Jezus, God die mens geworden is

 

Jezus, God die mens geworden is. (1)

We willen enkele artikelen plaatsen over de persoon en de karaktertrekken van Jezus als mens. Hij is volkomen God en volkomen mens. Het kan een steun in het pastoraat zijn, als confidenten zich verdiepen in het volmaakte leven van Jezus als mens en Heer. God blijft niet abstract, maar is ook kenbaar in de ziel, de persoonlijkheid van Jezus. In deze studie wordt bijvoorbeeld ook gewezen op het verschil met Boeddha en Confucius. Natuurlijk kan Jezus alleen gekend worden door de Heilige Geest en via de geestelijke wetten en ordeningen, zoals die ook in de Bijbel verwoord worden. Hij is de God, die mens geworden is, het beeld van God de onzichtbare. Of zoals de Hebreeënbrief ons zegt: “Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die Hij heeft aangewezen als enige erfgenaam en door wie Hij de wereld heeft geschapen. In hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld”.

Jezus is moedig en sterk

Jezus was en is een sterke man. Hij was een moedig mens. Zijn vijanden getuigden hiervan. Matt. 22: 16 zegt: “We weten dat U zich aan niemand iets gelegen laat liggen, U kijkt immers niemand naar de ogen”. Hij is de koning der waarheid (Joh. 18:37). Hij heeft zo’n sterke zin voor waarheid en werkelijkheid, dat Hij ten allen tijde onverbiddelijk ten strijde kon trekken, als Hij dat wilde. Ofschoon Hij weet dat op sabbatschennis de doodstraf staat (Ex. 31:15) tart Hij de machtige Farizeeërs met genezing op de sabbat (Luk. 14:1-4). Of nog sterker: Hij zegt tegen de man met de verlamde hand: ”Kom in het midden staan”, om vervolgens te vragen: “Wat mag men op de sabbat doen, goed of kwaad?” (Marc. 3:3,4 en Luk. 6:11). De Schriftgeleerden en Farizeeërs raakten buiten zichzelf van woede en overlegden, hoe hem om te brengen. Op een andere plaats (Marc. 8:11,13) zeggen de huichelachtige Farizeeën en Sadduceeën hem toe, in hem te geloven als Hij een teken uit de hemel laat zien. Maar zonder angst keert Hij zich af van degenen die, naar de mens gezien, zijn lot in handen hadden. En wanneer zij op huichelachtige wijze hem vragen of het toegestaan is aan de keizer belasting te betalen, scheldt Hij ze ten aanzien van het hele volk uit voor huichelaars, en ontkent Hij onverschrokken het recht op opstand, hoewel Hij daarmee ook bij het volk, de op hem gestelde hoop de bodem inslaat, met alle gevolgen voor zichzelf (Matt. 22:18,21). Het beste en bijna ongelooflijke bewijs voor zijn moed is dat Hij tegen de hogepriester en oudsten zegt bij hun gebrek aan berouw: De tollenaars en hoeren zullen u voorgaan in het koninkrijk Gods (Matt. 21:31). Jezus kende in zijn gehele leven, in zijn optreden niets wat naar angst riekte. Hij manipuleerde de mensen niet. Hij leefde aan de buitenkant hetzelfde als aan de binnenkant. Toen Hij in het huis van Zacharias kwam, zette Hij zijn populariteit op het spel (Luk. 19:5) en toen Hij zelfs een tollenaar tot apostel riep was dit een heldendaad (Matt. 9:9). Als Jezus bij de Farizeeërs voor de maaltijd is uitgenodigd, weet hij dat men nauwkeurig op hem let, maar dat leidt er niet toe dat Hij aan het religieus belangrijk geachte handenwassen ritueel meedoet (Luk. 11:38). Hij blijft zichzelf, zelfs met het risico dat men hem een veelvraat of dronkaard noemde (Matt. 11:19). Hij heeft het hart op de tong. Hij spreekt de scherpste bewoordingen, de heftigste verwijten en de zwaarste beschuldigingen uit, zonder enige terughoudendheid of hang naar zelfbehoud. Hij neemt geen blad voor zijn mond, zelfs niet voor koning Herodes (Luk. 13:32). Je zou kunnen zeggen dat Hij licht ontvlambaar was, maar Hij is veeleer volkomen oprecht. Jezus kende geen angst voor het lijden, zoals Boeddha dat kende. Jezus kon sterven. Hij heeft zijn moed aan het kruis bewezen, tot de laatste triomfantelijke kreet: “Het is volbracht” (Joh. 19:30). Bij veel mensen lijkt iets soms veel op ware moed, maar vaak is het echter onwetendheid ten aanzien van het gevaar. Jezus, echter kende ieder gevaar en was hierop bedacht, maar het nam hem nooit helemaal in beslag. Het is opmerkelijk hoe Marcus de triomfantelijke intocht in Jeruzalem op ‘palmpasen’ beschrijft. Moedig en openlijk wandelt Jezus op weg, terwijl Hij weet welk een vreselijk lijden hem te wachten staat. De discipelen volgen hem aarzelend. Jezus doet heel beslist de volgende stap (Marc. 10:32). Het hele levenswerk van Jezus wordt gekenmerkt door zijn manlijke, heldhaftige en moedige aanvallen op de vijandelijke overmacht. Dit deed Hij echter niet op een agressieve wijze. Nooit heeft Hij zich tevreden gesteld met alleen maar zijn eigen ‘hachje’ redden. Maar Hij zei: “Wie niet met mij is, is tegen mij en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen” (Matt. 12:30). Hijdeed dit zelfs tegenover Pilatus (Joh. 18:37). Jezus had een volmaakte natuur en was bereid ten strijde te trekken om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3:8). en Hij was het die openlijk uitsprak, dat Hij gekomen was om het zwaard te brengen (Matt. 10:34). Naast zijn vriendelijke en liefdevolle eigenschappen was Hij hard en onbuigzaam en maakte als enige mens ter wereld waar, wat het is om God te vrezen en niets anders in de wereld. Jezus kon sterven. Hij kon Judas op moedige wijze ontmaskeren om vervolgens alle schepen achter zich te verbranden, door tegen Judas te zeggen, dat hij doen moest, wat hij moest doen (Joh. 13:26 vv). Hij sprak waar anderen liever zwegen (Joh. 18:20 vv). en zweeg moedig waar dat nodig was (Joh. 19:9). Hij kon in het zwaarste lijden, wat ooit een mens overkomen was, bewijzen dat Hij het innerlijk al meester was. Op het moment waarop het er naar uitzag dat zijn leven één grote mislukking geworden was, kon Hij triomfantelijk roepen: “Het is volbracht!”. Nooit waren er momenten in zijn leven zoals bij Mozes en Elia, die soms moedeloos en depressief waren (1 Kon. 19:4). Wanneer is Hij ooit één keer in verwarring geraakt?

Radicale uitspraken

 Jezus’ karaktervolle manlijke eigenschappen en wilskracht hadden ook gevolgen voor zijn discipelen. We noemen enkele voorbeelden. “Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn. Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn” (Luk. 14: 26-27). “Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg…. En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af, en werp hem weg (Matt. 5:29,30). Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden” (Matt. 10:28). Men moet niet aarzelen om zich bij hem aan te sluiten, ook wanneer men de begrafenis van zijn eigen vader niet bij kan wonen (Luk. 9:59). Men moet niet bang zijn wanneer men gehaat wordt omwille van Jezus, of wanneer dit een scheuring in huisgezinnen met zich mee brengt (Matt. 10:35). Dit alles zijn woorden van een dappere man. Er is tegenwoordig een roep naar echtheid en transparantie. Wel, Jezus is dit, echt en transparant! Paulus roept de gelovigen ook op naar het beeld van Jezus te leven: “Wees waakzaam, volhard in het geloof, wees moedig en sterk!” (1 Kor. 16:13). In de Efeze-brief worden we opgeroepen om samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid te vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen (manlijke) volheid van Christus (Ef. 4:13). Zijn geweldige wilskracht is in feite één van de belangrijke peilers van Jezus’ persoonlijkheid. Als Hij boos was, zondigde Hij niet. Wie kan zich niet voorstellen hoe Hij de kooplieden met vlammende ogen en verheven stemgeluid uit de tempel joeg. Jezus had vaak gevoelens van diepe bewogenheid. Er was echter steeds maar één bron van die gevoelens: zijn liefde. Bij ons spelen vaak egoïstische motieven een rol bij ònze gevoelens, maar bij Jezus worden zijn gevoelens verteerd door de ijver voor God. Onze woede gaat over onze dingen, Jezus’ woede gaat over zijn Vader. Alleen zonde, zoals huichelarij en onboetvaardigheid, zet hem in vuur en vlam. Soms is Hij in brandende toorn (Jes. 30:27) want Hij heeft de rechtvaardigheid lief (Ps. 11:7). Naast alle valse, sentimentele, zwakke beelden van Jezus in de geschiedenis van kunst en theologie, is het van belang het ware bijbelse beeld neer te zetten van een krachtige manlijke volmaakte persoonlijkheid.

Jezus, fijngevoelige ziel

Deze krachtige persoonlijkheid is echter ook een zeer gevoelig mens. Hij heeft een fijngevoelige ziel. Bij het overlijden van Lazarus zag Hij hoe Maria en de Joden, die bij haar waren, rouw bedreven. Hij was diep bewogen…..Jezus begon ook te huilen (Joh. 11:35). Hij huilde ook bij de gedachte aan de ondergang van Jeruzalem (Luk. 19:41). Als Hij de weduwe achter de doodskist van haar enige zoon ziet gaan (Luk. 7:13) heeft Hij diep medelijden, net als toen Hij bemerkte dat het volk, dat hem volgde in de woestijn, te weinig eten had. Midden onder de strenge woorden over de laatste tijden en geweldige bedreigingen, grijpt het verdriet hem aan, als hij denkt aan de vrouwen, die in die angstige dagen in verwachting zijn of hun baby moeten zogen als ze vluchten vanuit Jeruzalem (Matt. 24:19,20). En hoe moet Jezus zich gevoeld hebben, toen ‘wildvreemde’ kinderen zich graag lieten omhelzen (Marc. 10:16). Hij was niet alleen bewogen over anderen, maar ook over zijn eigen lot: “De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens ter ruste leggen” (Matt. 8:20). In de hof van Gethsemané vraagt Hij zijn discipelen: “Blijf bij mij, en waak met mij”(Matt. 26:38).Nergens vinden we bij hem een onderdrukking van zijn eigen gevoelsleven of iets van stoïcijnse ongevoeligheid. Hij was er zeker van, na 3 dagen weer op te staan, maar dat heeft hem niet verhinderd, in zijn menselijke ziel de diepe pijn en bitterheid te voelen en te doorworstelen.

Jezus’ vriendelijkheid.

Jezus’ vriendelijkheid, die diep van binnen komt, heeft zijn hele gang op aarde gekenmerkt, en zijn verkondiging kleur en inhoud gegeven. Op een bruiloft bewijst Jezus de eerste keer dat Hij een grote uitdeler van zegen en vreugde is in goede tijden (Joh. 2:11). Ook onder veel ellende behoudt Hij zijn zonnige natuur van stille en rustige diepe vreugde. Hij wekt in dat opzicht zoveel bewondering op, dat een vrouw uit de menigte hem toeroept: “Gelukkig de schoot die U gedragen heeft, en de borsten waaraan u gedronken heeft” (Luk. 11:27). Onvriendelijke mensen zouden niet gauw een dergelijke grote menigte achter zich aan krijgen. Ook Jezus’ woordverkondiging is enerzijds net zo serieus als die van Johannes de Doper en toch stelt hij het in vriendelijker bewoordingen voor: als een bruiloftsmaal, als een grote avondmaaltijd, als een schat in de akker, als een parel met grote waarde. De levens van Johannes en Jezus eindigen beiden met de marteldood, maar met dit verschil: Jezus wist het van te voren. Jezus vertelde geen flauwe kul of humor ten koste van anderen, er was geen spoor van zonde bij zijn vriendelijkheid. Hij was bijzonder gevoelig en stond open voor allerlei indrukken. Waarin toonde Hij geen bewogenheid, waar een ander mens dat wel had? Jezus kon bij alle huichelarij, verstoktheid en boosaardigheid die Hij tegenkwam, diep zuchten (Marc. 8:12) en op andere plaatsen in diepe woede ontsteken (Matt. 12:34, 23:13 vv). Jezus heeft niets van de gelijkmatige rust van Boeddha, die niets meer begeerde en niet meer boos kon worden, maar vooral niet meer lief kon hebben. Jezus’ optreden heeft altijd iets verfrissends, Hij heeft een onuitputtelijk, diep hart en de rijkdom van zijn gevoelsleven is onuitputtelijk. Hij heeft gejubeld (Luk. 10:21) en verdriet ervaren (Marc. 15:34) zoals niemand ooit heeft gehad. Een andere zijde van zijn persoonlijkheid is dat Hij voor iedereen open staat, niet gestresst is of gehaast en niets van onrust in hem heeft. Hij was altijd zichzelf, ook als Hij wist dat de oogst groot is (Matt. 9:37) en dat de nacht spoedig komt (Joh. 9:4). Hij was, zoals gezegd, begaan met het innigste medelijden (Matt. 9:36) maar in al die dingen is Hij niet gestresst of getraumatiseerd, maar bleef Hij volkomen zichzelf.

Tegenstellingen in een eenheid

Wat in het karakter van Jezus bijzonder opvalt, is het aanwezig zijn van tegenstellingen. Jezus is open, mededeelzaam, klaagt zijn nood, laat zijn bezorgdheid zien en toont op levendige wijze zijn vreugde, er is niets geslotens aan zijn karakter. Op andere momenten is Hij weer eenzaam, op zichzelf, als Hij nachtenlang wakend en biddend doorbrengt. Jezus geeft blijk van een grote bezonnenheid en rust. Hij heeft een zacht karakter en is toch onvergelijkelijk ernstig, een man vol heldenmoed met een zacht karakter. Hij heeft zich op de verzoening van de wereld gericht, en kan een gewone vrouw doordringend aanspreken, alsof zijn leven erom ging alleen deze ziel te winnen (Joh. 4:17 vv). Hij heeft steeds het grote voor ogen, maar zeker ook aandacht voor het kleine. Innerlijk en uiterlijk zijn bij hem één harmoniërend geheel. Naast bijna rusteloze werkzaamheid staat stille vrede. Hij is een optimist en pessimist tegelijk. De wereld ligt in het boze, maar Hij heeft de wereld overwonnen. Hij heeft een grote visie, en toch houdt Hij zich voornamelijk bezig met zijn elf discipelen. Hij is ver verheven boven de vooroordelen van het volk, maar beperkt zich niettemin tot de grenzen van het volk (Matt. 15:24). Nationalisten rekenen Jezus tot de hunnen, maar dat doen internationaal gerichte groepen ook. Hij behoudt zijn waardigheid, terwijl Hij toch afdaalt naar een zondares (Luk. 7: 37 vv). Hij is in alle opzichten een man van het volk, toegankelijk voor iedereen, voor het roepen van een melaatse (Luk. 17:12 vv), het hulpgeroep van een bedelaar (Matt. 20:29 vv), iemand die op het geklets van een waterdraagster ingaat (Joh. 4:9 vv) en soms is Hij zo terughoudend dat Hij zelfs afstand neemt in een gesprek met een koning (Luk. 23:9). Zo eenvoudig als Hij is niemand, maar Hij is ook vol van diepe wijsheid. Soms is Hij ‘broodnuchter’, soms is Hij geweldig geestdriftig. Hij heeft een strijdbare natuur, maar toch brengt Hij een groot deel van zijn leven door aan ‘ziekbedden’. Hij wordt door iedereen als een van de grootste denkers van de aarde beschouwd en toch geldt Hij als bijzonder daadkrachtig. Hij heeft zich nooit aan een vrouw verbonden, maar Hij was wel één van de eersten, die voor de rechten van de vrouw opkwam. Soms hanteert Hij een zweep om zijn woede te uiten, dan laat Hij weer de grootste schande over zich heen komen. Hij kan eisen stellen, die zelfs de discipelen doen verbleken, en soms een vrouw teder toespreken, terwijl iedereen haar veroordeelt (Joh. 8:10 vv). Vrijmoedig zegt Hij in Joh. 4:21: “Er komt een tijd, dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader kunnen aanbidden” en weer ergens anders (in Matt. 5:18) zegt Hij: “Zolang de hemel en aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht totdat alles gebeurd zal zijn”. Hij kan in tegenstelling tot bijvoorbeeld Boeddha handelen én werken, maar net zo goed lijden en toestaan. Hij doet de meest ongehoorde uitspraken (Matt. 10:37)en toch is Hij niet onhebbelijk. Hij is zo eenvoudig als een duif, maar ook zo voorzichtig als een slang. Hij wil de wereld voor zich winnen, maar kon de wereld ook verachten. Jezus geeft zich aan de mensen, maar dat gaat niet ten koste van zijn heilige persoonlijkheid. Soms toont Hij bereidheid om op het gevoelsleven van iemand in te gaan, en soms lijkt Hij zich in zichzelf terug te trekken. Individualisten en socialisten kunnen hem beiden citeren. De mens Jezus rust in God en kan tegelijk werken voor God. Hij is in alle opzichten beter dan anderen, maar zal daar nooit prat op gaan. Hij leeft onberispelijk maar brengt tegelijk tijd door met ‘dronkaards’ en ‘veelvraten’ (Matt. 11:19). Hij heeft nergens een grotere hekel aan dan aan de zonde, maar Hij is niet bang voor zondaren. Hij geniet van de goede dingen van de wereld, maar raakt er niet verslaafd aan. Hij voelt zich net zo gemakkelijk aan een rijke bruiloftsmaaltijd, als in gezelschap van sobere boetedoeners in de woestijn (Matt. 4:1 vv). Hij schenkt zijn liefde aan de geringste onder de mensen, maar ook aan de hooggeplaatste (Marc. 10:21). Hij heeft iets hoogs en gebiedends, maar ook door een zekere schroom wint Hij veel mensen. Aan de ene kant trekt Hij veel mensen op een bijzondere manier aan, aan de andere kant voelen zelfs zijn discipelen zich soms van hem vervreemd. Je vindt bij hem een diepte van denken, die zelfs bij de grootste mystici niet aanwezig is, en toch heeft Hij een open oog voor de wereld om zich heen, zoals bijvoorbeeld op de markt spelende kinderen (Matt. 11:16). Hij stroomt over van liefde terwijl Hij zich toch verre houdt van manipulatie of geestelijk exhibitionisme. Op een wonderlijke manier vullen Jezus’ werkzaamheid en vatbaarheid voor indrukken elkaar aan, net als zijn bescheidenheid. Hij is ervan overtuigd dat zijn bestaan en zijn werk de voleinding van de wereld brengt, terwijl Hij tegelijkertijd nederig van hart blijft (Matt. 11:29). Edel van zinnen zoals koningen betaamt en tegelijkertijd eenvoudig zoals een boerenknecht. Hij maakt geen verschil in rassen. Hij is Jood, de Samaritaanse vrouw herkent hem direct als zodanig, (Joh. 4:9) en tegelijkertijd heeft Hij contact met niet-Joden. Hij is een ‘oosterling’ in zijn beeldspraak, maar tegelijkertijd ook een ‘westerling’ in zijn logisch denken. De rust van een oosters mens, maar ook de drukte van een westerling. In zijn rustige levenswijsheid is Hij een voorbeeld voor Germaanse volken, en in zijn hartstochtelijke strijd voor het ware een goed voorbeeld voor Romaanse volken. In al deze dingen vormt Hij een eenheid. Hij is de ideale mens in alle verscheidenheid en eenheid. Jezus was vaak vurig van geest, maar kwam ook weer snel tot rust (synchronisatie). Bij hem komt de harmoniërende tegenstelling van rijkdom in eenheid in zijn persoonlijkheid naar voren. In zijn volmaakte zielsrust is Hij nooit veranderd. Hij is ook aan het einde van zijn leven nooit somber, verbitterd of verhard geworden.

 

In het volgende, tweede, deel willen we stilstaan bij Jezus’ talenten en in het derde deel bij zijn vreugde en vertrouwen op God.

 

Gerard Feller okt.2007

(Fragmenten uit: ‘De Christus der Schriften, de Here der Heerlijkheid’ geschreven door Otto Borchert, 1924)

 

 

Categorie: Bijbelstudies: bemoedigend