Ontketende liefde

Ontketende liefde, een evangelie zonder recht

 

Ontketende liefde - een evangelische theologie voor de 21-ste eeuw.

Clark Pinnock en Robert C. Brown

Uitgeverij Ecclesia, Gorinchem, 2001

 

Pinnock neemt in zijn boek de liefde van God tot uitgangspunt. "Liefhebben is wat God ten diepste kenmerkt" (p. 51). Vanuit zijn eigen besef vult hij in wat het inhoudt dat God liefde is. Dat brengt hem tot allerlei conclusies zoals: God is liefde dus hij vergeldt het kwaad niet, God is liefde dus er is geen eeuwige straf.

 

Herhaaldelijk stelt Pinnock dat God het kwaad niet vergeldt. "God vergeldt niet" (p. 114). Hij erkent wel dat God straft, maar die straf is uitsluitend correc­tief bedoeld en niet vergeldend (retributief). God straft, zo stelt hij, alleen opvoedend, om tot inkeer te brengen. "Wij beschouwen het oordeel als uiting van Gods zorgende liefde" (p. 75) "het doel van Gods oordeel is genade" (p. 78). Het is duide­lijk dat Pinnock met dit standpunt een groot aantal bijbel­plaatsen negeert en ronduit tegen­spreekt. Hij wil niets weten van een God die het recht handhaaft, die het kwade straft (vergeldt) en het goede beloont (Zie b.v. Psalm 9:7, Romeinen 2:6-10).

 

Dit raakt de kern van het evangelie. De kruisdood van de Here Jezus is immers alleen te verstaan tegen de achtergrond van Gods rechtvaardigheid. Hoe kan God, die over Zichzelf in de bijbel heeft laten optekenen dat Hij een God van recht is, een God die het recht handhaaft, toch een schuldig mens vrijspreken? De bijbel stelt dat God een rechtvaardige rechter is. Een rechtvaar­dige rechter zal een schuldige niet vrijspreken. In zijn grote liefde heeft God voorzien in een manier waarop Hij het recht kan handha­ven en toch vergeven. Christus heeft onze schuld overgeno­men en er voor betaald. De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem (Jesaja 53:5). De straf is voltrokken. Aan het recht is voldaan, zodat God rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt die in Jezus gelooft (Romeinen 3:25,26). Amazing grace. Het kruist toont ons de liefde Gods, maar ook zijn heilig­heid en rechtvaardigheid.

Als God niet vergeldt, als God het recht niet handhaaft, zoals Pinnock beweert, dan is het sterven van de Here Jezus overbodig. Dan had God ons ook zo wel kunnen vergeven. Pinnock's theorie maakt het kruis tot een holle klank. Hij verzet zich tegen het beeld van God die door rechtvaardigheid zou zijn gebonden (p. 115). Hij veronderstelt dus dat God het recht kan buigen. God is echter integer, Hij kan zichzelf niet verloochen (2 Tim. 2:13), Hij kan niet tegen zijn eigen karakter in handelen. Hij is getrouw en daarom kan Hij niet ontrouw handelen, Hij is recht­vaardig en daarom kan en wil Hij niet onrechtvaardig handelen.

Zie hoe Pinnock tekeer gaat tegen de kern van het evangelie. "God slaat niet van zich af, God vergeldt niet, God eist geen genoeg­doening, God heeft alleen maar lief" (p. 114). De bijbel zegt dat God vergeldt, dat God het recht handhaaft. Pinnock stelt dit gelijk met “om je heen slaan”. Een God die vergeldt is voor hem blijkbaar gelijk aan een God die “om zich heen slaat.” Dit is lasterlijk. Nog een citaat: "God is geen sadist die zijn eigen geliefde Zoon aan het kruis slaat. We hebben het niet over vergelding of een strafrechtelijke zaak" (p. 113). De ouderwetse evangelicals stellen, zo beweert Pinnock, God voor als een God die geobsedeerd is door de schuld van de mensen vanwege hun zonden (p. 73).

Pinnock vindt dat door de traditionele evangelicals het kruis te veel werd en wordt benadrukt. Dit laat volgens hem geen ruimte voor de centrale plaats van de opstanding (p. 41). Hij stelt de vraag: "Waarom horen we de mensen doorgaans meer verlossende betekenis aan het kruis dan aan de opstanding hechten?" (p. 42). Als je net als Pinnock, niet meer gelooft in een God die gebonden is aan recht, een God die het kwaad vergeldt, ja, dan komen zulk soort vragen op. Dan begrijp je de noodzaak, en het wonder, van het kruis niet meer. Dan ben je het zicht op de centrale beteke­nis van het kruis kwijtgeraakt. Paulus zei: "want ik had niet besloten iets anders onder u te weten dan Jezus Christus en die gekruisigd" (1 Kor. 2:2). Pinnock weet het beter.

 

Wat is volgens Pinnock de betekenis van het kruis? "We hebben het niet over vergelding of een strafrechtelijke zaak. Het kruis is een openbaring van een meelijdende God .... Jezus draagt de pijn van goddelijke liefde in solidariteit met ons allemaal" (p. 113).

 

Hij gebruikt in zijn boek een slimme methode waarmee hij zijn "andere" evangelie, en dat is geen evangelie, verkoopt. Aan het begin van het boek stelt hij slechts dat de accenten niet goed liggen. Hij spreekt van een overdreven accent op de juridi­sche dimensie van de genade Gods (p. 8). Hij beweert dat het beeld van God als rechter op een onbij­belse wijze over­heersend is geworden in de westerse theolo­gie (p.9). Hij laat hier dus nog wel ruimte voor het juridische aspect van het evangelie. Verderop in het boek laat hij dit masker herhaaldelijk vallen en verwerpt hij openlijk de juridische dimensie van het evange­lie, zoals uit de hierboven weergegeven citaten blijkt, pp. 113, 114. "God vergeldt niet" en "We hebben het niet over vergel­ding of een strafrechte­lijke zaak".

 

Pinnock's schriftgebruik is zeer selectief. Hij neemt enkele teksten en ontwikkelt van daaruit, door deducties, die ook nog eens vaak aanvechtbaar zijn, zijn visie. De vele andere teksten die ook iets over het onderwerp zeggen laat hij buiten beschou­wing. Zo leert een blik in een concor­dantie dat God wel degelijk ver­geldt. "Een God van vergelding is de Here, Hij vergeldt gewis" (Jesaja 51:56). Dit is slechts een van de vele teksten die aan te halen zijn. Door Pinnock heen horen we de stem van de slang die botweg het woord van God tegenspreekt. God zei "ten dage dat gij daarvan eet zult gij sterven." De slang zei: "gij zult niet ster­ven", De bijbel zegt "Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergel­den" (Romeinen 12:9). Pinnock zegt: "God vergeldt niet."

Zijn schriftvisie wijkt op belangrijke punten af van het zelfge­tuigenis van de bijbel en daarmee ook van de traditionele protes­tant­se en evange­lische leer over de bijbel. Zo ontkent Hij, op postmo­derne wijze, in feite de doorzichtigheid (dat is de begrij­pelijk­heid) van de bijbel. "We verwerpen de pretenties van diegenen, die stellen dat hun interpretatie van de Bijbel de enige geldige is" (p. 37). Hij beweert dus dat je nooit kunt stellen dat je de bijbel op enige punt juist hebt uitgelegd. De reformatoren stelden b.v., op basis van hun interpretatie van de bijbel, dat we alleen door genade en alleen door geloof behouden worden. Van Pinnock mogen we niet zeggen dat dit de juiste en daarmee voor ieder geldige uitleg is. We mogen niet met zekerheid stellen dat b.v. de officiële rooms-katholieke leer, dat we behou­den worden door geloof en de sacramenten, onbijbels is.

 

In navol­ging van Barth stelt hij verder dat de bijbel getuigt van Gods openbaring (p. 37). Dit is de standaard benadering van het barthianisme, van de neo-orthodoxie. De bijbel is dan geen openba­ring. De bijbel is in hun visie slechts een oorkonde, een getui­genis van het feit dat individuele mensen openba­ring hebben ontvangen. En wat moet je denken van een zin als "Het is zinvol om de zondeval als historische gebeur­tenis op te vatten" (p. 68). Is dat dan voor een evangelical een punt van discussie? Of neem de profeet Nahum. Nahum weerspreekt Pinnock's stelling dat God niet vergeldt. "Een naijverig God, een wreker is de Here en vol van grimmigheid; een wreker is de Here voor zijn tegenstan­ders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijan­den. De Here is lankmoe­dig, doch groot van kracht, en de Here laat geenszins ongestraft" (Nahum 1:2,3). Pinnock lost dat als volgt op: "Mis­schien was hem, Nahum, dit nog niet geopenbaard" (p. 79). Pinnock veronderstelt dat Nahum nog niet beter wist, hij was nog niet op de hoogte van Pinnock’s "Theïsme van Goddelijke liefde", waarvan Pinnock beweert dat dit op het Nieuwe Testament is gegrond. Pin­nock voegt er aan toe: "Oudtestamentische auteurs vertonen wel vaker een anders dan christelijk standpunt, zelfs waar in hun woorden een zekere mate van waarheid gelegen is." Een zekere mate van waarheid!? De bijbel stelt "Uw woord is de waar­heid, heel uw woord is de waarheid", Pinnock spreekt van "een zekere mate van waar­heid." Hij veronder­stelt dus dat de auteurs van het Oude Testament de auteurs van het Nieuwe Testament op bepaalde momenten hebben tegengesproken. De oudtestamentische auteur zegt dan b.v. "God vergeldt" en de nieuwtestamentische auteur zegt dan "God vergeldt niet." Overi­gens, dit laatste is natuurlijk niet waar, want in het Nieuwe Testament wordt, in overeenstemming met het getuigenis van het Oude Testament, ook keer op keer betuigd dat God het kwade zal vergelden.

 

Als elke afwijking van de bijbel en van de gezonde leer uit het boek van Pinnock behandeld zou moeten worden kreeg je een boek van gelijke omvang. Om nog een enkel ding te noemen Pinnock beweert dat je tegelijkertijd in zowel de schepping als de evolutie kunt geloven, terwijl hij naar eigen besef de bijbel serieus neemt. Hij stelt zichzelf op het standpunt van theïstische evolutie (p. 28). Hij ontkent ook de eeuwige straf.

 

Pinnock verzet zich tegen het Calvinisme, hij verwerpt b.v. de dubbele predestinatie. Dit is echter niet nieuw in evangelische kringen. Pinnock wekt de indruk dat we hebben te kiezen tussen aan de ene kant het Calvinisme in zijn strengste vorm en aan de ander kant zijn eigen ontwerp van theïstische liefde. Dit is een mislei­dende voorstelling van zaken.

Hij mengt zich, in het boek, in de eeuwen oude strijd over de verhou­ding tussen enerzijds Gods bestuur en anderzijds de eigen wil van de mens. Voor het mense­lijk verstand zijn Gods soevereine bestuur en de eigen keuze mogelijkheid van de mens niet helemaal met elkaar te rijmen. Het Calvinisme benadrukt Gods bestuur ten koste van mense­lijke vrijheid. Het Arminia­nisme benadrukt de vrije wil van de mens ten koste van Gods bestuur. Aangezien de Bijbel zowel het ene als het andere betuigt lijkt me de verstan­digste weg om beiden ten volle te laten staan, ook al is het voor het menselijk verstand niet helemaal te rijmen. Pinnock en zijn coauteur Brown gaan nog verder dan de Arminia­nen. Zij leren het zogenaamde "open theïsme. De mens, zo stellen zij, is vrij in zijn keuzes. Het is daarom ook voor God een verrassing wat de mens zal doen. Dit heeft tot gevolg dat God de toekomst niet volledig kent. In feite ontkennen Pinnock en Brown "de voorkennis van God." Opnieuw tegen een groot aantal schrift­gegevens in, maar zoals we al eerder hebben gezien, is dat voor Pinnock schijn­baar geen bezwaar. Logischerwijs kan Pinnock ook niet veel aanvangen met profetie. Hoe kun je profeteren over toekomstige gebeurte­nissen als die nog onzeker zijn? Het is werkelijk ongelofelijk wat de man allemaal beweert. Zo beweert hij dat de bekende "rede over de laatste dingen", zoals die in Marcus 13 wordt gegeven, niet over de wederkomst van Christus gaat (p. 91).

Welk ander onderwerp hij in het boek ook behandelt, hij slaagt erin om de bijbelse waarheid te verdraaien, de ene keer subtiel, de ander keer op grove wijze. De relatie met andere religies, de positie van de vrouw of wat dan ook. Overal waaien Pinnock en Brown mee met de, op dit moment, door de tijdgeest correct geachte mening. Zo meent hij de kloof met de ongelovigen te kunnen overbruggen.

 

Ondanks dit alles is voor Pinnock en zijn co-auteur in Nederland de rode loper uitgelegd. Er is recent, 30 januari 2002, naar aanlei­ding van de publicatie van zijn boek, over zijn gedachtegoed een symposium op de Vrije Universiteit gehouden. De dag werd, in samenwerking met de VU, georganiseerd door organisaties die zichzelf tot de evangelische beweging rekenen.

Hiermee werd zijn boek gepromoot en gelan­ceerd in de evange­li­sche wereld. Het zal niet lang duren of we zullen Pin­nocks gedachtegoed tegenkomen in de Nederlandse evangelische wereld. Op het symposi­um werden ook kritische geluiden gehoord, maar de kerndwa­lingen van Pinnock werden niet krachtig ontmaskerd en weerlegd. De herders in evangelisch Nederland laten, zoals helaas gebruikelijk lijkt te worden, ook deze grimmi­ge wolf in schaapskleren de evangelische schaaps­kooi binnen (Hand. 20:28-30). Denk aan zijn onbijbels kijk op de beteke­nis van het kruis, waarmee hij het evangelie in het hart raakt. Paulus gebruik­te scherpe taal tegenover valse leraren. Het lijkt er op dat de huidige generatie evangelische leiders niet veel verder zullen gaan dat het plaat­sen van wat kritische kanttekenin­gen bij Pinnock’s leringen, terwijl een scherpe veroordeling en waar­schuwing op zijn plaats is.

 

Pinnock is onderdeel van een grotere beweging. Er zijn veel tekenen in de evangelische wereld die wijzen op het binnendringen van elementen van de oude gnostiek. Binnen de gnostiek wordt een tegenstelling gemaakt tussen de oudtestamentische God en de nieuw­testamentische God. De oudtestamentische God wordt voorgesteld als een jaloerse, wettische, wraakzuchtige God. De nieuwtestamen­tische God is de God van de onvoorwaardelijke liefde, die het kwaad niet vergeldt.

Natuurlijk gaat Pinnock lang zo ver niet. Hij zal ongetwijfeld ook de gnostische gedachte verwerpen waarin een tegenstel­ling wordt gemaakt tussen de demiurg (de mindere god) Jaweh van het Oude Testament en de ware (de hoogste god) van het Nieuwe Testa­ment. Toch begeeft Pinnock zich in deze richting. Het is geen toeval dat ook buiten het christendom de gnostiek aan een krach­tige herleving bezig is. Hierboven is er op gewezen hoe Pinnock in al zijn standpunten de tijdgeest volgt, met de gnos­tiek is het niet anders.

Waar en wanneer hoor je nog in de huidige evangelische wereld spreken over belangrijke bijbelse thema's als de heiligheid en de recht­vaardigheid van God, over vergel­ding, de eeuwige straf, het komende oordeel, over valse leraren en de strijd die we daar tegen hebben te voeren (b.v. Judas :2,3)? Pinnock maakt geen tegenstelling tussen een wrekende God van het Oude Testament en een onvoorwaardelijk liefhebbende God van het Nieuwe Testament, zoals de gnostici doen. Hij negeert wel alle teksten, zowel die uit het Oude als het Nieuwe Testament, die zijn beeld van God weer­spreken of hij laat ze buikspreken, zodat ze uiteindelijk het tegenoverge­stelde zeggen van wat er mee wordt bedoeld. "Wij beschouwen het oordeel als uiting van Gods zorgende liefde" (p. 75) "het doel van Gods oordeel is genade" (p. 78). Hij komt uiteindelijk toch uit bij een godsbeeld dat grote gelijkenis vertoont met de gnostische hoofdgod.

Dit alles illustreert de actualiteit van de woorden van Paulus zoals die in Handelingen 20:28-30 staan. "Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft. Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken, om de discipelen achter zich aan te trekken. Waakt dan.." (Hand. 20:28-30).

Ary Geelhoed 2002

Categorie: Schriftkritiek