God in ons brein?

 

 

God in ons brein ? alt

© Door: Angus Menuge


Een duidelijke aanwijzing dat het Westen zijn transcendente ankers heeft verloren, is haar koortsachtige zoektocht naar seculiere vervangers van God: postmodernisme, de milieubeweging, het feminisme, darwinisme, en vele andere ismen worden vaak omarmd. Niet zozeer als wetenschappelijke theorieën, maar als diep religieuze wereldbeschouwingen. Velen zijn gedesillusioneerd met een bepaald isme, en gaan daarna met evenveel ijver weer een ander isme omarmen. Als een seculiere graal die in deze tijd helder schijnt, kan ‘neurowetenschap’ worden genoemd waarvan gedacht wordt dat deze wetenschap het definitieve antwoord is op de menselijke zoektocht naar zelfkennis. Men stelt zich niet tevreden met ons alleen maar te vertellen hoe onze hersenen werken, maar sommige neurowetenschappers verzekeren ons dat zij ook de beginselen van de superieure mentale en fysieke gezondheid, kunnen ontrafelen. En zelfs die van betere relaties en meer succesvol ondernemen. Tenslotte meent men, zelfs de oorsprong van moraal en religie vanuit neurowetenschappen te kunnen verklaren.


Inleiding

Wetenschappelijke materialisten weten vaak niet goed niet hoe ze moeten denken over religie. In zijn boek God als misvatting stelt Richard Dawkins dat het christelijk geloof een virus in de geest is, dat de hersenen goedgelovig maakt. Helaas, is de evolutionaire psychologie van Dawkins tegenwoordig echter een algemeen geldende scherpe kritiek. Als het waar zou zijn, dan zou het niet alleen de geloofwaardigheid van de godsdienst, maar ook van de wetenschap zelf, met inbegrip van de evolutionaire psychologie, ondermijnen. Dawkins’ pleidooi dat wetenschapswetenschap immuun is voor scepsis omdat het wordt getoetst aan realiteit, is niet overtuigend, omdat de wetenschappelijke methode is gebaseerd op niet-wetenschappelijke principes die zelf niet kunnen worden getoetst. Dawkins blijft in gebreke om zich effectief met de vraag naar de waarheid bezig te houden, maar omdat hij veronderstelt dat het geloof irrationeel is, biedt hij een ongeloofwaardige reductionistische uitleg daarvan.

In hun recente boek Hoe God jouw hersenen verandert, lijken de neurowetenschappers Andrew Newberg en Mark Waldman op het eerste gezicht wat vriendelijker te zijn tegenover godsdienst, en wel met het argument dat het denken over God goed is voor het brein, onze gezondheid en onze relaties. Maar terwijl de meditatietechnieken die ze bestuderen meer bewijsmateriaal leveren van de kracht van de geest over het lichaam, betrekken zij niet het geloof erbij of ondersteunen zij niet een bepaalde religie. En ook Newberg en Waldman bevorderen een spirituele onverschilligheid en pragmatisme, die tegengesteld is aan welke traditionele godsdienst dan ook, met inbegrip van het orthodoxe christendom.

In tegenstelling tot Joel Osteen, die (volgens hen) alleen quasi-religieuze populaire psychologie te bieden heeft, heeft de neurowetenschap alle gezag en prestige van een harde empirische wetenschap. Dit spreekt vooral de dominante wetenschapsrichting aan, die ervan uitgaat dat alleen de materialistische wetenschap in staat is kennis te produceren. Maar onder de wetenschappelijke materialisten is er een aanzienlijke onenigheid over wat te zeggen over het geloof in God. Voor sommigen, zoals Richard Dawkins, kan een neurowetenschappelijke verklaring op basis van darwinistische principes ons in staat stellen om het geloof weg te redeneren als een schadelijke misleiding! (1) Anderen, zoals Andrew Newberg en Mark Waldman, lijken vriendelijker voor religie. Deze wetenschappers leveren experimenteel bewijs dat het visualiseren van en het denken over God goed kan zijn voor de hersenen van mensen, hun geestelijke gezondheid en hun relaties (2). Maar is dit soort resultaten echt nuttig voor de christelijke apologetiek?

Ik dit artikel zal ik eerst (in de paragraaf ‘God als misleiding’) reageren op de beschuldiging van Dawkins dat God een misleiding of zelfs waanidee is, en aantonen dat zijn argumenten zelf-destructief en onjuist zijn. Vervolgens (in de paragraaf ‘God als placebo’) zal ik nagaan of de "God is goed voor je" -aanpak van Newberg en Waldman werkelijk een verbetering is.

God als misleiding

Volgens Richard Dawkins "is het zo dat natuurlijke selectie de hersenen van kinderen vormt met een neiging om te geloven wat hun ouders en stamoudsten hen vertellen. Dergelijke gehoorzaamheid op basis van vertrouwen is waardevol om te overleven. Maar de keerzijde van gehoorzaamheid op basis van vertrouwen is slaafse goedgelovigheid. Het onvermijdelijke bijproduct is kwetsbaarheid voor infectie door een geestvirus .... waardoor men niet in staat is om een goed advies van een slecht advies te kunnen onderscheiden” (3).

In het algemeen kan, aldus Dawkins, religie worden verklaard "als bijproduct van normale psychologische processen" (4) Hij beschrijft het als : misschien "een bijproduct van de irrationaliteitsmechanismen die oorspronkelijk door selectie in de hersenen aanwezig waren voor het verliefd worden" (5), Hij stelt ook dat religie een nuttige vorm van zelfbedrog is, omdat het gemeenschappen in staat stelt om samen te werken onder gezamenlijke doelen en richtlijnen, en daarmee het bevorderen van de overleving.

Een groot probleem voor de redenering van Dawkins is dat hij probeert om een ​​algemeen geldende kritiek slechts selectief te laten gelden: Door de algemene aard van de kritiek, kan men alles afbreken, met inbegrip van de persoon die het toepast. Als het waar is dat onze hersenen zijn gevormd door de evolutie om slaafs onze ouders te vertrouwen, en dat we op geen enkele manier goed advies van slecht advies zouden kunnen onderscheiden, dan zou dit tevens het advies van wetenschappers moeten betreffen, die functioneren als de ouders van de moderne technologische samenlevingen die doortrokken zijn van wetenschap. Met andere woorden, als de verklaring van Dawkins ten aanzien van onze hersenen juist is, dan hebben we geen goede reden om het te geloven, omdat we niet in de positie zijn om deze waarheid te onderscheiden van dwaling.

Religie als een ‘geest-virus’

Hetzelfde punt is van toepassing op de suggestie van Dawkins is dat religie moet worden opgevat als een ‘geest-virus’, dat wil zeggen een verzameling van ‘memen’ (een ‘meme’ is een idee dat zich verspreidt bij informatiedragers zoals menselijke hersenen en sociale netwerken).Volgens Dawkins zijn voorbeelden van memen: melodieën, ideeën, uitdrukkingen, kledingmode, manieren van het maken van potten of van het bouwen van bogen. Net zoals genen zichzelf voortplanten in de genenpool door over te springen van lichaam naar lichaam ... zo verspreiden ‘memen’ zich in de ‘meme’ -verzameling door over te springen van hersenen naar hersenen via ... imitatie” (6).

Echter, zoals Alister McGrath heeft opgemerkt, “als alle ideeën ‘memen’ zijn of de effecten van ‘memen’, blijft Dawkins nog in de uitgesproken oncomfortabele positie van het moeten accepteren dat ook zijn eigen ideeën moeten worden gezien als de effecten van ‘memen’. Wetenschappelijke ideeën zouden dan een ander voorbeeld van ‘memen’ zijn, die zich voortplanten binnen de menselijke geest " (7).

Zoals te verwachten was, heeft Dawkins geprobeerd om deze conclusie te omzeilen door te beweren dat wetenschappelijke ideeën een speciale uitzondering op de regel zijn vanwege de manier waarop ze zijn getoetst in de werkelijkheid. Maar deze reactie is (epistemologisch) naïef, omdat het over het hoofd ziet dat de wetenschappelijke methode afhankelijk is van niet-empirische principes (zoals die van de deductieve en de inductieve logica), en als onze geesten zo onbetrouwbaar zijn als hij beweert, hebben we geen goede reden om deze principes te vertrouwen. Dawkins, argeloos onwetendheid dat hij geen wetenschap maar materialistische filosofie voorstelde, heeft een misstap begaan in het logische mijnenveld dat Alvin Plantinga had blootgelegd. Plantinga toonde aan dat als het evolutionaire naturalisme waar zou zijn, het ons verstand te onbetrouwbaar zou maken om wat dan ook, met inbegrip van het evolutionaire naturalisme, te vertrouwen (8).

 

 

Hersenen zouden zich ontwikkeld hebben voor gebruik, niet voor waarheid

Wat het nog erger maakt is dat evolutionaire psychologen dit punt hebben toegegeven, blijkbaar zonder het te beseffen. Bijvoorbeeld Steven Pinker geeft toe dat "onze hersenen werden gevormd voor gebruik, en niet voor waarheid" (9). En Lewis Wolpert beweert dat "onze hersenen een mechanisme bevatten dat geloof kan genereren, een soort motor die overtuigingen kan produceren met weinig relatie tot wat werkelijk waar is” (10). Zonder gevoel voor ironie beweert Wolpert later dat "de wetenschap veruit de meest betrouwbare methode biedt om te bepalen of iemands overtuigingen geldig zijn” (11). Het probleem is natuurlijk dat, als het mechanisme dat ons geloof vormt, nuttige maar grotendeels valse veronderstellingen oplevert, dit ook zo zal zijn met onze wetenschappelijke overtuigingen. Zelfs als natuurlijke selectie op de een of andere manier overtuigingen kon bijschaven die relevant zijn voor ons dagelijkse overleven, zodat zij meestal waar waren, dan zou dit nog steeds geen goede reden zijn om recente wetenschappelijke theorieën te vertrouwen, omdat die in het voortbestaan ​​van onze voorouders geen rol speelden. Zoals Pinker zegt: "Onze voorouders werden gedurende honderdduizenden of miljoenen jaren geconfronteerd met bepaalde problemen, zoals het herkennen van voorwerpen, het maken van werktuigen, het leren van de lokale taal, het vinden van een partner, het voorspellen van bewegingen van een dier, het vinden van hun weg, en een aantal andere problemen echter nooit tegenkwamen, zoals het zetten van een man op de maan ....” (12).

Het onder bepaalde omstandigheden kunnen overleven van dieren of het zich kunnen handhaven van ecosystemen heeft niets te maken met de ontwikkelingen van de kwantummechanica of met de evolutionaire psychologie zelf. Evolutionaire psychologie houdt in dat ons verstand te onbetrouwbaar is om een ​​wetenschappelijke theorie, met inbegrip van de evolutionaire psychologie te accepteren. Dus Dawkins kan niet aantonen dat het wetenschappelijk materialisme immuun is voor de scherpe kritiek die hij op religie loslaat, terwijl zijn voorkeur voor het wetenschappelijk materialisme een kwestie van willekeurig intellectueel imperialisme is. McGrath merkt scherpzinnig op: "Iedereen die bekend is met de geschiedenis van het intellect zal het patroon onmiddellijk opmerken. Het dogma van ieder ander is verkeerd, behalve dat van mij. Mijn ideeën zijn vrijgesteld van de algemene patronen die ik identificeer voor andere ideeën, die mij in staat stellen om ze weg te redeneren, zodat mijn eigen ideeën een bepaald onderwerp kunnen domineren” (13)

Is de inhoud van het geloof waar?

Er is een tweede en zelfs zuivere denkfout in het ontmaskeren van verklaringen van religieuze (of morele) ideeën, die lang geleden door CS Lewis werd aangetoond in zijn essay ‘Bulverism’ (een bepaald soort drogreden). Lewis merkt op, dat het alleen maar aanbieden van een verklaring die zou kunnen "wegredeneren" waarom iemand een geloof heeft, voorbij gaat aan de vraag of de inhoud van het geloof waar is.Deze vraag dwingt ons het bewijs voor of tegen het geloof zelf te onderzoeken, een bewijs dat bestaat buiten de hoofden en hersenen van mensen. Dus voordat de scepticus kan beweren dat religieuze ideeën voortkomen uit een besmette bron, moet hij eerst aantonen dat ze geen ondersteunend bewijs hebben, of meer overtuigend bewijs tegen hen geven.


"Met andere woorden, je moet eerst aantonen dat iemand verkeerd is voordat u begint met uit te leggen waarom hij verkeerd is. De moderne methode houdt in om op voorhand, dus zonder discussie, aan te nemen dat hij fout is en vervolgens zijn aandacht af te leiden van het echte probleem door omstandig uit te leggen dat hij zo stom is geworden” (14).


Bij nader inzien zou niemand het idee serieus nemen dat de toegepaste wiskunde vals is omdat de moderne technieken om hersenen te onderzoeken, hebben aangetoond wat er werkelijk gaande is in de hersenen, wanneer een wiskundige differentiaalvergelijkingen oplost. Alleen maar omdat Dawkins heeft verondersteld dat religieuze aanspraken slechts niet-cognitieve gevoelens zijn die niet ondersteund worden door bewijs, heeft hij hieraan zo weinig aandacht besteed.

Wanneer we rekening houden met de tijd die Dawkins besteedt aan het beoordelen van de waarheidsvraag van argumenten betreffende het bestaan ​​van God en de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament, moeten we constateren dat hij gewoon zijn huiswerk niet heeft gedaan. Alvin Plantinga concludeert: "Je zou kunnen zeggen dat sommige van zijn uitstapjes naar de filosofie op zijn best op het niveau van tweedejaars studenten zijn, maar dat zou oneerlijk zijn tegenover deze studenten; het feit is, dat veel van zijn argumenten in een tweedejaars filosofieklas als onvoldoende zouden worden beoordeeld” (15).

Michael Ruse, een agnostische darwinistische filosoof, vat het als volgt samen: "Dawkins is ontstellend onwetend met betrekking tot filosofie en theologie (om maar niet de geschiedenis van de wetenschap te noemen). Een groot deel van het boek gaat over het ontkrachten van de belangrijkste argumenten voor het bestaan ​​van God. Ik moet bekennen dat het de eerste keer in mijn leven is dat ik me schaamde voor het ontologische argument” (16).

Als het over het Nieuwe Testament gaat, kijkt Dawkins alleen naar de standpunten van sceptische Bijbelgeleerden, waardoor een grote hoeveelheid hoogstaand onderzoek en werk van toonaangevende apologeten als Craig Blomberg, William Lane Craig, Gary Habermas, John Warwick Montgomery, en NT Wright volkomen genegeerd worden. Een goede wetenschapper moet het sterkste argument van de visie, die hij bestrijdt, weerleggen en niet slechts ‘het refrein meezingen met degenen die in zijn eigen koor zitten’. Dezelfde algemene moraal geldt voor een verscheidenheid van andere ontmaskerende strategieën, zoals de poging om religieuze ervaringen weg te verklaren als een defect in de temporaalkwab, het resultaat van een ‘God gen’ of een weigerende ‘God plek’ in de hersenen (17). Steeds wordt aangenomen, en wel zonder argument, dat geen enkele religie is gebaseerd op bewijs. Maar de centrale christelijke aanspraken betreffen het reddend werk van Christus in de geschiedenis, en kan daarom worden onderzocht met behulp van seculiere, empirische methoden.

 

GOD als PLACEBO

Na het zien van hoe iemands religieuze overtuigingen worden afgewezen, lijkt het in eerste instantie geruststellend om te lezen dat sommige neurowetenschappers van mening zijn dat religie een meer positieve rol zou kunnen hebben. De titel van het boek van Andrew Newberg en Mark Waldman, namelijk ‘Hoe God uw hersenen kan veranderen’, lijkt bemoedigend. Maar het blijkt een weer andere bijdrage te zijn aan de huisindustrie van boeken, die over God lijken te gaan, maar in werkelijkheid niet over God gaan (18). De auteurs erkennen al vroeg dat "neurowetenschap je niet kan zeggen of God bestaat of niet”. In plaats daarvan bestuderen zij hooguit mentale voorstellingen van God "als een beeld, gevoel of gedachte" en zijn ze niet echt geïnteresseerd in de vraag naar de waarheid, want ze volgen dezelfde gedachtegang als andere evolutionaire psychologen, volgens wie "het menselijk brein zich geen zorgen maakt over de vraag of de dingen die we zien werkelijk echt zijn. Dat hoeft ook niet, want het enige dat het brein moet weten is of ze nuttig zijn om te overleven" (19). Als gevolg daarvan gaan de auteurs volledig voorbij aan de vraag in welke religie het beeld van God het dichtst bij de waarheid is, en in plaats daarvan richten zij zich slechts op de pragmatische voordelen van de verschillende spirituele ideeën en gevoelens voor de gezondheid van mensen.

Als we kijken naar de bestaande meditatietechnieken die in het boek van Newberg en Waldman worden genoemd, is het niet duidelijk of zelfs maar een vage, eenheids- spiritualiteit een rol speelt. De auteurs noemen yoga, die met zijn meditatie en gerichte ademhaling helpt "het geheugen en de kennis te verbeteren” en "de effecten van depressie tegengaat” (20). Maar de technieken werden getest op een bouwvakker, Guus, zonder enige spirituele gerichtheid: "Onze studie toont aan dat meditatie kan worden gescheiden van haar religieuze wortels en nog steeds een waardevol instrument voor kennisvermeerdering blijft" (21). Zij vertellen ons dat zij "ontdekten dat je God uit het ritueel kon nemen en dat er nog steeds invloed was op de hersenen" (22) en dat alle technieken die in het boek worden genoemd, door wereldse mensen kunnen worden beoefend: "Ten behoeve van het bereiken van een zo breed publiek, hebben we religieuze gevolgtrekkingen verwijderd" (23).

Welnu, als God, religie en spiritualiteit in geen van deze proeven een belangrijke rol spelen, is de logische conclusie dat de bron van hun werkzaamheid in de hersenen ergens anders ligt. De auteurs geven toe dat de sturende kracht achter Guus's vier-stappen-plan om het geheugen te verbeteren het begrip ‘verwachting’ is, namelijk ‘een van de onderliggende principes van optimisme’, en dat ‘ook het ... placebo-effect veroorzaakt' (24). Dus een volkomen redelijke conclusie, die niets te maken heeft met spiritualiteit, is dat de menselijke geest een neerwaartse causale invloed kan uitoefenen op de hersenen, precies de conclusie van de neurowetenschappers Jeff Schwartz (25) en Mario Beauregard (26). Newberg en Waldman, die innig verbonden zijn met het wetenschappelijke materialisme dat in hun discipline gebruikelijk is, volgen deze lijn niet serieus, waarschijnlijk omdat ze niet echt accepteren dat de geest enige echte causale macht boven die van de hersenen heeft. Ze stellen zich tevreden met te zeggen dat de kracht van de verwachting "gewoon datgene is dat het brein doet waartoe miljoenen jaren van evolutie hebben geleid om dat te doen” (27). Dit bevestigt hun materialistische rechtzinnigheid, maar biedt geen verklaring van wat dan ook. Naar mijn mening is de werkelijke waarde van het boek (nog meer bewijs dat het materialisme onjuist is omdat de geest een onafhankelijke oorzakelijke kracht heeft)( 28) bedolven is onder een rookgordijn van gepraat over spiritualiteit, waarvan de auteurs toegeven, dat die niet relevant zijn voor de feitelijke resultaten.

Ondertussen maken de auteurs tal van merkwaardige veronderstellingen die belangrijke vragen oproepen. Zo stellen zij dat "de voordelen die zijn opgedaan met gebed en meditatie minder te maken kunnen hebben met een bepaalde theologie dan met de rituele technieken van ademhaling, het zich blijven ontspannen, en de aandacht te concentreren op een gedachte die comfort, mededogen, of een geestelijk gevoel van vrede oproept” (29). Maar de voordelen die de auteurs bestuderen betreffen voordelen voor de gezondheid, en de meeste mensen bidden niet voor of mediteren niet over hun eigen gezondheid! Bijvoorbeeld, als het een gebed voor de gezondheid iemand anders betreft en het gebed wordt verhoord, zijn de belangrijke resultaten niet in de hersenen van de persoon die gebeden heeft, aan te treffen. Wat nog belangrijker is: christelijke gelovigen bidden tot de ware God en richten hun wil naar Zijn wil. De geheel pragmatische aanpak van het boek suggereert ten onrechte dat de enige reden om in God te geloven is dat het zou gaan om de voordelen die Hij ons kan bieden, alsof God een soort van kosmische verkoopautomaat zou zijn. Dit komt absoluut niet overeen met Christus' gebed tot de Vader in Getsemane: "Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt" (Marcus 14:36).

Het onderliggende probleem is dat evenals Daniel Dennett (30), ook Newberg en Waldman proberen religie te bestuderen als een natuurlijk fenomeen dat hen ertoe aanzet om diverse soorten fouten te maken. Zo hebben ze titels als: 'Welk deel van de hersenen maakt God echt?’ en ‘De chemische aard van God’ (31), die God reduceren tot zoiets als een afscheiding van onze eigen hersenen. Omdat God echt is, immers Hij maakte ons, is dit soort taalgebruik heel absurd. Indien wetenschappelijke overtuigingen het onderwerp zouden zijn geweest, zouden de auteurs dan titels hebben gebruikt als ‘Welk deel van de hersenen maakt natuurwetten echt?’ of ‘De chemische aard van fysische wetten’? Ze tekenen daarbij uiteraard aan dat door sommige soorten drugs (zoals psilocybine) mensen meer open staan ​​voor bepaalde "gevoelens van eenheid, heiligheid, intuïtieve kennis, en gevoelens die zo indrukwekkend zijn dat men het niet onder woorden kan brengen" (32), maar bieden geen criteria om illusies van waarheidsgetrouwe ervaringen te kunnen onderscheiden, en lijken naïef in het aannemen dat dergelijke geestelijke ervaringen steeds positief zijn, zonder duidelijke leer waarmee men kan onderscheiden of de geesten uit God zijn of niet (1 Joh. 4). Het feit dat de auteurs welke serieuze theologie dan ook onbelangrijk vinden, doet daar niets van af.

Newberg en Waldman gaan ervan uit dat elke werkelijkheid het best van buitenaf (bestudeerd als een voorbeeld) begrepen kan worden, maar, zoals C.S. Lewis betoogde, deze laten de mogelijkheid buiten beschouwing dat er sommige dingen zijn die het best alleen van binnenuit begrepen kunnen worden. Net zoals pijn, kan een religieuze ervaring samenhang vertonen met een neurale gebeurtenis (dus met wat er in de hersenen plaatsvindt), maar onpersoonlijke kennis van deze gebeurtenis vertelt ons niet hoe het is om die ervaring te hebben. "Het is volkomen gemakkelijk om je hele leven lang verklaringen te geven over religie, liefde, moraal, eer en dergelijke, zonder dat zelf ook beleefd te hebben. En als je dat doet, ben je gewoon bezig een spelletje te spelen. Je gaat dan door met het uitleggen van iets zonder te weten wat het is" (33).

De subjectiviteit van de neurowetenschappers

Verder merkt Lewis op, dat het een misvatting moet zijn om te veronderstellen dat alles wat werkelijk gaande is in deze ervaringen de neurale gebeurtenissen zijn, want "hoe zit het dan met de eigen gedachte van de hersenfysioloog op dat moment? Een andere fysioloog, die ernaar zou kijken, zou dit slechts kleine fysieke bewegingen in de schedel de eerste fysioloog kunnen noemen. Dan is het einde zoek" (34).

In feite blijven neurowetenschappers vertrouwen op subjectieve bewuste toestanden, zowel voor hun verslagen over proefpersonen als in hun eigen waarnemingen. De gerenommeerde neurowetenschapper Benjamin Libet bevestigde dit: "De basis van mijn proefondervindelijk onderzoek van de fysiologie van bewuste ervaring ... was dat uiterlijk waarneembare en manipuleerbare hersenprocessen en de daarmee verband houdende subjectieve introspectieve ervaringen gelijktijdig moeten worden bestudeerd als onafhankelijke categorieën, om hun relatie te kunnen begrijpen" (35).

De vraag of een ervaring een illusie is of een reëel inzicht in de werkelijkheid, kan alleen worden onderzocht door het bekijken van de wereld buiten de hersenen van mensen. Niemand zou het idee serieus nemen dat een formule uit de toegepaste wiskunde niet zou mogen worden gebruikt om bruggen te bouwen, omdat we nu weten wat er gaande is in de hersenen van de ingenieur als hij denkt over de formule. We zouden de formule uiteraard testen aan de hand van de objectieve werkelijkheid. Newberg en Waldman hebben nooit overwogen dat een religieuze opvatting zou kunnen worden getoetst aan objectieve historische feiten, maar toch is dit precies wat de christelijke opvatting mogelijk maakt en zelfs vraagt. Zoals Paulus zegt, indien Christus niet is opgewekt als een zaak van echte, historische feiten, dan is ons geloof zinloos (1 Kor. 15: 17). En bij het verdedigen van de opstanding, doet Paulus een beroep op de openbare bewijzen die door honderden levende getuigen gemeld zijn (1 Kor. 15:3-8).

De misvatting in het vergelijken van religies

Ondanks hun vermeende wetenschappelijke neutraliteit, blijken de auteurs echter een grote hoeveelheid niet-wetenschappelijke vooroordelen te hebben over welke religies het meest ‘geavanceerd’ zijn. Ze menen dat religies die het minst exclusief, meer tolerant en niet-veroordelend zijn, duidelijk superieur zijn. In een van hun onderzoeken, waren ze teleurgesteld om te moeten ontdekken dat slechts dertig procent van de respondenten "ja" antwoordde op de vraag: "Zijn andere religies juist, zelfs als ze afwijken van mijn eigen religie?" (36). De auteurs hadden eenvoudigweg aangenomen dat religie een kwestie zou zijn van een subjectief gevoel bij zomaar een aantal geloofsuitspraken die alleen maar als mantra’s zouden dienen/werken, terwijl hun kennisinhoud niet zo belangrijk zou zijn. Iedereen die bepaalde religies begrijpt, ziet meteen het probleem als je alle religies als waar aanneemt; ze bevatten elkaar uitsluitende aanspraken over wie of wat God is en over hoe mensen kunnen worden gered. Christenen beweren bijvoorbeeld dat God drie-enig is, dat God mens is geworden in Christus door Wie alleen wij gered kunnen worden (Johannes 14:6; Handelingen 4:12), maar moslims ontkennen de drie-eenheid en vleeswording (en de kruisiging en opstanding) van Christus, en ontkennen dat we Christus nodig hebben om gered te worden. Het is niet een kwestie van intolerantie, maar van eenvoudige logica dat de christelijke gelovige doet denken dat de islam niet juist is.

Bovendien blijkt dat de meer inclusieve, pluralistische religie die Newberg en Waldman de voorkeur geven, echter helemaal niet tolerant is (37). Want de logische conclusie ervan is dat alle specifieke religies die bepaalde beweringen doen over de aard van God en het heil vals zijn. Het is ook duidelijk dat de auteurs niet zijn ingegaan op de vraag welke godsdienst beweert dat God Zich speciaal heeft geopenbaard door geschriften, door aan te nemen dat alle religieuze ervaringen ‘gegenereerd’ zijn door de hersenen en dat dit "de grote verscheidenheid van religieuze ideeën en typologieën” verklaart (38). En wat zou het betekenen als God Zichzelf openbaarde door te handelen in de gewone geschiedenis, en schrijvers inspireerde om op te tekenen wat er is gebeurd, zoals christenen beweren? Dan zijn deze ideeën uiteindelijk niet "gegenereerd door de hersenen", maar af te leiden uit historische feiten. Dezelfde veronderstelling doet Newberg en Waldman spreken over "de toekomst van God" (39), alsof onze denkbeelden het meest sociale en genetisch nuttige begrip over God opleveren. Misschien moeten we een referendum houden en ontdekken welke god de meeste mensen het liefst zouden willen hebben? Of misschien zou een "god van de maand" -club voor een tijdje populair kunnen zijn. Blijkbaar kunnen de auteurs theologie alleen van onderop begrijpen: menselijke pogingen om het goddelijke te bereiken, wat onvermijdelijk betekent dat wij een valse god in onze voorstelling maken. Het idee dat we ons nederig zouden moeten richten naar de levende en ware God naar wiens beeld wij gemaakt zijn, is nooit overwogen.

Het moralistisch therapeutisch deïsme

Terwijl Newberg en Waldman minimale religie zien als een wondermiddel, is het slechts wat Christian Smith en Melissa Denton hebben geïdentificeerd als "moralistisch therapeutisch deïsme" (deïsme = geloof dat berust op menselijk redeneren en niet op Goddelijke openbaring), een niet-leerstellig spiritueel pragmatisme, gewijd aan goed zijn en een goed gevoel, met een verre god die er is indien nodig, maar niet betrokken is bij grootste deel van het leven. Zo 'n religie geeft ons geen duidelijke beeld van wie wij moeten aanbidden, en de god van die religie doet niets om onze diepste problemen, namelijk ons morele falen en onze sterfelijkheid, op te lossen. Zoals Lewis zei: “Een minimale religie ... heeft geen bevoegdheid om de gevoeligste snaren in ons mens-zijn te raken .... Er is ... niets dat kan overtuigen, kan bekeren en veranderen of (in de hogere zin) kan vertroosten, er is dus niets dat levenskracht voor onze beschaving kan herstellen. Het is niet kostbaar genoeg. Het kan nooit de baas zijn over of zelfs een rivaal zijn van onze natuurlijke luiheid en hebzucht. Een vlag, een lied, een oude schoolherinnering, is sterker en meer dan de heidense religies" (40).

Ironisch genoeg zien Smith en Denton dat de aanhangers van deze belijdenis nog steeds aanwezig zijn op bepaalde plaatsen van aanbidding met specifieke leerstellingen. Het minimale theïsme van het moralistische therapeutische deïsme "lijkt te werken als een parasitair geloof .... Deze religie staat niet en kan over het algemeen niet op zichzelf staan, zodat de aanhangers”, ondanks duidelijke tegenstrijdigheden, "dus wel christelijke Moralistische Therapeutische Deïsten, joodse Moralistische Therapeutische Deïsten, Mormoonse Moralistische Therapeutische Deïsten, en zelfs niet-religieuze Moralistische Therapeutische Deïsten moeten zijn" (41).

Waarschuwing voor gevaar

Je kunt je gemakkelijker verdedigen tegen een duidelijke vijand dan tegen dan een valse vriend. Mensen zoals Dawkins, die geloof proberen weg te redeneren, zijn duidelijk vijandig. Maar wanneer wetenschappers zich vriendelijk opstellen met slecht gedefinieerde begrippen over spiritualiteit en religie, is er het gevaar dat goed bedoelende christenen kritiekloos een Trojaans paard zullen binnenhalen. Hoewel die wetenschappers beweren een neutrale wetenschappelijke verklaring van de religieuze ervaring en praktijk te bieden, pleiten Newberg en Waldman voor een vage onverschilligheid die volstrekt onverenigbaar is met het christelijk geloof. Het zou verstandig zijn om op te passen voor neurowetenschappers met geschenken.


Angus Menuge, Ph.D., is hoogleraar filosofie aan de Concordia University in Wisconsin.
Dit artikel verscheen voor het eerst in het Christian Research Journal, volume 33, nummer 2 (2010). Voor meer informatie of een abonnement op het Christian Research Journal, ga naar: http://www.equip.org .

Vertaald door Piet Guyt


Noten

1 Richard Dawkins, The God Delusion (New York: Houghton Mifflin, 2006).

2 Andrew Newberg en Mark Waldman, How God Changes Your Brain (New York: Ballantine Books, 2009).

3 Dawkins, 176.

4 Ibid., 177.

5 Ibid., 185.

6 Richard Dawkins, The Selfish Gene , rev. ed.. (Oxford: Oxford University Press, 1989), 192.

7 Alister McGrath, Dawkins de God: Genen, Memes, and the Meaning of Life (Oxford: Blackwell, 2005), 124.

8 Het argument van Alvin Plantinga betreft het argument van C.S. Lewis in hoofdstuk 3 van zijn Miracles. Plantinga noemde het argument voor het eerst in “Is Naturalism Irrational?”, namelijk hoofdstuk 12 van zijn Warrant and Proper Function (New York: Oxford University Press, 1993). Een nieuwere versie van hetzelfde argument, met inbegrip van een technische correctie en een aantal nuttige vereenvoudigingen, is gepresenteerd in Plantinga’s Warranted Christian Belief (New York: Oxford University Press, 2000). Onlangs heeft Plantinga eindelijk gereageerd op zijn critici in “Reply to Beilby’s Cohorts” in James Beilby, ed., Naturalism Defeated: Essays on Plantinga’s Evolutionary Argument against Naturalism (Ithaca, NY: Cornell University Press, 2002).Voor een verdediging van het argument van Plantinga en Lewis, zie mijn “Beyond Skinnerian Creatures: A Defense of the Lewis/Plantinga Critique of Evolutionary Naturalism,” Philosophia Christi 5, 1 (2003): 143-65.

9 Steven Pinker, How the Mind Works (New York: WW Norton, 1997), 305.

10 Lewis Wolpert, Six Impossible Things before Breakfast: The Evolutionary Origins of Belief (New York: WW Norton, 2007), 140.

11 Ibid., 216.

12 Pinker, 304.

13 McGrath, 124.

14 "Bulverism," in Walter Hooper, ed.., God in the Dock , 2de ED. (Grand Rapids: Eerdmans, 1970), 273.

15 Alvin Plantinga, "The Dawkins Confusion," 1 (http://www.christianitytoday.com/bc/2007/marapr/1.21.html).

16 Michael Ruse, bespreking van The God Delusion , Isis , 98, 4 (december 2007): 814-16.

17 Voor meer informatie over dit onderwerp, zie Mario Beauregard en Denyse O 'Leary, The Spiritual Brain: A Neuroscientist’s Case for the Existence of the Soul(New York: HarperCollins, 2007), die ik heb besproken in Christian Research Journal 32, 4 (2009 ): 54-55.

18 Een vergelijkbaar werk is Dean Hamer’s The God Gene: How Faith Is Hardwired into Our Genes (New York: Doubleday, 2004), een studie over ‘zelf-transcendentie’, die niet specifiek te maken heeft met God. Bewoners in de buurt van mijn huis bereiken regelmatig ‘zelf-overstijging’ door zich onder te dompelen in de Green Bay Packers. Zelfhulp spiritualiteit gaat ook niet echt over God (of in ieder geval, niet over de ware God), maar over technieken van zelf-motivatie die de volle werkelijkheid van de zonde, en de noodzaak en toereikendheid van het reddend werk van Christus ontkennen. De beste recente kritiek op dit fenomeen is het boek Christless Christianity: The Alternative Gospel of the American Church (Grand Rapids: Baker Books, 2008) geschreven door Michael Horton.

19 Newberg en Waldman, 4-5.

20 Ibid., 27.

21 Ibid., 31.

22 Ibid., 44.

23 Ibid., 174.

24 Ibid., 34.

25 Jeff Schwartz en Sharon Begley, The Mind and the Brain: Neuroplasticity and the Power of Mental Force (New York: HarperCollins, 2002).

26 Mario Beauregard, “Mind Does Really Matter: Evidence from Neuroimaging Studies of Emotional Self-Regulation, Psychotherapy and Placebo Effect,” Progress in Neurobiology 81, 4 (March 2007): 218-36.

27 Newberg en Waldman, 34.

28 Voor een recente verdediging van de neerwaartse causale kracht van de geest over het brein, zie mijn artikel “Is Downward Causation Possible?” Philosophia Christi 11, 1 (2009): 93-110.

29 Newberg en Waldman, 48.

30 Daniel Dennett, Breaking the Spell: Religion as a Natural Phenomenon (New York: Penguin, 2007).

31 Newberg en Waldman, 54-55.

32 Ibid., 58.

33 CS Lewis, “Meditation in a Toolshed” in God in the Dock, 214.

34 Ibid., 215.

35 Benjamin Libet, “Do We Have Free Will?” In Anthony Freeman, Keith Sutherland, en Benjamin Libet, eds,. The Volitional Brain: Towards a Neuroscience of Free Will (Exeter, Engeland: Imprint Academic, 2000), 55.

36 Newberg en Waldman, 70.

37 Dit punt is goed gemaakt door J.I. Packer in zijn “Paul against Pluralism,” in Tough-Minded Christianity: Honoring the Legacy of John Warwick Montgomery, ed. William Dembski en Thomas Schirrmacher (Nashville: Broadman and Holman, 2008), 2-19.

38 Newberg en Waldman, 79.

39 Ibid., 82.

40 C. S. Lewis, “Religion without Dogma?” in God in the Dock, 142-43.

41 Christian Smith and Melinda Lindquist Denton, Soul Searching: The Religious and Spiritual Lives of American Teenagers (New York: Oxford University Press, 2005), 166.

 

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Eigentijds occultisme