de mens de Bijbel verkeerd kan interpreteren, en hoe belangrijk het is om het licht van de Heilige Geest te hebben bij het lezen en verstaan van de Bijbel.

 

2. De leer dat de mens zichzelf niet kan bekeren

In bepaalde christelijke kringen wordt gedacht dat de mens zich niet kan bekeren, dus niet zelf kan kiezen, want men zal eerst moeten wachten op een ingrijpen van God. Iemand zou bijvoorbeeld kunnen zeggen: “Ik wacht tot het de Heer behaagt mij te bekeren” en men wijst op teksten als Joh. 6:44a waar te lezen is: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke”. Men denkt in bedoelde kringen ook vaak negatief over de mens, want die is door de zondeval dood door zonden, totaal verdorven en tot niets goeds meer in staat. Men verwart echter verdorvenheid met verlorenheid. De zondige mens is wèl door zonden verloren, want door (zelfs een enkele) zonde is er al scheiding tussen God en mens, en derft (mist) de mens de heerlijkheid van God. Maar dat betekent niet per se dat de mens dan tot niets goeds meer in staat zou zijn. Immers als de mens totaal verdorven zou zijn, dan zou hij net als de duivel zelf zijn. Gelukkig is het zo, dat God door Zijn Woord en Geest mensen kan bereiken en mensen geestelijk levend kan maken. Immers het evangelie is de kracht Gods tot behoud, en de mens kan zich daarvoor openstellen. Het Woord van God roept ons op ons te bekeren en het evangelie te geloven (Markus 1:15). God heeft het initiatief tot redding van de mens genomen door Jezus Christus als Lam van God naar deze wereld te zenden, en nu is het aan de mens om erop te reageren. Nadert tot God en Hij zal tot u naderen. Jezus klopt aan de deur van ons hart. Wìj moeten open doen. En Hebr. 11:6 zegt ons dat God een beloner is van wie Hem ernstig zoeken. De mens kan zich dus niet verschuilen achter passiviteit. “Het is verheugend dat er een site www.benikweluitverkoren.nl is, die mensen wil helpen die worstelen met deze visie en ook de hierna genoemde predestinatieleer”. 

 

3. De predestinatieleer (theologisch determinishyme)

De predestinatieleer (pre = voor; het Engelse en Franse woord destination = bestemming), ook wel de leer van de goddelijke uitverkiezing genoemd, zegt dat God van tevoren zou hebben bepaald* wie wel en wie niet voor eeuwig behouden zou zijn (dubbele predestinatie). (* Een geheel andere kijk op dit gegeven is de volgende. God bepaalt niet van te voren wie wel of niet verloren gaat, maar weet in beginsel van te voren wie (= welk soort mensen) er wel of niet verloren gaan, net zoals een wetenschapper op grond van een bepaalde wetmatigheid kan voorspellen: als iemand ‘a’ doet, dan is ‘x’ het gevolg, en als iemand ‘b’ doet, dan is ‘y’ het gevolg). Volgens de aanhangers van de predestinatieleer kan er geen sprake zijn van een vrije wil van de mens, want dan zou God niet almachtig zijn. Immers men stelt het zo voor dat God onvermogend zou zijn als vele mensen God niet zouden toestaan hen te redden, en dus dat de wil van het schepsel alvermogend is. Als men zou zeggen dat mensen God niet willen gehoorzamen, dan zou de macht van God tekort schieten, en zou Jezus Christus niet alle macht in hemel en op aarde hebben. Dan zou dus ook satan machtiger zijn dan God. Daarom kan het alleen maar zo zijn dat God Zelf bepaalde mensen heeft uitverkoren en anderen niet, aldus aanhangers van de leer van de uitverkiezing, waarvan overigens diverse varianten bestaan. Verderop zullen we aangeven waarom deze voorstelling van zaken onjuist is.

 

Theologen als bijvoorbeeld Calvijn en later ds. Pink[9] zijn bekende verdedigers van de predestinatieleer. Aanhangersverwijzen naar diverse Bijbelteksten die aanleiding zouden geven voor de opvatting dat God slechts bepaalde mensen ten eeuwigen leven voorbeschikt heeft. Enkele voorbeelden zijn teksten als bijvoorbeeld Ef. 1: 11 (“… in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil”), Rom. 8:28 (“Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn”), en 1 Petr. 1:2 a (“…de uitverkorenen naar de voorkennis van God, de Vader”). En men wijst op teksten die zouden zeggen dat de Here God het hart van mensen verhardde en hen daartoe voorbeschikt heeft.

 

Men leest deze Bijbelteksten kennelijk met een gekleurde (om niet te zeggen: een vertroebelde) bril, want bij nader inzien blijken de aangevoerde teksten de visie van de aanhangers niet te ondersteunen. Het is soms verbazingwekkend om te zien hoe men vanuit een bepaalde visie (denkfout) de Bijbel (verkeerd) interpreteert. Men leest de teksten niet in de context of men gaat aan andere teksten voorbij of men ziet niet dat voorbeschikking zoals genoemd in bijvoorbeeld Rom. 9 niet gaat over de eeuwige bestemming van mensen, maar over een verkiezing tot een bepaald doel[10], dus over de wijze waarop God Zijn heilsplan in de loop van de tijd ontvouwt. Of men ziet over het hoofd dat God bedoeld heeft dat mensen in Christus uitverkoren zijn (Ef.1).

 

Maar, God-zij-dank, elk mens mag weten dat God de wereld zo lief had dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een ieder die in Jezus gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe (Joh. 3:16) en dat God ieders behoud wil, zoals we kunnen lezen in 1 Tim. 2: 3 en 4: “Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen”. God laat aan de mens de keuze, omdat Hij er Zelf voor gekozen heeft om de mens een wil te geven. Als er mensen verloren gaan dan is dat omdat zij zichzelf niet wilden bekeren en niet verlost wilden worden (zie o.a. Jes. 30:15 en Openb. 21:8). Professor W. Verboom[11] stelt: “God verwerpt (alleen) mensen, die Hém verwerpen”.

 

De (dubbele) predestinatieleer heeft helaas eeuwenlang zijn desastreus effect gehad, maar is tegenwoordig niet meer zo actueel, omdat de moderne en mondige mens terecht deze leer zich niet meer laat aanpraten. Daarom moet de boze het over een andere boeg gooien, en komt de alverzoeningsleer meer en meer naar voren. Immers, zegt men, het kan toch niet zo zijn dat een liefdevolle God mensen voor eeuwig verloren laat gaan? Deze leer past heel goed bij het postmoderne denken dat ieder zijn eigen waarheid heeft, en de opvatting dat er wel meer wegen naar God zullen zijn, en dat het met iedereen wel goed zal komen.

 

4. De alverzoeningsleer

De alverzoeningsleer (ook hiervan zijn er diverse varianten) zegt, dat alle mensen behouden zullen worden, want het zou toch onterend voor God zijn, dat een nietig schepsel als de mens Gods wil zou kunnen weerstaan. God is toch sterker dan de wil van de mens? Het kan toch niet zo zijn dat de wil van de mens God zodanig zou kunnen frustreren, dat het goddelijk voornemen niet kan worden gerealiseerd? Dan zou de wil van God om Zijn plan te volvoeren het moeten afleggen tegen de onwil van de mens, aldus een fervente aanhanger van de alverzoeningsleer[12]. We zullen hierna aangeven waarom dit een onjuiste voorstelling van zaken is. We zien overigens ook nu weer bij de alverzoeningsleer een bepaalde (foutieve) opvatting over de wil van de mens. Theologen die neigen in de richting van een vorm van alverzoening zijn bijvoorbeeld Barth, Berkhof en Berkouwer[13]. Ook zou in dit verband Rob Bell met zijn boek ‘Love Wins’ genoemd kunnen worden[14].

 

Teksten die door verdedigers van deze leer worden gehanteerd zijn bijvoorbeeld: Joh. 12:32 (“en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken”), Titus 2:11 (“Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen”), 1 Tim. 2:4 (“….die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen”) en 1 Kor. 15:22 (“ Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden”). Aanhangers van de alverzoeningsleer concluderen uit deze teksten dat dus alle mensen behouden worden, maar men vergeet dat het heil dat God aanbiedt door de in zonden verloren mens aangenomen moet worden. God stelt de mens immers voor de keuze om Zijn aanbod van genade wel of niet aan te nemen. Zie bijvoorbeeld Deut. 28 over de zegen en de vloek.

 

Bovendien is de alverzoeningsleer niet te rijmen met teksten als bijvoorbeeld: “En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid” (Matt. 7:23),“… indien gij niet gelooft, dat Ik het ben, zult gij in uw zonden sterven” (Joh. 8:24b), “… als Hij straf oefent over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen. Dezen zullen boeten met een eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid Zijner sterkte” (2 Tess. 1: 8 en 9) en “… hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden” (2 Tess. 2:10).

 

Wij onderschrijven de alverzoeningsleer dus niet, hoe graag een mens dat vanuit zijn gevoel wèl zou willen[15], maar dan komt uiteraard de vraag naar voren wie dan wel verloren zouden gaan? Met de aanhangers van de alverzoeningsleer menen ook wij dat mensen, die nooit het evangelie hebben gehoord, niet op voorhand naar de hel zullen worden verwezen. Het oordeel is immers niet aan de mens, maar aan God. En dat kunnen we gerust aan Hem overlaten, want Hij zal rechtvaardig oordelen. Hoewel God toch alles in het werk zal stellen om deze mensen nog te bereiken, moeten wij toch op grond van de Bijbel er rekening mee houden dat zij die willens en wetens de duisternis liever hebben gehad dan het licht, en tot het einde toe Jezus als Verlosser bewust zijn blijven afwijzen, verloren zullen zijn.

 

Het is opmerkelijk dat zowel de aanhangers van de predestinatieleer als de alverzoeningsleer de vrije wil van de mens ontkennen, want dat zou een aantasting en belediging van Gods almacht en soevereiniteit zijn. Alleen de eerste leer laat God een beperkende keuze en de andere doctrine laat God iedereen behouden. In beide gevallen heeft de mens zelf kennelijk geen keuze. Overigens kan men zich afvragen of er ook niet andere redenen zijn om de vrije wil te ontkennen, bijvoorbeeld de angst om hoogmoedig tegenover God te zijn, of het willen ontlopen van verantwoordelijkheid.

 

Uit de beknopte bespreking van de bovengenoemde drie visies, die allen zich baseren op bepaalde Bijbelteksten, blijkt hoe belangrijk het is om Gods Woord in zijn geheel te leren kennen en teksten in de context te lezen (en dus niet alleen maar enkele losse tekstfragmenten) en hoe noodzakelijk het is om de leiding van de Heilige Geest te vragen en te hebben bij het lezen en verstaan van de Bijbel. Daarbij is het kennen van het liefdevolle en rechtvaardige hart van God van onmisbaar belang. En ook is een goede visie op de verhouding tussen de wil van God en die van de mens nodig.

 

5. De soevereiniteit van God en de wil van de mens

RWe zullen nu nader ingaan op de vraag of de soevereiniteit van God en de wil en verantwoordelijkheid van de mens al of niet verenigbaar met elkaar zijn.

 

Wat is de soevereiniteit van God? Hieronder kan men verstaan dat God niet aan iets anders onderworpen is. God is dus soeverein in die zin dat Hij aan niets boven Hem verantwoording schuldig is. Hij heeft absolute zeggenschap. Dat betekent echter geen willekeur, want Gods soevereiniteit gaat samen met Gods volmaaktheid, wijsheid, liefde, rechtvaardigheid en heiligheid. God houdt Zich aan Zijn eigen wetten, anders zou Hij Zelf wetteloos zijn. God heeft ervoor gekozen om de mens een wil te geven waarmee hij kan kiezen. Deze mens kan òf gehoorzaam òf ongehoorzaam zijn aan de wil van God. Dit is al in Gen. 3 te zien, waar de (toen nog zondeloze!) mens zich door de slang liet verleiden (of: ervoor koos zich door de slang te laten verleiden).

 

Wat is de wil van de mens en in hoeverre is die wil wel vrij? De (wils)vrijheid van de mens is een eigenschap, die behoort tot ons bestaan als mens en die haar grond vindt in de schepping van de mens naar Gods beeld. God schiep de mens als redelijk-zedelijk wezen, voor wie normen gelden, die ook afgewezen (niet-gehoorzaamd) kunnen worden[16]. Het willen is niet iets eenduidigs. Willen kan betrekking hebben op verschillende aspecten, namelijk: a) beschikken of bepalen (bijvoorbeeld: iemands wil = wet), b) wensen, verlangen (zich iets ten doel stellen, bijvoorbeeld een studie volgen; wat men wenst of verlangt kan of haalbaar of onhaalbaar blijken te zijn) en c) kiezen (uit beschikbare mogelijkheden, die men kan accepteren of afwijzen). We zullen niet ingaan op de wilsvrijheid die de mens heeft om bijvoorbeeld een bepaalde studie te volgen, een beroep, een woonplaats, vrienden of een vakantiebestemming te kiezen. Die ruimte geeft God aan de natuurlijke mens. Het gaat ons echter om de wil van de mens in relatie tot God, en wel morele, ethische keuzes. Het feit dat de mens kan kiezen is niet in strijd met Gods regering want Zijn raad en voorzienigheid zijn zo groot en machtig, dat daarin plaats is voor de mens met zijn zedelijke vrijheid zonder dat dit iets tekort doet aan Gods bestuur en soevereiniteit[17]. Terecht zegt de professor W. Verboom dat Gods beslissing voor de mens en de beslissing van de mens voor God niet te veel tegen elkaar uitgespeeld moeten worden. Soms is er bij bepaalde vraagstukken (zoals bijvoorbeeld de relatie tussen almacht van God en vrije wil van de mens) zelfs sprake van een spraakverwarring, waardoor er onverenigbaarheid lijkt te bestaan.

 

Ten aanzien van de wil van de mens zou men kunnen zeggen: “Maar iemand die aan bijvoorbeeld roken of drank verslaafd is, heeft toch géén vrije wil?”. (Je zou eigenlijk moeten zeggen: geen vrije wil meer, want voordat de verslaving was ontstaan, was er wel degelijk sprake van een vrije wil, ook al kon die door bepaalde omstandigheden onder druk zijn gezet). Inderdaad is in geval van verslaving sprake van een zekere gebondenheid, want elke binding met zonde maakt de wil van de mens in een bepaalde mate gebonden. Maar met het nog vrije gedeelte van de wil kan men in morele zin in beginsel (ook al is dat misschien zelfs alleen maar af en toe) nog altijd een wilsbeslissing nemen, een keuze maken. Dàt is bekering, zich openstellen voor Gods Woord en voor wat God wil en kan doen door de kracht van Zijn Heilige Geest, waardoor God de mens (steeds verder) in de vrijheid brengt.

 

We zagen hierboven dat de aanhangers van de drie genoemde visies de vrije wil van de mens als het ware bijna als een soort belediging voor God zien. We zullen hieronder aangeven waarom de vrije wil van de mens de soevereiniteit van God niet aantast. God heeft er Zelf voor gekozen om de mens de vrije keuze te geven om Hem wel of niet te gehoorzamen. Daarom staat er: “… is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden” (Hebr. 5:9). Gods beloften en profetieën voor personen zijn immers voorwaardelijk. God respecteert de wil van de mens. Daar heeft God in Zijn soevereine wil bewust voor gekozen. God is een God van liefde. Hij wil een liefdesrelatie met de mens. Liefde laat mensen vrij in hun keuze om die liefde en genade ootmoedig en in grote dankbaarheid te aanvaarden, óf het hoogmoedig en hardnekkig af te wijzen. God wil niet dat wij robotten of marionetten zijn, maar dat wij uit vrije keuze en uit liefde voor Hem Zijn wil van harte doen[18].

 E

6. Misverstanden en de oplossing ervan

Het feit dat de mens een vrije wil heeft, wil niet zeggen dat de wil van God en die van de mens op gelijk niveau staan. De mens heeft uiteindelijk niets te willen (in de zin van iets bepalen) maar slechts te aanvaarden of af te wijzen wat God wil. De mens kan alleen kiezen voor God of tegen God, met andere woorden: kiezen in welke wetmatigheid hij stapt. Ofwel in de wetmatigheid van God (en dat geeft uiteindelijk ware vrijheid, gelukzaligheid en waarachtig leven) òf in de wetmatigheid van satan, dus van de zonde, dat is elke afwijking ten opzichte van Gods bedoeling met de mens (en die afwijking levert ellende en dood op), .

 

Maar als de mens met zijn wil kan kiezen, hoe zit het dan met de relatie tussen het verlossingswerk van Jezus Christus en Gods werk door de Heilige Geest enerzijds en die menselijke wil en verantwoordelijkheid anderzijds? In vroeger tijden kon, maar zelfs ook nu kan men dat niet altijd goed met elkaar rijmen en was (is) men bang dat de mens zou denken dat de menselijke wil als zodanig de behoudenis zou kunnen bewerken en dat de mens zou kunnen gaan opscheppen over zijn medewerking aan de Geest van God. Daartegenover kunnen we stellen dat de wil van de mens beslist niet voldoende is om behouden te worden, want aan die wilsbeslissing van de mens gaat vooraf de wil van God dat mensen behouden worden en dat mogelijk heeft gemaakt door het offer van Jezus Christus. Dus het ligt niet in het vermogen van de mens zichzelf te redden, maar slechts door in te gaan op de genade die God in Jezus Christus aanbiedt. Daardoor krijgt hij deel aan de redding. En vervolgens kan de wedergeboren mens alleen maar in totale afhankelijkheid van de Heilige Geest geestelijk groeien. Maar de mens dient (met zijn eigen wil) ervoor te kiezen zich daarvoor open te stellen òf zich daarvoor afgesloten te houden.

 

Vergelijk het met een kraan, die men kan opendraaien of kan dichthouden. Het openzetten van de kraan als zodanig geeft geen water (als er geen waterleiding achter zit), maar geeft wel de toegang tot het water dat al in de leiding aanwezig is (daar heeft iemand anders, in dit voorbeeld het waterleidingbedrijf, voor gezorgd), en door het openen van de kraan kan worden toegelaten. Een ander beeld is dat van de trolleybus, die alleen kan rijden als de beugel tegen de hoogspanningsdraad die onder stroom staat, wordt aangedrukt (menselijke wil) én als er stroom op de hoogspanningsdraad staat (Gods voorziening in Jezus Christus). Dus als er geen stroom op de bovenleiding staat kan men de beugel nog zo stevig tegen de draad aandrukken, de bus zal niet (kunnen) rijden. Jezus zei: “Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5).Maar daarmee is de ‘rol’ van de keuze, de wilsbeslissing, van de mens niet verdwenen.

 

Er is ook vaak verwarring ontstaan omdat men niet het verschil zag tussen wilskracht en wilsbeslissing (keuze). Men wijst soms op Romeinen 9:16 waar staat: “Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt”. Het gaat er bij die tekst om dat wij niets uit eigen kracht kunnen doen. Men verwart het iets doen uit eigen kracht en dus ook wilskracht, met de wilsbeslissing om zich, zoals we al zagen, afhankelijk van God te stellen. Men moet dus het willen als krachtinspanning onderscheiden van de wil (keuze) om zich aan God over te geven, zich aan Hem toe te vertrouwen. Dat laatste is wat God van ons vraagt. God wil ons behoud, maar Hij heeft ons een vrije wil, een vermogen tot kiezen, gegeven. Ook al kunnen we zonder Gods genade en kracht niets doen, God kan niet voor ons kiezen, ook al bewerkt hij het willen, dat wil zeggen, dat Hij ons helpt het goede te willen.

 

Een eenvoudig beeld kan de verhouding duidelijk maken tussen wat God doet, en wat de mens moet doen. Als voorbeeld nemen we een wissel op een spoortraject. De wissel kan naar links (foute situatie) of naar rechts (goede situatie) gericht worden. Het overhalen van de hendel naast de wissel is beeld van de wilsbeslissing, de keuze van de mens. De mens weet vanuit Gods Woord dat de betreffende wissel naar rechts gezet moet worden, de mens wil dat ook, en trekt uit alle macht aan de hendel van de wissel om deze in de goede stand te krijgen. Maar zowel de rails van de wissel als de hendel zijn vastgeroest. Er is geen beweging in te krijgen. Dus de mens kan niet in eigen kracht, niet in eigen wilskracht die hendel omzetten. Wat nu moet gebeuren is dat zowel de rails van de wissel als de hendel worden gesmeerd met olie om de zaak los te maken. Je zou, met permissie, kunnen zeggen dat het inroepen van de hulp van de kracht van de Heilige Geest het laten aanbrengen van die olie is. Zonder die kracht van God kan de mens de wissel inderdaad niet om krijgen om in de goede stand te zetten. God wil dat de mens Hem om die kracht vraagt, dus van Hem afhankelijk wil zijn. Maar wat God niet doet, is het overhalen van de hendel. Dat moet de mens zelf doen. God moedigt vanuit Zijn liefde de mens aan om de wissel naar rechts te zetten, dus een goede keuze te maken (“want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt” aldus Filip. 2:13), waardoor het leven de goede kant opgaat. Maar de mens moet zelf de hendel beetpakken en in een andere stand zetten. Dat doet God niet voor ons, want God wil nu juist dat de mens zelf de (morele) keuze maakt. God wil het dus wel mogelijk maken dat de mens de hendel kan omzetten, waardoor de wissel in de goede stand komt. Uit dit eenvoudige beeld blijkt dat zowel de kracht van God als de keuze van de mens voor of tegen God(s hulp) beide een rol vervullen.

 

Tenslotte willen we nog ingaan op een (schijn)argument van aanhangers van de alverzoeningsleer. Men stelt het verzet van de mens met diens vrije wil zo voor alsof de weerspannige mens in eeuwigheid Gods wil zou kunnen weerstaan. Dan zou God de verliezer zijn en de mens overwinnaar. Maar het antwoord is dat de mens wel kan dénken zich in deze tijd straffeloos tegen God te kunnen verzetten, maar aan het eind van de genadetijd, dus bij het eindoordeel, de eindscheiding, zal God tegen de mens die zich niet aan God wilde onderwerpen, zeggen: “Uw wil geschiede”[19], en dat betekent het gaan naar de plaats waar God niet is: de eeuwige Godverlatenheid, de hel. Immers die mens wilde toch Gods wil niet doen, en dus niet bij God zijn? En daar zal die mens dan wel spijt van hebben, maar dan is het te laat. En dat zal eeuwige wroeging tot gevolg hebben. Of mensen nu wel of niet zich aan God onderwerpen, God blijft tot in eeuwigheid de almachtige God en Zijn Koninkrijk zal komen en altijddurend zijn. De mensen die zich tegen Gods wil zijn blijven verzetten, liever hun eigen zin doen, en weigeren te erkennen dat ze van God afhankelijk zijn, zijn dus geen overwinnaars maar verliezers.

 

Slotwoord

Vandaar de hartstochtelijke oproep in de Bijbel:“Verhardt uw harten niet” (Hebr. 3:8 en 15; 4:7). Dit impliceert, dat een mens helaas tegen Gods wil kan ingaan (ook al betekent dat voor die mens bij volharding daarin uiteindelijk de eeuwige verlorenheid), dus een vrije wil heeft en zelf verantwoordelijk is voor zijn keuze. In principe is het heil er voor alle mensen, maar God heeft de mens een wil gegeven. De mens mag zelf kiezen, ook al kost het strijd tegen het vlees en het eigen ik. Daarom zegt de Bijbel: “Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt” (1 Tim. 6: 12) en “Kiest dan heden wie gij dienen zult” (Jozua 24:15).

 

Ik wil besluiten met een uitspraak van Neil en Joanne Anderson[20]: “Geleid worden door de Heilige Geest betekent niet dat je vrij bent om te doen wat je wilt (dat kan losbandigheid betekenen), maar dat je eindelijk vrij bent om een verantwoordelijk, moreel leven te leiden (volgens Gods beschermende levensrichtlijnen)(dat is ware vrijheid) – iets waar je niet toe in staat was toen je nog een gevangene was van je vlees”.

 

Piet Guijt

Zoetermeer, februari 2014  lees ook een ander artikel van deze auteur over de vrije wil : klik

https://stichting-promise.nl/schriftkritiek/misverstanden-over-de-vrije-wil-2.htm

 



[1]Ja, ik wil…’, Zaterdagbijlage van het Nederlands Dagblad van 15 oktober 2011.

[2] Djoni de Vos, Hoe bedoelt u: vrije wil?, Nederlands Dagblad van 10 september 2010

[3] Afscheidsrede prof. dr. H. Kolk, http://socsi.kun.nl/~kolk/redekolk.pdf

[4] Uit vrije wil? Commentaar Peter Bergwerff, Nederlands Dagblad van 8 september 2011

[5] Zie bijv. Vrije wil, Wikipedia http://nl.wikipedia.org/wiki/Vrije_wil

[6] Nederlands Dagblad van woensdag 24 maart 2004.

[7] Luther wilde onder de indruk van de door hem ervaren overmacht van Gods genade iedere schijn vermijden dat de mens zelf iets zou kunnen bijdragen aan zijn heil, en daardoor zat hij dichtbij een radicale ontkenning van de vrije wil van de mens. (Dick Schinkelshoek, Een vrije wil is nog geen goede wil, Nederlands Dagblad van 15 oktober 2011)

[8] Uit vrije wil? Commentaar Peter Bergwerff, Nederlands Dagblad van 8 september 2011

[9] Pink, A.W., De soevereiniteit van God. Uitgegeven door: De Banier van Waarheid, Rotterdam, ongedateerd

[10] Voor Wesley betekent ‘uitverkoren zijn’ o.a.: gekozen om een bepaalde opdracht te vervullen. Zie Soteria van december 2003, pag. 31

[11] Prof. Verboom was leerstoelhouder ‘Geschiedenis van het Gereformeerd Protestantisme’ in Leiden (sinds 1 augustus met emeritaat)

[12] Niet gepubliceerd manuscript van de heer J. A. van Arkel te Zoetermeer

[13] Hemel of hel. Onze eeuwige bestemming. Theologische Verkenningen Bijbel en Praktijk onder redactie van drs. A.G. Knevel, Kok Voorhoeve, Kampen 1991, pag. 67 t/m 92

[14] Rob Bell, Love Wins, 2011

[15] C.S Lewis zei: “Er is geen leerstuk, dat ik, als ik dat kon, liever uit het christendom zou willen verwijderen”. Citaat aangehaald door dr. J. Hoek. In: ‘Hemel of hel. Onze eeuwige bestemming’. Theologische Verkenningen Bijbel en Praktijk onder redactie van drs. A.G. Knevel, Kok Voorhoeve, Kampen 1991, pag. 14

[16] Christelijke Encyclopedie, J.H. Kok N.V. Kampen 1961, deel 6, pag. 539

[17] Christelijke Encyclopedie, J.H. Kok N.V. Kampen 1961, deel 6, pag. 540

[18] Zie ook de bespreking van John Wesley door prof. dr. Jean-Pierre van Noppen in Soteria van december 2003, pag. 28

[19] Deel van een citaat van C.S. Lewis genoemd door dr. J. Hoek. In: ‘Hemel of hel. Onze eeuwige bestemming’. Theologische Verkenningen Bijbel en Praktijk onder redactie van drs. A.G. Knevel, Kok Voorhoeve, Kampen 1991, pag. 15

[20] Neil en Joanne Anderson, Elke dag in Christus, Bijbels Dagboek, Herstelteam, 2010, p. 61

Categorie: Pastorale onderwerpen