Het modernisme en de vrienden van Job

 

Het modernisme en de vrienden van Job

André H. Roosma

Onlangs hoorde ik op de radio een preek over de raadgevingen die Job van z'n vrienden kreeg toen hij in de puree zat1. Ik vond dat een prachtige illustratie van iets waar ik al lang over wilde schrijven.
Dat 'iets' betreft het modernisme en het postmodernisme. Maar voor ik daarover van wal steek, eerst even 'n stukje over die vrienden van Job.

De vrienden van Job

Wat is de situatie? De tegenstander van God klaagt tegenover God. Dat is z'n aard. Klagen en aan-klagen. Van Job zegt hij zoiets als: “Ja, geen wonder dat hij U dient, U maakt het hem ook wel heel gemakkelijk en comfortabel: een fijn gezin, een mooi huis, en ook verder materieel alles wat zijn hartje begeert! Geen wonder dat hij tevreden is! Maar als hem wat van die zaken afgenomen zouden worden, wedden dat hij U verlaat?”
God neemt de uitdaging aan, want Hij weet uit welk hout Job gesneden is. God weet dat Job niet van plan is om Hem te verloochenen. Het resultaat is dat de tegenstander hem stukje bij beetje alles afneemt. Ten slotte zit Job onder de blote hemel, zijn gezin dood, zijn huis verwoest, zijn gezondheid aangetast.
Dan beklaagt hij zich tegenover God; hij vindt het niet eerlijk, wat er allemaal gebeurd is. In de hoofdstukken 4 en 5 van het boek Job komt dan een vriend van hem aan het woord: de Temaniet Elifaz. Die zegt zoiets als: “Ja, Job, je kunt je nu wel beklagen bij God, maar God is God en Hij is liefde, dus je zult het toch wel aan jezelf te danken hebben. Je bent het je misschien niet zo bewust, maar je zult toch wel iets misdaan hebben, dat God je op deze wijze corrigeert.”
In feite was Elifaz’ theologie heel eenvoudig en rechtlijnig: ‘Als je goed doet, dan zegent God je en ervaar je dat in je gezin, in rijkdom en voorspoed. Als je verkeerde dingen doet, dan gebruikt God de afwezigheid van deze zegeningen om je te corrigeren zodat je weer op de goede weg gaat wandelen’. Elifaz zag dat Job niet meer gezegend werd en weet dat er dus aan dat Job dan wel verkeerde dingen gedaan zou hebben. Eenvoudig en doeltreffend had hij de situatie geanalyseerd en kon hij met een advies komen wat Job wel weer op het rechte pad zou helpen, zodat God hem weer zou zegenen. Tenminste, dat dacht hij.

En ik herken daar veel in. Immers, hebben we er niet allemaal behoefte aan dat de wereld simpel en eenvoudig te verklaren is? En willen we niet allemaal graag - in het bijzonder bij akelige omstandigheden – dat we eenvoudig kunnen afleiden wat er aan zo’n nare situatie te doen is?

Maar kwam het beeld dat Elifaz had wel overeen met de situatie zo die er werkelijk lag? Uit de achtergrond die beschreven is in de eerste hoofdstukken van het boek Job, weten we wel beter. Er speelden zaken waarvan noch Job, noch Elifaz, noch een van Job's andere vrienden ook maar iets wisten of enig vermoeden hadden.
Dat maakte dat de waarheden-als-koeien (‘God is liefde’, ‘God is rechtvaardig en straft niet iemand als daar geen reden voor is’, etc.) waarmee Elifaz aan kwam zetten, wel erg goedkoop en niet van toepassing werden.
O, zeker, elk op zich, en los van de situatie, klopten deze beweringen wel... Elke bewering was op zich genomen wel ‘waar’. Maar ‘de waarheid’, in de zin van: een goed beeld op de situatie van Job, gaven ze bij elkaar totaal niet weer. God moet, zo blijkt aan het eind van het verhaal, ook niet zo veel hebben van dit soort goedkope ‘waarheden aaneenrijgerij’ (zie Job 42: 7–10). Hij zegt dan: “gij hebt niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job”.
De waarheid is niet een eenvoudige verzameling theologische ‘regeltjes’ die we in onze hand hebben en eenvoudig kunnen toepassen.
De Waarheid is een Persoon! (vgl. Johhannes 14:6) Hij gaat ons bevattingsvermogen verre te boven! Dat is ook Job's conclusie in hoofdstuk 42, als God hem bepaald heeft bij Wie Hij is: “Toen antwoordde Job de Almachtige: Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen uwer plannen wordt verijdeld. ‘Wie is het toch, die het raadsbesluit omsluiert zonder verstand?’ Daarom: ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep. ‘Hoor nu, en Ik zal spreken; Ik wil u ondervragen, opdat gij Mij onderricht’ Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof en as”
(Job 42: 1–5). Job begreep toen, dat zijn woorden te groot waren geweest voor een eenvoudig schepsel tegenover de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.

Lees verder

Categorie: Postmodernisme