Extra Terestrial intelligence E.T.I.

Zou buitenaards intelligent leven de ondergang van het christendom betekenen?

© Door: Guillermo Gonzalez

 

INLEIDING

Op 1 februari 2011 kondigde het Kepler-team van de NASA dat ze 1.235 (inmiddels gaat het al richting de 2000) kandidaat-planeten had ontdekt rond andere sterren. Deze planeten buiten ons eigen zonnestelsel worden exoplaneten genoemd. De belangrijkste wetenschappelijke doelstelling van de Kepler-missie (die op 6 maart 2009 werd ingesteld) is om het aandeel van de planeten te bepalen die net als de aarde een baan draaien binnen de zgn. leefbare zones rond hun gastheer-sterren. Een aardse planeet binnen deze leefbare zone kan vloeibaar oppervlaktewater, dat een essentiële voorwaarde is voor leven, bevatten.

De Kepler-telescoop zoekt naar planeten met behulp van de zgn. foto-metrische doorgangsmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van het gegeven dat een ster iets minder fel schijnt als een planeet kruist tussen ons en de ster. Deze methode is sinds 1999 met succes toegepast met kleine telescopen op de grond, maar de Kepler-telescoop is veel gevoeliger dankzij de ligging buiten de atmosfeer van de aarde.

Wat de aankondiging waarlijk historisch maakte, was de ontdekking van 3 tot 6 exoplaneet-kandidaten (die minder dan tweemaal de grootte van de aarde hadden) binnen de zgn. leefbare zones van hun gastheer-sterren. Daardoor weten we voor de eerste keer in de geschiedenis dat planeten met een omvang vergelijkbaar met die van de aarde een baan draaien rond andere zon-achtige sterren. Hoe vaak komen ze voor? Op basis van observaties van meer dan honderdvijftigduizend sterren tijdens Kepler ‘s eerste vier waarnemingsmaanden, schatten astronomen dat 1 tot 3 procent van de zon-achtige sterren planeten hebben met minder dan tweemaal de grootte van de aarde en wel binnen de zgn. leefbare zones (1). Dit resultaat is nog steeds voorlopig, gezien de korte duur van de waarnemingen tot nu toe, maar verdere waarnemingen in 2012 en 2013 moeten ons meer zekerheid geven over het aantal.

Deze ontdekkingen hebben oude vragen aangaande mogelijk leven buiten de aarde en onze status in het universum zeer actueel gemaakt. Zijn aarde-achtige planeten zeldzaam? Zijn wij alleen, of wemelt het universum misschien van leven? Wat zijn de bredere filosofische en theologische implicaties? We kunnen antwoorden op deze vragen geven met verschillende gradaties van zekerheid. Laten we deze ieder op zijn beurt bekijken.

ZELZAME AARDE OF NIET?

De Kepler resultaten maken het ons mogelijk onze eerste vraag te beantwoorden met een zekere mate van zekerheid, maar we hebben nog een lange weg te gaan. De eerste gegevens laten zien dat de planeten met de omvang van de aarde in de leefbare zones van zon-achtige sterren zeldzaam zijn. Echter, een factor twee in de grootte-verhouding van aardse planeten vertaalt zich in ongeveer een factor tien in de verhouding van hun massa. De kandidaat-planeten die door Kepler zijn gevonden in de leefbare zones van hun gastheer-sterren zijn ongeveer twee keer de grootte van de aarde. Dergelijke ‘super-aarden’ moet niet aarde-achtigen worden genoemd. Ze zouden geheel andere atmosferische en geologische eigenschappen moeten hebben dan de aarde.

Terwijl Kepler de omvang van exoplaneten en hun banen kan meten, kan het niet hun vormen bepalen. De vorm van een planetaire baan wordt gekenmerkt door zijn excentriciteit. Dit is een belangrijke planetaire eigenschap om te kennen. Grote excentriciteitswaarden resulteren in minder stabiele klimaten.

Planeten in ons zonnestelsel worden gekenmerkt door relatief grote cirkelvormige banen. De grondwaarnemingen van exoplaneten met behulp van de zgn. Doppler-methode hebben aangetoond dat ze gemiddeld veel meer excentrische banen hebben dan de planeten in ons zonnestelsel. Bovendien cirkelen veel Jupiter-achtige exoplaneten veel dichter bij hun gastheer-sterren dan de Jupiter-planeten (Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus) in ons zonnestelsel. Veteraan exoplaneet-jager Geoff Marcy geeft toe: "Ons systeem is een zeldzaamheid, daar is geen twijfel over" (2). Maar moet een planeet per se op de aarde lijken om gastheer van leven te zijn?


ZIJN WE ALLEEN?

Iedereen wil het antwoord op deze vraag weten, hoewel ik niet denk dat dit de meest diepgaande vraag is die men kan stellen. De ontdekkingen van exoplaneten door astronomen in de afgelopen vijftien jaar kan de toevallige waarnemer ertoe brengen optimistisch te zijn over de mogelijkheid van leven buiten de aarde. Het is gemakkelijk om te geloven dat het grote aantal planeten in het universum genoeg is om te garanderen dat we niet alleen zijn. Toch adviseer ik voorzichtigheid.

Het is nuttig om eerst even de geschiedenis van het debat over deze vraag samen te vatten. De oude Griekse filosoof Lucretius schreef: "Niets in het universum is de enige in zijn soort ... er moeten talloze werelden en inwoners daarvan zijn" (3). Dit is geen overtuigend argument als je niet uitgaat van haar premisse. Dit idee zou terugkeren in de Renaissance als het Principe van Overvloed, wat weinig meer was dan wat werd aangeboden door de Grieken.

Ongeveer dezelfde tijd deed het Copernicaanse Principe (onlangs het principe van middelmatigheid genoemd) haar intrede. Kort gezegd is het een bewering over de middelmatigheid van ons en onze aarde. Haar aanhangers beweren dat de geschiedenis van de wetenschap sinds Copernicus onze onbeduidendheid op de schaal van de gehele kosmos heeft versterkt. Het Principe van Overvloed en de Copernicaanse Principe zouden samen hebben gediend als de belangrijkste motivaties voor het geloof in buitenaards leven. Echter het Copernicaanse principe is gebaseerd op een verkeerde geschiedenis en een gebrekkige logica (4).


Zo sterk zijn deze motivaties geweest dat men zich voorstelde dat op het ene of andere moment elk van de planeten in het zonnestelsel leven, zelfs intelligent leven zou herbergen. Niemand minder dan een astronoom als Sir William Herschel geloofde dat alle planeten werden bewoond, en zelfs ook de zon! Al deze speculaties zijn in de twintigste eeuw onjuist gebleken, en dit is direct als tegenbewijs opgepakt om het geloof in beschavingen op andere planeten in het zonnestelsel te smoren. Tegenwoordig blijven aanhangers van het Copernicaanse Principe nog steeds de hoop houden dat er ondergronds ‘eenvoudig’ leven overleeft in Mars of in de ondergrond-oceaan van de Galileïsche maan Europa (Europa is de kleinste van de zgn. Galileïsche manen, dit zijn de vier grote manen van Jupiter, en de op vijf na grootste maan van het zonnestelsel. Galileo Galilei ontdekte haar op 8 januari1610(http://nl.wikipedia.org/wiki/Europa_(maan)). Deze plaatsen bevatten in elk geval een essentieel ingrediënt voor leven, namelijk vloeibaar water. Het is onwaarschijnlijk dat een andere stof water zou kunnen vervangen als het ‘universele oplosmiddel’ voor leven (5). Vandaar dat de strategie van NASA is om ‘het water te volgen’ in ons zonnestelsel. Maar de ingrediënten voor het leven hebben veel meer nodig dan alleen vloeibaar water.

Laten we voor dit moment het probleem van de oorsprong van het leven even buiten beschouwing. De noodzakelijke, maar onvoldoende ingrediënten in het recept van het leven omvatten ongeveer zeventien chemische elementen; voeg daar nog eens tien bij voor complexe vormen van leven. Deze moeten in de juiste chemische vorm en overvloedig aanwezig zijn. Andere eisen in het recept zijn een bepaalde cyclus van de genoemde elementen, langdurige energiebronnen, bescherming tegen ioniserende straling, en de stabiliteit van de omgeving. Plaatsen waar aan deze voorwaarden is voldaan zijn de leefbare zones op de kleine schaal en de Galactische leefbare zone op de grote schaal (6).

Copernicus-aanhangers komen tot het besef dat het leven niet zomaar overal kan bestaan​​. We zullen echt moeten zoeken naar aarde-achtige planeten als we enige hoop willen hebben op het ontdekken van leven (vooral complex leven) op deze planeten. Om een ​​echt evenwichtig beeld van de gevolgen van astro-biologisch onderzoek te hebben, moet men niet alleen kijken naar het aantal exoplaneten dat in de laatste twee decennia ontdekt is, maar ook naar de theoretische ontwikkelingen in onze kennis van bewoonbaarheidseisen. Elk jaar ontdekken astro-biologen nieuwe factoren die eerder waren verwaarloosd in het beoordelen van de bewoonbaarheid van een planeet. Voorbeelden hiervan zijn de aanwezigheid van een grote maan, eigenschappen van de buren van Jupiter planeten, koppeling van planetaire geo-dynamica met baan-eigenschappen, ontwikkelingen in compositie op galactische schaal (die bepalen hoe waarschijnlijk het voor een planeet is om op een bepaalde plaats in de Melkweg gevormd te worden), en de effecten van gammaflitsen (dit zijn heftige uitbarstingen van hoogenergetische gammastraling en die enkele milliseconden tot enkele minuten kunnen duren. Men heeft geconcludeerd dat de waargenomen gammaflitsen afkomstig waren van verre sterrenstelsels) (http://nl.wikipedia.org/wiki/Gammaflits). Terwijl astro-biologen niet precies kunnen zeggen hoe zeldzaam leefbare planeten zijn, is het gegeven dat ze zeldzaam zijn niet meer betwistbaar.

WAT ZIJN DE BREDERE IMPLICATIES?

Stel dat we op een dag enkele soorten bacteriën, die onder het oppervlak van Mars leven, zouden ontdekken, dan denk ik niet dat de gevolgen zeer groot zouden zijn. Ten eerste is het waarschijnlijk dat de Aarde Mars heeft besmet met haar microben (7). Een klein deel van het materiaal dat in het verleden van de Aarde is weggeblazen tijdens een van de vele effecten van grote asteroïden of kometen, zou eencellige bacteriën naar Mars hebben kunnen vervoeren die daar zijn uitgezaaid.

Maar stel nu dat er op Mars bacteriën worden gevonden die een onafhankelijke oorsprong op Mars hebben gehad? Ten eerste betekent dit niet, zoals velen geloven, dat het leven gemakkelijk kan ontstaan door natuurlijke middelen. Het aanwezig zijn van een intelligente ontwerper zou nog steeds de beste verklaring voor het ontstaan ​​van leven op Mars zijn, net zoals het geval is voor het leven op aarde. Hetzelfde geldt voor het leven dat op een verre exoplaneet wordt ontdekt. Aan de andere kant, wat moeten we ervan denken als we na voortdurend zoeken, geen bewijs voor leven op Mars vinden? Mars is namelijk de meest Aarde-achtige planeet die we kennen, en deze is in de buurt, met dezelfde zon en dezelfde planetaire buren. Als de Aarde Mars niet geïnfecteerd heeft, dan kunnen we alleen maar concluderen dat Mars niet voldoende aardachtig is om zelfs maar ‘eenvoudig’ leven te kunnen herbergen. Hoeveel minder waarschijnlijk is het dan dat exoplaneten leven kunnen bevatten?

De interessantere vraag betreft het bestaan ​​van buitenaardse intelligentie (ETI, de afkorting van ExtraTerrestrial Intelligence). Als we ETI zouden ontdekken dat vergelijkbaar is met de intelligentie van een hond of een aap, dan denk ik niet dat het aanzienlijke gevolgen zou hebben. Echter, de algemene opvatting onder hedendaagse opiniemakers lijkt te zijn dat christenen zich zorgen zouden moeten maken over de ontdekking van een geavanceerde ETI. ‘Space.com’ blogger Clara Moskowitz schreef onlangs op ‘MSNBC.com’: "Vooral voor christenen zal het nieuws over ETI het moeilijkst te verteren zijn, omdat het christelijk geloof(ssysteem) niet gemakkelijk de aanwezigheid van andere intelligente wezens in het universum erkent of ermee rekening houdt, aldus christelijke denkers op het ‘100 Jaar ruimtevaart’ symposium, een bijeenkomst gesponsord door het Defense Advanced Research Projects Agency [DARPA] om thema’s rond het reizen naar andere sterren te bespreken" (8).

ETI is overigens geen nieuw onderwerp voor christenen. Op een van de weinige keren dat CS Lewis zijn visie over ETI gaf, schreef hij: “We weten dat God Zijn volk heeft opgezocht en verlost, en dat vertelt ons net zo veel over het algemene karakter van de schepping als een injectie die aan een zieke kip op een grote boerderij is gegeven ons iets vertelt over het algemene karakter van de landbouw in Engeland. …. De essentie van het christendom is dat God de mens liefheeft en daarom voor hem mens geworden en gestorven is. Maar dat bewijst niet dat de mens het enige doel van de schepping is. In de bekende gelijkenis (Matt. 18:12 t/m 14; Luc. 15:4 t/m 7) zien we dat de herder op zoek was gegaan naar dat ene verloren schaap; het was echter niet het enige schaap in de kudde, en ons wordt niet verteld dat het verloren schaap het meest waardevolle was – even ervan afgezien dat degene die het meest wanhopig behoefte aan hulp heeft, een bijzondere waarde in de ogen van Gods liefde heeft. De leer van de vleeswording zou in strijd zijn met wat we weten van dit uitgestrekte universum, alleen al als we wisten dat er in dat universum ook andere rationele soorten waren die, net als wij, gevallen waren en die op dezelfde manier verlossing nodig hadden, maar het hun niet was vergund. Maar hiervan weten we niets af” (9).


Belangrijker is dat de leer van de vleeswording altijd heeft betekend dat de vleesgeworden God de hele schepping met Zichzelf heeft verzoend. Er staat niet dat God mens werd met uitsluiting van al het andere. Zowel Katholieken als Protestanten hebben degelijke theologische analyses van ETI gemaakt. Twee voorbeelden zijn ‘Christendom en buitenaardsen? Een katholiek perspectief’ door Thomist Marie I. George en ‘De logica van de vleesgeworden God’ door Thomas Morris. Het blijkt dat christenen genoeg theologische bronnen hebben om rekening te houden met het (eventuele) bestaan ​​van ETI. Na alles wat er is gezegd, moeten we niet vergeten dat het slechts gaat over hypothetische vragen, want er is geen bewijs voor ETI, en onze antwoorden zijn noodzakelijkerwijs speculatief.

Lewis heeft droogjes gereageerd op pogingen van atheïsten om beide kanten van het ETI-debat te gebruiken als een wapen tegen het christendom: “Als we andere hemellichamen ontdekken, moeten ze of bewoonbaar of onbewoonbaar zijn: en het vreemde is dat deze beide hypothesen worden gebruikt als argument voor afwijzing van het christendom. Als het heelal vol is met leven, zoals ons wordt verteld, zou dit de christelijke aanspraak (of wat men als christelijk aanspraak ziet) tot een absurditeit reduceren. Namelijk de christelijke aanspraak dat de mens uniek is, en de christelijke leer dat voor deze ene planeet God naar de aarde kwam voor ons als mensen en voor onze redding. Als, aan de andere kant, de aarde werkelijk uniek is, dan bewijst dat dat het leven slechts een toevallig bijproduct in het universum is, en ook dat zou onze godsdienst weerleggen. Waarlijk, we zijn kennelijk moeilijk te behagen” (10).


Uiteraard is God vrij om een universum te maken waarin het leven zeldzaam of gewoon of zelfs uniek is. Voor de ETI optimist is theïsme de betere keuze of ID. Dit is misschien wel de centrale ironie. De verklarende gereedschapskist van de naturalist is te beperkt om ETI te verklaren, laat staan ​​om ons bestaan te verklaren (11).

© Door: Guillermo Gonzalez (Christian Research Institute / Christelijk Onderzoek Instituut). Dit artikel verscheen voor het eerst in het Christian Research Journal, volume 35, nummer 01 (2013). Voor meer informatie zie: http://www.equip.org

Guillermo Gonzalez, Ph.D. is professor in de astronomie en natuurkunde aan het Grove City College in westelijk Pennsylvania. Hij is auteur van bijna tachtig wetenschappelijke artikelen en samen met Jay W. Richards mede-auteur van ‘The Privileged Planet: How Our Place in the Cosmos is Designed for Discovery’(Debevoorrechte planeet: Hoe onze plaats in de kosmos is ontworpen voor ontdekking) (Regnery, 2004).

© Vertaling: Piet Guijt


Literatuur

  1. Joseph Catanzarite and Michael Shao, “The Occurrence Rate of Earth Analog Planets Orbiting Sun-like Stars” (Het waargenomen percentage van de Aarde- analoge planeten bij zonachtige sterren),The Astrophysical Journal 738, 2 (2011): doi: 10.1088/0004-637X/738/2/151.
  2. Geciteerd in Lee Billings, “No Place like Home: Our Lonesome Solar System” (Ons eenzame zonnestelsel), New Scientist (May 14, 2011): 46–49.
  3. Lucretius (98–55 BC), De Rerum Natura.
  4. Dennis Danielson, “The Great Copernican Cliché”, American Journal of Physics 69, 10 (October 2001): 1029. Zie hoofdstukken 11 and 12 in Guillermo Gonzalez and Jay W. Richards, The Privileged Planet: How our Place in the Cosmos Is Designed for Discovery (Debevoorrechte planeet: Hoe onze plaats in de kosmos is ontworpen voor ontdekking)(Washington, DC: Regnery, 2004).
  5. Gonzalez and Richards, The Privileged Planet (Debevoorrechte planeet), hoofdstuk 2.
  6. Guillermo Gonzalez, “Habitable Zones in the Universe” ((Leefbare zones in het heelal)), Origins of Life and Evolution of Biospheres 36, 6 (2005): 555–606.
  7. Bret Gladman, Luke Dones, Harold F. Levison, and Joseph A. Burns, “Impact Seeding and Reseeding in the Inner Solar System” (Gevolg van Zaaien en Inzaaiing in het binnenste van het zonnestelsel), Astrobiology 5, 4 (2005): 483–96.
  8. http://www.msnbc.msn.com/id/44749017/ns/technology_and_science-space/#.TqBzHd6Ike6. Accessed November 2, 2011.
  9. Gegeven het feit dat we bestaan​​, zou volgens het naturalisme het heelal nauwelijks bewoonbaar moeten zijn, omdat het aantal nauwelijks leefbare universums veel talrijker zou moeten zijn dan het aantal zeer leefbare universums in elke van de vele scenario’s die door kosmologen zijn aangedragen.

Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Eigentijds occultisme