Wanneer begint het leven?

Het recht op leven: wanneer begint het leven?

 

Inleiding

In de loop van de geschiedenis zijn er in de abortusdiscussie veel criteria genoemd om te beoordelen wanneer een menselijk organisme in zijn ontwikkeling het punt bereikt heeft waarin het volledig mens genoemd kan worden. Sommige criteria zijn gebaseerd op zogenaamde ‘beslissende’ momenten in de ontwikkeling van de foetus. Andere criteria berusten op bepaalde voorwaarden waaraan een wezen, al of niet geboren, moet voldoen om als een menselijk wezen beschouwd te worden. En weer anderen beweren dat er geen ‘beslissend’ moment is, maar dat, naarmate de ongeborene groeit, er steeds meer aanspraak op het mens-zijn mogelijk is. Ik ben van mening dat al deze standpunten gebrekkig zijn. In dit artikel zal ik verdedigen dat het pro-life standpunt, dat inhoudt dat volledig mens-zijn begint bij de conceptie, het meest coherent is en in overeenstemming met onze fundamentele waarden. Om dit standpunt adequaat te verdedigen, zal ik in dit artikel kritiek leveren op enkele criteria die worden gehanteerd tegen de pro-life visie..

 

Agnostisch criterium: “Niemand weet wanneer het leven begint”

Vanuit de abortus-lobby wordt vaak beweerd dat niemand weet wanneer het leven begint. Die formulering is niet scherp genoeg. Want niemand die iets weet van de prenatale ontwikkeling, twijfelt er één moment aan dat het individuele biologische leven vanaf de conceptie al aanwezig is. Wat de voorstanders van abortus met die uitspraak waarschijnlijk bedoelen is dat niemand weet wanneer het volledige mens-zijn in het proces van de menselijke ontwikkeling van het individu in de baarmoeder bereikt wordt. Omdat niemand weet wanneer het leven begint, claimt men vanuit een juridisch standpunt dat abortus legaal moet blijven. Ik denk dat je dit standpunt met vier argumenten kunt bestrijden (1):

  1. Het is een tweesnijdend zwaard. Als niemand weet wanneer het ‘volledige mens-zijn’ bereikt is, dan kunnen we niet verhinderen dat een satansaanbidder, die gelooft dat de mens pas volwaardig is op tweejarige leeftijd, zijn anderhalf jarige zoon offert aan de boze. Immers, wie weet wanneer het leven begint?
  2. Als het waar is dat we niet weten wanneer het mens-zijn begint, dan is dat juist een uitstekende reden om de ongeborene niet te doden, omdat we het risico lopen een menselijk wezen met een volledig recht op leven te doden. Als jagers bij ieder geluid uit de struiken gelijk zouden schieten zonder echt te weten waarop, zou het jagen snel verboden worden. Onwetendheid omtrent de status van een wezen is geen rechtvaardiging het om te brengen.
  3. Omdat we alle biologische prenatale feiten over de ontwikkeling kennen, hebben we uitstekende redenen om aan te nemen dat alle kenmerken van het mens-zijn aanwezig zijn bij de conceptie en dat de aard van zowel het prenatale als postnatale bestaan een kwestie is van ontplooiing van menselijke groei en ontwikkeling, die in feite pas ophoudt bij de dood. Met andere woorden: ongeborenen zijn net als de rest van ons niet mogelijke/potentiële mensen maar mensen met veel potentieel!
  4. Door het om praktisch iedere mogelijke reden toelaten van abortus tijdens de negen maanden durende zwangerschap, hebben abortus- activisten omwille van allerlei praktische doeleinden in feite beslist wanneer het volledig mens-zijn bereikt is. Ze hebben besloten dat dit het moment van de geboorte is. Dezelfde lobbyisten die beweren dat niemand weet wanneer het leven begint, handelen vanuit het standpunt dat leven begint bij de geboorte, hoewel enkele van hen zoals Peter Singer en Michael Tooley ook spreken van kindermoord. (8) Hun daden spreken een duidelijker taal dan hun woorden!

Sommige abortus-activisten beweren zelfs dat de persoonlijkheid bij de conceptie een religieus geloof is, een niet-bewijsbaar biologisch feit. (9) Dit overigens tot schaamte van andere aanhangers van abortus. Wat zou men mogelijk bedoelen met een dergelijke aanname? Beweert men dat religieuze claims in principe wetenschappelijk onbewijsbaar zijn? Als dat zo is, heeft men ongelijk, want vele religies zoals het christendom en de islam geloven dat de fysieke wereld echt bestaat, hetgeen een belangrijke aanname in de wetenschap is.  Er zijn ook religies die het letterlijke bestaan van de fysieke wereld ontkennen zoals Christian Science en sommige denominaties van het Hindoeïsme. (10) Maar misschien zijn de ‘vrije keuze’ aanhangers van abortus van mening dat de biologie ons niets vertelt over de waarden. Als dat zo is, is het deels waar en deels onwaar. Het is in zoverre waar dat de fysieke wetenschappelijke feiten van zonder enige morele reflectie van onze kant niet vertellen wat waar en niet waar is. Maar het is niet waar dat dat de fysieke wetenschappelijke feiten van ons niet kunnen vertellen op wie we de waarden waarvan we ons bewust van zijn, moeten toepassen. Als ik bijvoorbeeld met mijn auto in de richting van een levende vrouw of een etalagepop rijd, kan biologie mij helpen om te voorkomen dat ik geen moord pleeg. Het rijden over een etalagepop is geen doodslag, maar een levend mens aanrijden wel!

Waarschijnlijk is het net andersom, namelijk dat als de ‘vrije keuze’ lobby beweert, dat menselijk leven als iets filosofisch beschouwd moet worden, dit ook niet wetenschappelijk bewezen kan worden. Is het dan ook niet zo dat de overtuiging, waar veel mensen anders over denken, dat een vrouw recht heeft op abortus geen wetenschappelijke is, maar een filosofische overtuiging is waarover men van mening kan verschillen?

Als het pro-life standpunt niet in de wet kan worden vastgelegd omdat het een religieus-filosofisch standpunt is, dan geldt dit ook voor de standpunten van de pro-abortus lobby. Nu zou een voorstander van de ‘vrije abortusrechten’ kunnen reageren door te zeggen dat dit feit alleen al een goede reden is om aan iedere vrouw zelf over te laten om te kiezen of ze een abortus wil of niet. Dit nu is precies wat de voorstanders van abortus zeggen. Maar de pro-life lobby kan dan de voorstanders van abortus met hun eigen logica bestrijden. Men zou namelijk kunnen stellen dat aangezien de positie van abortusrechten slechts een filosofische is waarover mensen verschillend denken, men het ongeboren menselijk wezen moet toestaan om geboren te worden en om zelf te kiezen of ze wil leven of sterven. Onzin natuurlijk. Kortom het argument dat we niet weten wanneer een leven begint, is ontoereikend.

 

Implantatie

Er zijn enkele pro-life voorstanders zoals dr. Bernard Nathanson (11) die beweren dat het volledige mens-zijn pas begint als na een week de conceptie geïmplanteerd wordt in de baarmoeder. Ook hierop wil ik met 4 tegenwerpingen reageren:

  1. Nathanson stelt dat op het moment van implantatie van de ongeborene deze zijn aanwezigheid t.o.v. baarmoeder van de moeder bekend maakt door het uitzenden van eigen signalen, namelijk de productie van hormonen. Na een week is er een innesteling die volgens Nathanson belangrijk is omdat vóór die tijd de genetische structuur van de ongeborene incompleet was omdat het meest elementaire element dat leven voortbrengt ontbrak, namelijk een interface met een menselijke gemeenschap en communicatie. (12) Nathanson vindt dus de hormonale communicatie met de moeder essentieel voor volwaardig mens- zijn. Ik denk dat dit argument verkeerd is en wel om twee redenen. Ten eerste: hoe is het mogelijk dat iemands bestaan afhankelijk is van de vraag of anderen zich bewust zijn van je bestaan? Het is juist eerder zo dat het niet van essentieel belang of iemand weet dat je bestaat, want je bent wie je bent, ongeacht of de anderen zich bewust zijn van je bestaan. Als je met iemand communiceert, maakt dat op zichzelf ons niet tot een menselijk wezen. In filosofische termen is het zo dat Nathanson epistemologie (de studie van de manier waarop we dingen weten) verwart met ontologie (de studie van het zijn of het bestaan).
  2. Een tweede bezwaar wat mijn eerste bezwaar ondersteunt, wordt door Nathanson zelf genoemd. Hij schrijft: “Als implantatie biologisch gezien het beslissende moment is voor het bestaan van de ongeborene, hoe moeten we dan aankijken tegen ‘reageerbuisbaby’s’? De zygote (bevruchte eicel) wordt in deze gevallen gezien in zijn ontwikkelingstoestand en kondigt zijn bestaan aan voordat het wordt geïmplanteerd”. Nathanson reageert op de vraag door te beweren dat wanneer de zygote in zijn ontwikkelingstoestand in de reageerbuis is, het in feite al biologisch en filosofisch gezien geïmplanteerd is en dat het al een band bereikt heeft met een menselijke gemeenschap voordat hij ge- ‘re-implanteert’ wordt in de baarmoeder van de moeder. (13) Dit is een zwak punt van Nathanson, want hij moet toegeven dat er geen essentieel verschil bestaat tussen de geïmplanteerde en niet-geïmplanteerde zygote, maar alleen een bijkomstig verschil namelijk dat bij de één het vroegere bestaan bekend is en bij de ander niet. Je kunt het vergelijken met het verschil tussen Donald Trump, een onbekende kluizenaar, en een andere Donald Trump die ondernemer en miljardair is. Ze bestaan alle twee. Zo is er ook geen wezenlijk verschil tussen een onbekende en bekende conceptie. Het lijkt onlogisch om te beweren dat iemands essentie afhankelijk is van de kennis van iemand anders over zijn bestaan. 
  3. Er is een ander argument voor de stelling dat implantatie het beslissende moment van volledig mens-zijn is. Als we beweren dat dit mens-zijn begint bij de conceptie, moeten we een antwoord hebben op de situatie waarbij sommige entiteiten die voortkomen uit de vereniging van sperma- en eicellen (14) geen menselijke wezens zijn en zich nooit tot een menselijk leven zullen ontwikkelen, en de situatie dat er menselijk leven tot stand komt zonder de samensmelting van sperma en eicel (14) Nathanson geeft enkele voorbeelden van niet-menselijke entiteiten die het gevolg zijn van de samensmelting van sperma en eicel: de mola zwangerschap, waarbij een eicel zonder erfelijk materiaal wordt bevrucht door een spermacel, vaak het gevolg van een gedegenereerde placenta. Verder het choriocarcinoma, dit is een kwaadaardig gezwel in de baarmoeder (uteruscarcinoom) dat ontstaat in de oppervlaktecellen (epitheelcellen) van de chorionvlokken van de baarmoeder (placenta). Dit is één van de meest kwaadaardige gynaecologische tumoren. Ook noemt hij het blighted ovum (windei). Dit is een zwangerschap die al in een heel vroeg stadium wordt afgebroken en in een miskraam eindigt. De vruchtzak bevat wel vloeistof, maar geen embryocellen wanneer de miskraam optreedt.. Een voorbeeld van de wording van een mens die niet tot stand komt door de vereniging van sperma en eicel is de kloon (15). Het probleem met Nathansons stelling is dat hij twee begrippen verwart, namelijk noodzakelijke voorwaarden en voldoende voorwaarden. Iemand die beweert dat volledig mens-zijn begint bij de conceptie, beweert niet dat alles wat het resultaat is van een eicel-sperma-verbinding noodzakelijkerwijs een conceptie is. Dat wil zeggen, elke voorstelling van een unieke individuele menselijke entiteit is het resultaat van een verbinding van sperma en eicel, maar niet elke eicel-sperma-verbinding past in dit concept.

 

 

De sperma-eicel-verbinding is een noodzakelijke voorwaarde voor een conceptie, maar nog geen voldoende voorwaarde. Nathanson heeft wél gelijk als hij zegt dat het moment dichtbij is dat er menselijke wezens zullen ontstaan zonder een moment van conceptie. Maar dat betekent alleen maar dat die verbinding geen noodzakelijke voorwaarde is voor het mens zijn net zoals de sperma-–eicel-verbinding niet een voldoende voorwaarde voor conceptie is. Kortom, Nathansons argument betreffende zowel het niet ontwikkelen van sperma-eicel-verbindingen tot menselijke entiteiten als de mogelijkheid van klonen, doet niets af aan het pro-life standpunt dat het volledig mens-zijn begint bij de conceptie. Er wordt geschat dat 20 tot 50 % van alle concepties sterven vóór de geboorte. En men denkt dat 30% sterft vóór de implantatie. (17) Sommige mensen beweren dat die feiten het moeilijk maken te geloven dat ongeborenen volledig menselijk zijn in het vroegste stadium vóór de implantatie. Maar het is geen rechtsgeldig argument om het aantal stervenden als criteria voor het al of niet van nature volledig mens-zijn te nemen. Dat is bijvoorbeeld hetzelfde als te veronderstellen dat in landen met een hoge sterfte de baby’s minder menselijk zijn dan baby’s die in landen met een lage kindersterfte geboren worden.

 

  1. De aanhangers voor vrije keuze van abortus kunnen hierop reageren met de opmerking dat als het waar is dat elke bevruchte eicel menselijk is, we ook verplicht zijn om alle spontane abortussen zo veel mogelijk te voorkomen. Met als gevolg dat dit zou leiden tot overbevolking, uithongering en dood door medische verwaarlozing. Dit antwoord kan ons in eerste instantie in verwarring brengen omdat we de morele verplichting hebben geen moord te plegen (dat wil zeggen om een abortus uit te voeren). Maar hebben we ook de plicht om in te grijpen in een natuurlijke dood? (dat wil zeggen: de conceptie toe te staan om spontaan af te breken). Het beschermen van leven is een morele verplichting, maar het zich verzetten tegen een natuurlijke dood is niet per se een morele plicht… Het is niet tegenstrijdig als we enerzijds het leven willen beschermen tegen een kunstmatige abortus en anderzijds een natuurlijke dood door een spontane abortus toestaan. (18) Ik moet toegeven dat de kwestie van inmenging in een spontane abortus de pro-life ethicus dwingt om nog zorgvuldiger na te denken over zijn of haar positie en daarin onderscheid en nuanceringen aan te brengen die niet populair zijn voor iedereen in de pro-life achterban. Maar net zomin het toestaan dat de stekker wordt getrokken uit een machine (waardoor een patiënt met een onomkeerbaar coma in leven wordt gehouden) mag worden gebruikt tegen het standpunt dat het vermoorden van gezonde volwassenen moreel verkeerd is, net zomin mag het reageren op een spontane abortus worden gebruikt tegen de pro-life ethiek, die zegt dat we een gezond en normaal ontwikkelende ongeborene niet actief mogen doden.

 

 

Scheiding, splitsing van de conceptie

Sommige mensen beweren dat bij moderne technieken als twinning (het scheiden van een enkele conceptie) en recombinatie (de hereniging van twee concepties) het individuele menselijk leven pas ná die technieken ontstaat, dus niet vóór de implantatie. Maar uit een zorgvuldige bestudering van de aard van de splitsing en recombinatie blijkt dat er geen reden is om te veronderstellen dat de oorspronkelijke conceptie vóór het toepassen van deze technieken niet volledig menselijk zou zijn. In de eerste plaats zijn de wetenschappers het oneens over veel aspecten van scheiding. Sommigen beweren dat twinning (splitsing) een niet-seksuele vorm van voortplanting is. Dit is een reproductie van een eicel zonder bevruchting, hetgeen een normaal proces is bij sommige ongewervelden en plantensoorten. Anderen beweren dat wanneer de splitsing optreedt, een bestaand mens sterft en leven geeft aan twee identieke menselijke wezens zoals hijzelf. Weer anderen beweren dat, gezien het feit dat niet alle menselijke concepties de mogelijkheid van splitsing hebben, men kan stellen dat er in sommige concepties een fundamentele dualiteit bestaat vóór de splitsing. Men kan dan aannemen dat in sommige initiële fasen twee individuele levens aanwezig zijn sinds het begin van de bevruchting. In ieder geval doet het begrip splitsing niets af aan de stelling dat het volledig mens-zijn begint bij de conceptie. (19) Elke conceptie, zelfs vóór twinning of recombinatie, is nog steeds een genetisch unieke persoon, die verschilt van zijn of haar ouders. Met andere woorden: als identieke tweelingen of meerlingen het gevolg zijn van een scheiding van de conceptie of een resultaat van het combineren van twee concepties, is het niet logisch om te stellen dat de voorafgaande conceptie niet menselijk was. (20) Ter illustratie hiervan een verhaal van de filosoof Robert Wennberg:

Stel je voor dat we in een wereld leven waarin het voor een klein aantal teenagers mogelijk is om door enkele geheimzinnige, natuurlijke middelen zichzelf op hun zestiende verjaardag te splitsen in twee personen. We zouden er geen moment aan twijfelen dat die persoon vóór zijn of haar zestiende een volwaardig mens is. Evenmin zouden we geneigd zijn om aan te nemen dat men het leven vóór het zestiende levensjaar ongestraft kan doden, net zoals we dat ook na het zestiende jaar na een eventuele splitsing niet zouden goedkeuren. Echt verwonderlijke zou het zijn om die vergelijking door te trekken, en dat twee tieners zich zouden verenigen tot één tiener. Hoe dan ook, in al deze voorbeelden zouden we de individuele claims van volwaardig menselijk leven niet in twijfel trekken. We kunnen misschien allerlei vragen stellen over de persoonlijke identiteit, maar we zouden het recht van leven van deze splitsingen of herenigingen niet ontkennen. Dergelijke overwegingen zijn relevant als het gaat om te bepalen op welk moment een individu recht heeft op leven in de baarmoeder. (21)

 

De verschijningsvorm van het mens-zijn

Sommigen beweren dat de ongeborene pas volledig menselijk is als deze het uiterlijk van een kind krijgt. Prof. Ernest van den Haag (22) beaamt deze stelling hoewel hij dit criterium koppelt aan waarnemingsvermogen, waarop ik later zal ingaan. Hij schrijft dat als bij ongeborenen de hersenen en een neuraal systeem zich na drie maanden hebben ontwikkeld, het begint te lijken op een embryonaal menselijk wezen. (23) (Hij noemt daarbij niet dat er na 40 of 42 dagen al hersengolven te meten zijn) Nadat het embryo op een menselijk leven begint te lijken, is abortus niet meer geoorloofd tenzij het leven van de moeder in gevaar komt en het op een mens lijkende embryo grote afwijkingen heeft. (23) Je kunt een heleboel afdingen op deze stelling. Zo zijn er bijvoorbeeld etalagepoppen in winkels die veel op mensen lijken, maar het toch echt niet zijn. Ook zijn er mensen met uiterlijke eigenaardigheden zoals de ‘bebaarde dame’ en de ‘olifant man’ die misschien meer lijken op niet-menselijke primaten, maar toch echt volledig mens zijn. De reden waarom we een etalagepop niet menselijk vinden en de bebaarde dame en olifant man wel, is niet vanwege hun uiterlijk maar omdat ze genetisch als primair individueel organisme functioneren en daardoor behoren tot de homo sapiens. Davis wijst erop dat het bezwaar tegen het criterium ‘uiterlijk van mens-zijn’ is, dat men veronderstelt dat een persoonlijkheid alleen postnataal zou bestaan. Als je er even over nadenkt, moet je al gauw tot de conclusie komen dat ‘uiterlijk van mens-zijn’ een dynamisch begrip is en niet statisch. Ieder van ons zal tijdens een normale ontwikkeling en groei een opeenvolging van verschillende uiterlijke kenmerken vertonen. Een vroeg embryo lijkt inderdaad niet op een pasgeborene, maar ziet er precies zo uit zoals het in het stadium van ontwikkeling uit moet zien. Het uiterlijk van een 80-jarige is totaal anders dan van een pasgeboren kind en toch zal iedereen ze zien als volwaardige mensen. In beide gevallen hebben we geleerd om de fysieke verschijningsvorm in verband te brengen met het ontwikkelingsstadium en vinden dit normaal. (24) Het is misschien waar dat we, psychologisch gezien, minder moeite hebben om menselijk leven, wat we niet dagelijks zien, te doden, maar dat doet niets af van het feit dat het om menselijk leven gaat. Zodra we onderkennen dat de menselijke ontwikkeling een proces is wat niet ophoudt bij de geboorte, zullen we inzien dat voor het criterium ‘uiterlijk van mens-zijn’ het vergelijken van een ongeborene van 6 weken met een pasgeborene hetzelfde is als het vergelijken van een pasgeborene met een tiener. Als we tot conclusie gekomen zijn dat de criteria voor het mens-zijn niet de uiterlijke kenmerken na de geboorte zijn, waarom zouden we dat dan vóór de geboorte wél doen? Het menselijk leven is een continuüm van de conceptie tot de natuurlijke dood. (25) Door de verwarrende beschrijving van menselijkheid door Van den Haag kan dit ongewild naast andere vooroordelen zoals seksisme, racisme tot een nieuw vooroordeel leiden, namelijk wel of niet geboren. Evenals andere vooroordelen zoals seksisme en racisme benadrukt het niet-essentiële verschillen zoals het hebben van een ander uiterlijk om een bepaalde favoriete groep te ondersteunen, namelijk ‘de al geborenen’.

 

Menselijke gevoelens

Sommige mensen in het pro-abortus kamp denken dat, omdat ouders bij de dood van een embryo of foetus minder rouwen dan bij de dood van een baby, daaruit zou blijken dat een foetus niet geheel menselijk is. Dit gevoelscriterium is een zeer wankele basis voor het morele handelen. Noonan heeft hierover opgemerkt: “Gevoel is een beruchte onzekere factor in het beoordelen van mens-zijn. Vele mensen hebben moeite om personen die een andere taal, huidskleur, religie of geslacht hebben, als volwaardige mensen te zien”. (26) Men voelt het over het algemeen als een groter verlies als een gezonde ouder plotseling overlijdt dan dat er in onderontwikkelde landen dagelijks honderden mensen sterven van de honger. Betekent dit dat de laatste groep minder menselijk is dan één van de ouders? Zeker niet. Noonan wijst erop dat, afgezien van onze reactie op groepen vreemdelingen, we meer verdriet ervaren bij het verlies van een tienjarige jongen dan bij het verlies van zijn één dag oude broertje of zelfs zijn 90 jaar oude grootvader. De reden voor dit verschil in rouw heeft meer te maken met de relatie die we hadden en met de potentiële toekomstige mogelijkheden die verdwijnen en de belevenissen met elkaar die ophouden, dan dat er een wezenlijk verschil in mens-zijn bestaat tussen een pasgeborene, tiener of 90-jarige. (27)

 

De eerste beweging in de moederschoot

Het ontstaan van leven werd van oudsher gedateerd op het moment dat de moeder voor het eerst beweging voelde. Dat was het moment waarvan sommige middeleeuwse geleerden dachten dat er leven was in de foetale ontwikkeling of dat de ‘ziel’ in het ongeboren lichaam gekomen was. Omdat men toen geen kennis had van de biologische feiten die we nu kennen, geloofde men dat vóór de eerste gevoelde beweging niet aangetoond kon worden dat de ongeboren entiteit ‘levend’ of ‘volkomen menselijk‘ was. Door de huidige stand van de biologie is overtuigend aangetoond dat er een biologisch, levend menselijk individu aanwezig is vanaf de conceptie, en heeft men het criterium ‘leven door beweging te voelen’ afdoende weerlegd net zoals de huidige astronomie het geocentrische zonnestelsel heeft weerlegd. Betekent dit dat onze voorouders niet ‘pro-life’ waren? Helemaal niet. Jurist en theoloog John Warwick Montgomery zegt dat op het moment dat onze voorouders in het ervaren van leven door beweging het begin van het mens zijn zagen, dit gewoon een eerste overtuigend bewijs van identificatie van leven was. Ze beweerden juist dat, zodra je nieuw leven ervoer, er bescherming moest komen. Nu weten we dat het leven begint bij de conceptie zonder dat er nog meer voorwaarden toegevoegd worden. (28) Dus als de rechtsbescherming in overeenstemming wil zijn met onze wetenschap, moet die bescherming van de ongeboren entiteit uitgebreid worden tot het begin van de conceptie. Nu weten we dat het vermogen om beweging van de ongeborene te voelen afhankelijk is van de dikte van het vetweefsel van de moeder. Het lijkt me niet van deze tijd om te zeggen dat het ongeboren mens-zijn afhangt van de vraag of men zo gelukkig is dat men geboren wordt in een lichaam dat frequent de aerobiclessen heeft bijgewoond!

 

Geboorte

Sommige mensen beweren dat het mens-zijn pas bereikt wordt met de geboorte, en wel om twee redenen. Ten eerste begint men in onze samenleving pas bij de geboorte met het bepalen van de leeftijd. Ten tweede wordt een kind pas na de geboorte gedoopt en in de familie opgenomen. Ook hier kun je een aantal kritische vragen bij stellen. Dat mensen vanaf de geboorte de leeftijd gaan tellen, een naam geven en na de geboorte gaan dopen zijn gewoon sociale gebruiken in onze samenleving. Men is immers niet minder menselijk als men te vondeling gelegd wordt, geen naam krijgt of niet gedoopt wordt. Sommige culturen, zoals de Chinese, beginnen de leeftijdsbepaling vanaf de conceptie. Betekent dat dan dat de Amerikaanse ongeborenen minder menselijk zijn dan de Chinese? Ten tweede is er geen wezenlijk verschil tussen een ongeboren entiteit en een pasgeboren baby, slechts qua verschil in de plaats waar men zich bevindt. Zoals Wennberg zegt: “De zekerheid van volwaardig mens zijn hangt niet af van de plaats waar men is, want dat is niet bepalend voor het recht op leven”. (29) Voorvechters van abortus zoals Peter Singer en Helga Kuhse zijn het over één ding eens: “De pro-life groepen hebben gelijk met hun stelling dat de plaats waar de baby zich bevindt, binnen of buiten de baarmoeder, niet van cruciaal belang is. Het is daarom niet logisch dat we het goed vinden als een baby één week voor de geboorte gedood wordt en zodra het geboren wordt, alles gedaan moet worden om de baby in leven te houden. Tenslotte een andere uitspraak van Wennberg (30): “Een pasgeboren chimpansee kan als een pasgeboren mens behandeld worden (dat wil zeggen gedoopt en geaccepteerd in de familie), maar dat betekent nog niet dat hij volledig mens is!”

© Francis J. Beckwith

© Vertaling: Gerard Feller

Article ID DA020-3 Christian Research Institute

 

 

 

Noten

1. The facts in this section are taken from the following: F. Beck, D. B. Moffat, and D. P. Davies, Human Embryology, 2d ed. (Oxford: Basil Blackwell, 1985); Keith L. Moore, The Developing Human: Clinically Oriented Embryology, 2d ed. (Philadelphia: W. B. Saunders, 1977); Andre E. Hellegers, “Fetal Development,” in Biomedical Ethics, ed. Thomas A. Mappes and Jane S. Zembaty (New York: Macmillan, 1981), 405-9; and Stephen M. Krason, Abortion: Politics, Morality, and the Constitution (Lanham, MD: University Press of America, 1984), 337-49.

2. Subcommittee on Separation of Powers, report to Senate Judiciary Committee S-158, 97th Congress, 1st Session, 1981, as quoted in Norman L. Geisler, Christian Ethics: Options and Issues (Grand Rapids: Baker, 1989), 149.

3. James J. Diamond, M.D., “Abortion, Animation and Biological Hominization,” Theological Studies 36 (June 1975): 305-42.

4. Krason, 341.

5. John T. Noonan, “The Experience of Pain by the Unborn,” in The Zero People, ed. Jeff Lane Hensley (Ann Arbor, MI: Servant, 1983), 141-56.

6. Ibid., 151-52.

7. See Mortimer Rosen, “The Secret Brain: Learning Before Birth,” Harper’s, April 1978, 46-47.

8. See Michael Tooley, Abortion and Infanticide (Oxford: Clarendon Press, 1983); and Peter Singer and Helga Kuhse, “On Letting Handicapped Infants Die,” in The Right Thing to Do, ed. James Rachels (New York: Random House, 1989).

9. This is from a pamphlet distributed by the National Abortion Rights Action League, Choice Legal Abortion: Abortion Pro & Con, prepared by Polly Rothstein and Marian Williams (White Plains, NY: Westchester Coalition for Legal Abortion, 1983), n.p.

10. On Christian Science, see Walter R. Martin, Kingdom of the Cults, 2d rev. ed. (Minneapolis: Bethany House, 1977), 111-46. On the Hindu denial of the physical world, see Elliot Miller, A Crash Course on the New Age Movement (Grand Rapids: Baker, 1989), 16-18, 22.

11. Bernard Nathanson, M.D., Aborting America (New York: Doubleday, 1979), 213-17.

12. Ibid., 216.

13. Ibid., 217.

14. Ibid., 214.

15. Ibid.

16. For a summary of the philosophical and scientific problems surrounding human cloning, see Andrew Varga, The Main Issues in Bioethics, 2d. ed. (New York: Paulist Press, 1984), 119-26.

17. As cited in John Jefferson Davis, Abortion and the Christian (Phillipsburg, NJ: Presbyterian and Reformed, 1984), 60. Cf. Thomas W. Hilgers, M.D., “Human Reproduction,” Theological Studies 38 (1977):136-52.

18. Geisler, Christian Ethics, 153.

19. See Varga, 64-65.

20. Ibid., 65.

21. Robert Wennberg, Life in the Balance: Exploring the Abortion Controversy (Grand Rapids: William B. Eerdmans Publishing Co., 1985), 71.

22. Ernest Van Den Haag, “Is There a Middle Ground?”, National Review, 12 December 1989, 29-31.

23. Ibid., 30.

24. Davis, 58.

25. Ibid., 59.

26. John T. Noonan, “An Almost Absolute Value in History,” in The Morality of Abortion, ed. and intro. John T. Noonan (Cambridge, MA: Harvard University Press, 1970), 53.

27. Ibid.

28. John Warwick Montgomery, Slaughter of the Innocents (Westchester, IL: Crossway, 1981), 37. For more on quickening, see ibid., 103-19; and David W. Louisell and John T. Noonan, “Constitutional Balance,” in The Morality of Abortion, 223-26.

29. Wennberg, Life in the Balance, 77.

30. Singer and Kuhse, 146.

31. Wennberg, 77-78.

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Christelijke medische ethiek