Jezus , God die mens geworden is (3)

Jezus, God die mens geworden is.

 

We willen enkele artikelen plaatsen over de persoon en de karaktertrekken van Jezus als mens. Hij is volkomen God en volkomen mens. Het kan een steun in het pastoraat zijn, als confidenten zich verdiepen in het volmaakte leven van Jezus als mens en Heer omdat God niet abstract blijft, maar ook kenbaar is in de ziel, de persoonlijkheid van Jezus. In deze studie wordt bijvoorbeeld ook gewezen op het verschil met Boeddha en Confucius. Natuurlijk kan Jezus alleen gekend worden door de Heilige Geest en via de geestelijke wetten en ordeningen, zoals die ook in de Bijbel verwoord worden. Hij is de God, die mens geworden is, het beeld van God de onzichtbare. Of zoals de Hebreeënbrief (1:1-3a) ons zegt: “Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door Zijn Zoon, die Hij heeft aangewezen als enige erfgenaam en door Wie Hij de wereld heeft geschapen. In Hem schittert Gods luister, Hij is Zijn evenbeeld”.

Jezus’ relatie met God

God is voor velen van ons een verre God, zeker als we Hem allen maar proberen te kennen vanuit ons denken. Jezus heeft nooit door overdenkingen van de natuurverschijnselen de gevolgtrekking gemaakt dat God bestaat. Hij heeft nooit naar het kosmologische bewijs gezocht, of God gevonden door het zoeken naar de waarheid. Nee, Hij stond met God in een levensgemeenschap en ‘beleefde’ Hem, en dat was genoeg. Hij voelde dat Zijn ziel door geheimzinnige, diepgaande krachten geleid werd. Zijn weten over God vloeide voort uit Zijn omgang met God. Wanneer Hij over God sprak, sprak Hij in het volle besef van Gods tegenwoordigheid. Hij heeft het ‘en toch’ van het geloof nooit gekend. Het is niet waar dat Hij een heldhaftig geloof moest oefenen, ondanks alle tegenspraak die Hij te verduren had. Nee, voor Jezus was God niet iets twijfelachtig. Hij was zich voortdurend bewust van de aanwezigheid van God. De eenvoudige helderheid waarmee Jezus de hemelse Vader, Zijn wezen, Zijn wil altijd zag en ervoer, staat hemelhoog boven alles wat in de geschiedenis op Hem lijkt. Jezus’ kenmerk was het geestelijk doorzien van de dingen. Jezus zag de natuur en God niet als twee volkomen gescheiden zaken. Zijn leer was dat God in Zijn schepping van de natuur de scepter zwaait. De ‘natuurlijke’ zegeningen en het lijden doen de natuur niet over ons komen, maar God. God is het middelpunt van de natuur. Geen vogel sterft zonder Zijn wil (Matt. 10:29). Geen haar valt tegen zal ter aarde vallen zonder de Vader (Matt. 10:30). Regen en zonneschijn worden door niemand anders dan door Hem bestuurd (Matt. 5:45). Overal trad Jezus God sterk en krachtig tegemoet. “Mijn Vader werkt tot nu toe” en Jezus was in staat de dingen zo te doorzien, dat Hij door deze zaken de Vader zag. Hij zag God de Vader, toen mensen Hem in de boeien sloegen: “De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren”. Door alles wat Hij beleefde in de natuur, in Zijn omgeving en in Zichzelf ‘zag’ Hij God. Nooit hoefde Hij onderzoek te doen naar Gods wil. Het was Zijn roeping om op ieder moment waarop Hij zich bewust was van Gods wil, deze te doen. Jezus was niet één van de vele mensen die God zochten, Hij kende geen ‘godsbeleving’ door mystieke geestesvervoering en of ascese. Hij kende geen begin van goddelijke openbaring. Nooit heeft Hij Zijn vroegere voorstellingswijzen moeten verlaten, nooit heeft Hij zich door allerlei moeite, bezwaren en hindernissen heen moeten worstelen om tot gemeenschap met God te komen.

Het was veelmeer een deel van Zijn wezen om in een dergelijke verhouding tot God te staan. Hij alleen kent de Vader (Matt. 11:27). Alles is Mij toevertrouwd door Mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is; dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren. Door Zijn oorspronkelijke eenheid met de Vader en door de ononderbroken levensgemeenschap met Hem heeft bij Jezus de kennis van de Vader zich op natuurlijke wijze ontwikkeld. En als degene die God openbaarde, zo trad Hij de mensheid tegemoet door tegen iedereen te zeggen: “Leert van Mij” (Matt. 11:29).Want bij Hem ging het niet om gedachten en voorstellingen die Hij zelf gemaakt had, maar om een zeker weten (Joh. 12:49 vv Matt. 11:27), om een ‘gezien’ hebben (Joh. 8:38). Ongetwijfeld was Hij, met die Godskennis, de enige van alle mensen. Alleen Hij bezat haar, anderen kunnen die slechts van Hem ontvangen. Daarom sprak Hij ook over “Mijn Vader” en “Uw Vader”. Hij stond in een heel andere relatie tot God dan andere mensen. “Niemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren (Matt. 11:27). Maar wat heeft Hij dan nu van God aan de wereld als ‘nieuws’ gebracht? Jezus heeft een sterk bewustzijn van eigensoortigheid en majesteit van God bezeten. De hemel is Zijn troon en de aarde Zijn voetbank (Matt. 5: 34; 23:22). God is de Heer van hemel en aarde (Matt. 11:25). Zijn almacht is onbeperkt (Matt. 19:26). Lichaam en ziel kan Hij verderven, reden genoeg dat de gehele wereld Hem zou moeten vrezen(Matt. 10:28). Dit zijn allemaal uitspraken van de Here Jezus. Maar wat van dit alles was iets wat Israël vóór die tijd niet geweten had? Dat is zonder meer de kennis van God, dat Hij degene is die liefheeft als een Vader. Zijn wezen is het Vader zijn. Zeker, ook in de psalmen wordt God als vader aangemerkt (Ps. 68:6; 103:13). Maar dat aspect van het wezen van God was nog niet diep doorgedrongen. Het vaderschap van God is het fundament, het wezen van God. God was in het jodendom, de van de wereld vervreemde, en ongenaakbare geworden: de opsteller van de wet, die in het hiernamaals op pijnlijk nauwkeurige wijze, debet en credit afweegt. De goedheid van God is meer dan de menselijke gerechtigheid. In die zin was de religieuze gezindheid in Jezus’ tijd met angst doortrokken, zowel bij de joden als de heidenen (Rom. 8:15).

“U hebt de Geest van God niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn en om Hem te kunnen aanroepen met ABBA, Vader”. Wat de natuurlijke mens van God kent, is Zijn wet. Als hij zich niet distantieert van God, staat hij in een verhouding van angst tot God. Nu komt Jezus met een ongehoord nieuwe boodschap: Het meest innerlijke wezen van God is dat God liefheeft als een vader. Als een vader bekommert Hij zich om de afzonderlijke behoeften van ieder schepsel. Ja, tot in de kleinste details toe (Matt. 6:26 vv; 7:11; 10:29 vv). Vergevende liefde is bij Hem net zoiets vanzelfsprekends als bij een aardse vader. Hij houdt bijzonder van wie van Hem vervreemd is (Luc. 15:6,9,24) en Hij geeft allen hetzelfde loon, omdat het goed is (Matt. 20:15). Dat betekent niet dat de Vader een krachteloze grijsaard is. Nee, Jezus kende op geen enkele manier iets van zwakte van God. Hij kende geen Vader zonder heiligheid en ernst. In het Oude Testament bestond de religieuze betrekking tussen God en mens (Volk Israël) als een overeenkomst. Toen was het verbond voor Israël en het houden van Gods geboden gekenmerkt door de ‘uitbetaling van loon’. Nu staat alles in het teken van genade en blijven weinig grote eisen van God over. Jezus heeft onthuld, dat het wezen van God een wezen van vaderlijke liefde is. Alleen Hij heeft dit verstaan.

Jezus’ vroomheid.

Als we Jezus vergelijken met andere vooraanstaande gelovigen, zijn er enkele belangwekkende verschillen. Vóór alles ontbrak bij Jezus het dankbare gevoel van een begenadigde zondaar. Jezus wist niet wat het betekent een met God verzoend mens te zijn. De grootste gave die het geloof brengt is vergeving van zonden, en die vergeving had Hij niet nodig. Nooit heeft Hij te hoeven denken aan het heil van Zijn eigen ziel. Wat bij ons vaak het einddoel van onze vroomheid is, de éénheid van de wil met de Vader, lag bij Jezus aan het begin van de weg. Hij heeft nooit de liefde van de Vader gezocht, maar altijd bezeten. Daarom ontbrak bij Jezus in diepste wezen ook de deemoed, de nederige gezindheid ten opzichte van God. Het afhankelijkheidsgevoel was niet de meest fundamentele trek in deze vroomheid, zoals de filosoof Schleiermacher beweert, dat het bij ons moet zijn, en ook niet de diepe en vreugdevolle kennis dat God de alleen Machtige en Levende is. Veel van wat Jezus in dit opzicht heeft gezegd, is gesproken ter voorlichting van anderen. Het was geen symptoom van Zijn eigen leven toen Hij zei: ”Vreest Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel (Matt. 10:28) of wanneer Hij leerde dat ze God als Rechter moeten vrezen (Matt. 12:36). Aan Jezus’ godsgeloof ontbrak angst. Hij kende ook niet de angst van het toenmalige jodendom om te zondigen tegen het derde gebod (Matt. 6:24,30). Bij Jezus was er geen angst voor God in het ziedende onweer (Matt. 8:24), dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij de vromen in de psalmen. Jezus was, als Gods hand aan het werk was, veelmeer vol rust en zekerheid. Bij Hem werd het woord ‘Mij zult u liefhebben met uw gehele hart’ voor de eerste en enige maal in de geschiedenis bewaarheid.Zijn mens-zijn bleek wel o.a. uit het feit dat hij alle emoties kende, waaronder ook de angst! Mat. 26:37 angst voor de Godverlatenheid, dood(sstrijd). vgl. Hebr.2:15; 5:7,8

 

Jezus’ vreugde

De kern van Zijn vroomheid was Zijn liefdevolle vreugde in God. Jezus’ vroomheid begeerde niets van God, zoals het zo vaak is met onze vroomheid. In die zin was er geen ontwikkeling in het leven van Jezus. Hij stelde er altijd een vreugde in dat God Zijn God is. In deze God verheugde Hij Zich, wanneer Hij Zijn ziel aan God verliest en in Hem opgaat. Met God was Hij blij, wanneer Hij met Hem samenwerkte. Jezus’ lust was de heerschappij van Zijn Vader in de wereld. De vreugde van Jezus was nauw verbonden met het vertrouwen op God. Hij heeft nooit God getart om Hem te helpen, nooit Gods bescherming in hoogmoed of doldrift opgeëist. Een dergelijke houding, wat Hij zag als het verzoeken van God, wees Hij al in de woestijn eenvoudig en waardig af (Matt. 4:7). In overeenstemming daarmee heeft Hij het ontwijken van gevaar en het Zich in veiligheid brengen (Matt. 4:12; 12:15), ja zelfs in het geheim (Joh. 7:10), tot het laatst toe niet geschuwd. Hij had de zekerheid dat Hij nergens anders dan in Jeruzalem zou sterven (Luc. 13:33) en dat Zijn uur nog niet gekomen was (Joh. 11:9). Al deze zaken leidden nooit tot een opschepperige of roekeloze houding. Hij was zeker van de bescherming van Zijn Vader. “Ik ben niet alleen, de Vader is met Mij”. Dat bewustzijn heeft Hem nooit verlaten. Voor Zijn besef lag alles, de mens en de natuur, tot zelfs de mus op het dak, in Gods hand (Matt. 10:29). Hij was ervan overtuigd dat zelfs de haren op het hoofd door God geteld waren (Matt. 10:30). In dit vertrouwen in God groeide een sterk en moedig karakter, en een grote rust. Voor Jezus was er werk én rust, in de door God verordende afwisseling. Net zoals de landman die opstaat en gaat slapen, en het zaad, alleen gelaten, laat opwassen (Marc. 4:27), zo heeft Hij Zelf ook gehandeld in rustig vertrouwen, Dat God Zelf voor de oogst zorgt. Nooit werd Hij geschokt in Zijn geloofsvertrouwen. Het laatste bewijs gaf Hij aan het kruis. Voor een mens valt het niet mee om vanuit een lijden naar God op te zien. Jezus heeft in het ultieme lijden geroepen: “Vader, in Uw handen beveel ik Mijn geest” (Luc. 23:46). En zelfs op het moment dat God Hem scheen te verlaten, liet Jezus Hem niet los. Eli, Eli, Mijn God, Mijn God. Met deze woorden klemde Hij Zich ook in het donkerste uur van Zijn leven nog met sterk vertrouwen aan de Vader vast (Matt. 27:46). Jezus zei tegen Zijn discipelen: “Vertrouwt op God en vertrouwt op Mij” (Joh. 14:1) en tegen Martha: “Je zult Gods grootheid zien als je dat gelooft” (Joh. 11:40 vv). Hij stelde het vertrouwen in Zijn persoon gelijk met het zien van goddelijke heerlijkheid. Verder zei Hij tegen Zijn discipelen, niet bezorgd te zijn als ze voor de menselijke rechter geleid zouden worden, omdat Hij belooft, dat Hij Zelf hun de mond zou openen en doen spreken, en hen zo wees op het vertrouwen in Hem (Luc. 21:14 vv). Jezus is zo totaal anders dan andere mensen. Men krijgt bij Hem het gevoel dat alles wat Hij zegt over vertrouwen op God, gezegd wordt met het oog op anderen. Bij Zichzelf is dit vertrouwen gemengd met een aanzienlijke hoeveelheid zelfvertrouwen. Je hoeft slechts de geschiedenis van de storm op het meer te lezen waarin Hij zich sterk en veilig voelt aan de zijde van God. Daarom is het ook niet vreemd als Hij in Joh. 10:18 zegt: “Niemand neemt Mijn leven, Ik geef het Zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer aan te nemen, dat is de opdracht die Ik van de Vader gekregen heb”. Bij Jezus is de relatie met God veelmeer een ‘naast elkaar’ en toch ‘één met elkaar’, een groot raadsel.

Jezus’ gebedsleven

Net zoals ons bestaan afhankelijk is van het inademen van lucht, zo kon de ziel van Jezus slechts ‘ademhalen’ in de gemeenschap met God. Zelfs midden in het drukste gewoel van Zijn leven, hoorde Zijn ‘geestelijk oor’ onophoudelijk wat de Vader Hem vertelde en zagen Zijn ‘geestelijke ogen’ voortdurend datgene wat de Vader Hem liet zien. Nooit trad Hij in zijn handelen buiten die eenheid met God naar buiten, want ook Zijn werken werden samen met God gedaan. Jezus had altijd een alerte geest, en had als geen ander ‘plotseling invallende gedachten’. De vijgenboom, niet ver van de weg, die met zijn rijke bladertooi de hongerende ‘bedroog’, was voor Zijn opmerkzame ziel onmiddellijk het onderwerp van een ontroerende gelijkenis (Marc. 11:12 vv). Luther heeft een groot deel van zijn leven doorgebracht in contemplatie, in overpeinzing van geestelijke dingen, en kwam uiteindelijk tot de conclusie dat werken ook een manier was om God te dienen. Jezus heeft die tijd niet nodig gehad. We moeten werken zolang het dag is; in de nacht die komt, kan niemand werken (Joh. 9:4). Nooit heeft Hij contemplatie als enige doel in het leven verheven. Het werk verhinderde Hem soms te eten ( Marc. 3: 20). Door het werk zonk Hij soms uitgeput neer op het schip (Marc. 4:38). Werken waren voor Hem Gods-dienst. Zo bleef Hij in het midden van de bewogenheid van het leven volkomen in de eenheid met de Vader; een alerte geest vol innerlijke ontferming in het midden van alle uiterlijkheid. Gods werken doen is nog wat anders dan rusten in de Vader. Jezus’ hele leven was een leven met God, bidden is echter nog veelmeer. In het bidden moet men geheel bij God zijn, want bidden is spreken met God. Bij het bidden treedt de mens eerst in het heiligdom van de gemeenschap met God binnen. Bid en werk, dat stond voor Jezus altijd vast, maar eerst het bidden. Zo was Hij in een bepaalde stad waar men Zijn hulp nodig had, maar Hij nam eerst tijd voor gebed (Luc. 5:15 vv). Het innigste meeleven brandde als een vuur in Zijn ziel (Matt. 9:36) en Hij wist dat Zijn werken spoedig tot een einde zouden komen (Joh. 9:4) maar van die tijd die voor het bidden bestemd was nam Hij nooit iets af. Nooit heeft iemand een dergelijk evenwichtig bestaan geleefd wat betreft de geestelijke balans van geven en nemen, een geregeld ‘ademen’ tussen zelfovergave en zelfhandhaving. Als de wereld op Hem aandrong door verlokkende verzoeking (Matt. 4; Joh 6:15) of door haar druk (Luc. 9:29,22) of zelfs door het vele werken met zijn onrust (Marc. 1:35,34 Luc. 5:16,15), iedere keer krijgen we het idee dat Zijn gebedsleven nog intenser werd. Het was telkens weer het bevestigen van het contact met de Vader, dat de wereld probeerde los te koppelen. In die tijd was de ingetogenheid van Jezus’ gebedsleven niet gewoon. Men bad het liefste daar waar anderen konden zien dat men bad, bijvoorbeeld op de hoeken van de straten of in de synagoge (Matt. 6:5). Jezus verwees de bidder naar de ‘binnenkamer’, zelden bad Hij in het openbaar. Vaak zond Hij het volk weg én Zijn discipelen (Matt. 6:45; 14:32), soms klom Hij omhoog naar een bergtop (Marc. 6:46) of ging Hij naar een eenzame plaats (Marc. 1:35), vaak in de nacht (Luc. 6:12) of als anderen sliepen (Marc. 1:35; Luc. 4:42).Van Jezus kunnen we leren dat een mens bij het bidden geen toeschouwers nodig heeft (Matt. 6:6). Tegenwoordig zijn er veel gelovigen die neerkijken op het formuliergebed en alleen het ‘vrije’ gebed verkiezen. Luther kende gebeden van buiten, die hij steeds op een bewuste, gemeende manier kon uitspreken. Jezus heeft zelfs nog aan het kruis gebeden uit de psalmenbundel (Ps, 22:2). Jezus bad veel hardop (Matt. 26:39). Vanuit het hart, door de mond uitgesproken. Soms bad Jezus hardop, zodat anderen het konden horen (Joh. 11:42; 17:13). Van Jezus lezen we steeds dat Hij bij het bidden Zijn ogen ophief (Joh. 11:41; 17:1) of hoe Hij opkeek naar de hemel (Marc. 6:41; 7:34). Bij het breken van het brood sprak Hij het dankgebed uit met Zijn ogen naar de hemel gericht (Matt. 14:9). Jezus had geen hekel aan een vaste uitwendige vorm van bidden. Het zal ook niet voor het eerst geweest zijn dat Hij biddend op de grond gelegen heeft toen Hij dit deed in Gethsemane (Matt. 26:39). Het dankzeggen voor het brood was voor Hem zo’n vaste gewoonte dat de Emmaüsgangers hem daaraan herkenden ( Luc. 24:35). Nooit is het uitwendige echter zo belangrijk dat Hij het Zijn discipelen voorschrijft. Hij klom graag een berg op om te bidden maar Hij wist dat Gods aanbidding aan geen berg gebonden is (Joh. 4:21). Hoewel Hij biddend opkeek naar de hemel, heeft Hij nooit enig gebaar, zoals bij Mohammed of de joden, verplicht gesteld bij het bidden. Driemaal knielde Hij in de nacht van het verraad neer, maar Hij heeft nooit iets over de maat van het bidden zelfs maar aanbevolen. Zo wilde Hij zelfs de schijn vermijden dat uiterlijke zaken belangrijk zijn bij het bidden. Zijn dagelijks werk werd door gebed gedragen. Vroeg in de morgen en in de avond knielde Hij voor de Vader. Aan tafel vouwde Hij Zijn handen en bij sommige genezingen zag Hij op naar de Almachtige. Soms waren de kortste gebeden de vurigste. Maar laten we proberen wat dieper in de geest van Zijn gebeden door te dringen. In de eerste plaats betekent bidden voor Jezus: liefhebben. Hoeveel vóórbedes bevonden zich niet in Zijn gebeden? Lees maar eens het hogepriesterlijke gebed in Joh. 17. Hoe weinig gebed voor Zichzelf en hoeveel vurige vóórbeden? Denk ook eens aan Zijn gebeden voor de mensen die Hem beledigden en vervolgden! (Matt. 5:44). Ja, Hij bad zelfs voor degene die Hem kruisigden (Luc. 23:34). Maar zeker ook toonde Hij hardop Zijn liefde voor de Vader. Zijn gebed sprak ook van een biddende nood, maar vóór alles van biddende liefde. Niet een ‘Uti Deo’, een gebruik maken van God, was het belangrijkste, maar veel meer het ‘frui Deo’, het genieten van God. Hij wilde Zich in Zijn God verheugen. En des te donkerder de wereld voor Hem werd, des te feller de liefde voor de Vader zich openbaarde: “Uw naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome” (Matt. 6:9); het ging in de eerste plaats om Gods eer. Hij kon voor alles lofprijzend dankzeggen, ook bidden voor de kinderen (Matt. 11:25). Lofprijzen is immers het overstromen van een door liefde en bewondering gevuld hart. Volgens de leer van de rabbijnen is Hizkia niet Messias geworden, omdat hij na de redding uit Sanheribs hand geen lofzang bad. Jezus begon Zijn tocht naar het kruis met een lofzang (Matt. 26:30). Pascal laat ergens God tot de mensen zeggen: “Jullie zouden Mij niet zoeken als jullie Me niet al gevonden hadden”. Jezus leefde in innige gemeenschap met de Vader, op een zodanige manier dat Hij Hem overal hoorde. Dat alleen was al belangrijk in Zijn gebed, als een noodzakelijk antwoord op een bestendige manier hardop lief te hebben. En dat alles op een zodanige toon van innigste vertrouwelijkheid, zoals nog nooit bestaan heeft in de wereld. Wel had men God als Israëls Vader aangeduid en een ‘Onze Vader’ was ook wel eens gebeden (Jes. 63:16), maar Vader in de zin van mijn Vader (ABBA, Vader), dat had niemand nog durven zeggen...

Bidden en ontvangen

Bidden betekende bij Jezus ook ontvangen. Jezus had de stellige overtuiging dat men, door te bidden met God, veel van Hem kon ontvangen (Luc. 18:3 vv). Jezus bad soms voor bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld dat hun vlucht niet in de winter of op de sabbat zou zijn (Matt. 24:20). Hij wist dat God, die het oor geplant had, zou horen (Ps. 94:9). Zo was gebed ook een gehoorde schreeuw om hulp en een zich laten troosten met een liefde die alle verstand te boven gaat. En toch heeft Hij voor Zichzelf nooit op deze manier gebeden, behalve dan in Gethsemane, maar dan ook onder voorbehoud (Matt. 26:39). Overigens verzekerde Hij een aantal verzen verder dat het voor Hem wel mogelijk was. “Of meent gij dat ik Mijn Vader niet kan aanroepen en Hij Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen zal sturen?”. Hij kon het wel, maar deed het niet. Bij Hem ging het ontvangen in het gebed veelmeer om de inwendige behoeften van Zijn ziel. Hij zocht niet in de eerste plaats de gaven, maar de Gever. Jezus heeft altijd bij de gaven van God Zichzelf gegeven. In zulke gebedsuren zalfde God Hem met de Heilige Geest. Zo groeide Hij geestelijk van kindsbeen aan op (Luc. 2:40,52), verenigd met de Vader. Het was het gebed waardoor Gods Zoon gesterkt werd in de uren waarin Hij de eenheid met de Vader hoe langer hoe sterker voelde. Hier ligt de eigenlijke bron van Zijn geestelijke kracht. Zijn bidden was een handelen, een geestelijk werken. Door dit contact met de Vader wist Hij op beslissende momenten welke weg Hij in moest slaan. Zijn geest was te allen tijde gewillig. In het gebed werd Hij ook heer over Zijn overigens zondeloze zwakheid van het vlees. In de uren van verzoeking bad Hij des te dringender en aanhoudender om Zijn ongeschonden ziel te bewaren (Matt. 27: 46; Joh. 6:15). De werkzaamste van alle mensen is hij die de grootste bidder is.

Gebed als offer

Naast liefhebben en ontvangen betekende bidden voor Jezus ook offeren. In het gebed offerde Jezus Zijn eigen wil. Ja, in het gebed verklaarde Hij Zich bereid om Zelf offer te zijn. Aan de eerste lijdensaankondiging ging bijvoorbeeld een gebed in eenzaamheid vooraf (Luc. 9:18). Na de spijziging van de vijfduizend bedacht Jezus dat Zijn werk op dat moment weinig vrucht droeg en dacht Hij aan het nabijkomende kruis. In die omstandigheden trok Hij zich terug en offerde Zichzelf weer op (Joh. 6:15). In het belangrijkste deel van het hogepriesterlijke gebed bad Hij: “Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon” (Joh. 17:1,5), met andere woorden: “Vader, hier hebt Gij Mij” (Joh. 12:27 vv). Bidden was hier voor Jezus niets anders dan Zichzelf offeren. Tot op dat moment heeft Jezus wel van dit offer geweten, maar nu komt het er ook op aan om het te brengen. Onder Gethsemane’s olijfbomen ‘stierf’ Hij de eerste keer. Je zou ook kunnen zeggen: Toen Jezus voor de eerste keer in het water knielde en Zich naast zondaars stelde (Luc. 3:21), heeft Hij Zich biddend tot het dragen van de zonde beschikbaar gesteld (Joh. 1:29).Jezus wist allang wie Hem verraden zou (Joh. 6:64,70), maar Hij heeft Zelf niets ondernomen om Judas tegen te houden. Bij Jezus was in die zin het bidden het zwaarste werk voor een mens. En dan begrijpen we ook dat na deze gebeden, tot driemaal toe, een verheerlijking van Jezus door God het gevolg was: namelijk bij de doop, bij de verheerlijking op de berg, en ten dage van de intocht in Jeruzalem (Luc. 3:21 vv; 9:29 vv en Joh. 12:28). Wie beseft niet dat Jezus in alle opzichten een voorbeeld is geweest voor het echte bidden? Hoeveel kan Hij ons niet leren op het gebied van zelfverloochening? En toch zouden we Hem tekort doen als we Hem alleen als een voorbeeld zouden zien. Hij was geheel anders, en wij kunnen niet zo maar in Zijn voetstappen wandelen. Je zou je kunnen afvragen waarom Hij nooit samen met de discipelen bad. Hij heeft wel veel voorbeden gedaan. Hij heeft wel als heer des huizes ook voor het brood gebeden en aan het einde van het Pascha de voorgeschreven lofgezangen (Ps. 113-118) gebeden, samen met Zijn discipelen (Matt. 26:30). Maar we kennen geen enkel gebed van Jezus waarbij Zijn eenzame Ik in het vertrouwelijke wij is omgezet. Het is ook niet zo dat Jezus ons bij het ‘Onze Vader’ in het heiligdom van Zijn gebedsleven betrekt. Integendeel, juist bij het ‘Onze Vader’ heeft Hij gezegd: “Zo zult gij bidden” (Matt. 6:9). Hij bad anders, alleen al in de aanhef. Maar Hij distantieerde Zich niet van Zijn leerlingen. Op sommige punten verschilde het gebed echter. Zo moest de tollenaar bidden: “O, God, wees mij zondaar genadig” (Luc. 18:13). Jezus had dat gebed niet nodig. Zelfs in Zijn stervensuur had Hij dat gebed niet nodig en was Hij Zich ten volle ervan bewust, dat Hij niet gelijk was aan andere mensen. En net zomin er een gebed van boete en berouw over zijn lippen kwam, bad Hij ook niet voor Zijn heiligmaking, of dat Zijn geloof niet zou ophouden. De bede bij het ’Onze Vader’ is een erkentenis van het hebben van een behoefte. Deze behoefte wordt zelfs gevonden bij de man die wist ‘dat alle dingen Hem overgegeven zijn van de Vader’ (Matt. 11:27). Daarom bad Hij soms anders dan wij. Dank, lofprijs en aanbidding vulden Zijn gebed. En als Hij ‘anders’ bad, bad Hij voor anderen en wist Hij dat Hij één met de Vader was (Joh. 11:42). Er lag iets van koninklijke volmacht in Zijn woord, toen Hij ten overstaan van Petrus, teneinde deze tot kalmte te stemmen, verzekerde: “Maar Ik heb voor u gebeden (Luc. 22:32) en nu, Petrus, is het voldoende”. Jezus heeft in het laatste uur voor velen voorbede gedaan. Hij was immers dè Hogepriester, middelaar, mediator. Waarlijk Hij had ook Zelf macht Zijn leven af te leggen of te behouden. Wie echter zelf macht heeft, die is niet, zoals wij in onmacht, op de hulp van anderen aangewezen.

Gerard Feller

(Fragmenten uit: ‘De Christus der Schriften, de Here der Heerlijkheid’ geschreven door Otto Borchert, 1924)

 

 

 

 

Categorie: Bijbelstudies: bemoedigend