Orgaan- en weefseldonaties

Inleiding

Orgaantransplantatie geniet op dit moment een grote belangstelling. In de media wordt ruime aandacht besteed aan spectaculaire transplantaties. Steeds meer verschillende organen en weefsels kunnen met succes getransplanteerd worden. Veelal wordt de transplantatie-geneeskunde met instemming begroet, maar deze tak van geneeskunde roept ook tal van (ethische) vragen op. In deze bijdrage zullen verschillende aspecten van deze problematiek aan de orde komen.

Onder transplantatie verstaat men het overbrengen van weefsels en organen, van het ene naar het andere lichaam, of van de ene naar de andere plaats van een lichaam. Een voorbeeld van dit laatste is het overplanten van een stuk huid van het been naar de arm, omdat de arm ernstig verbrand is. De donor en de ontvanger zijn in dat geval dezelfde persoon. Maar het weefsel kan ook van een ander persoon afkomstig zijn. Zo iemand noemen we een donor, iemand die organen en/of weefsels afstaat voor transplantatiedoeleinden. Dit kan zowel voor als na diens overlijden plaatsvinden. Een ontvanger krijgt weefsel of een orgaan ingeplant dat door een donor is afgestaan. Dit weefsel of orgaan wordt ook wel het transplantaat genoemd.

Er zijn verhalen bekend, dat er al in de vroege oudheid orgaanuitnames werden uitgevoerd, onder andere in Egypte en China. Maar pas rond 1900 werd het mogelijk om bloedvaten met elkaar te verbinden. Hierdoor kon men organen met een eigen aan- en afvoerend bloedvat transplanteren. Publicaties over chirurgisch succesvolle niertransplantaties bij dieren volgden. Zelfs werd geÎxperimenteerd met de transplantatie van een varkensnier bij een vrouw. Alle transplantaties van dier naar mens mislukten echter. In 1933 verrichtte een Russische chirurg de eerste niertransplantatie bij de mens met gebruikmaking van een overleden donor. De getransplanteerde nier heeft gewerkt, totdat de patient op de derde dag na de operatie aan een longontsteking overleed. De eerste geslaagde niertransplantatie bij de mens vond plaats te Boston in 1954 bij een eeneiige tweeling. Hierna volgden transplantaties van verschillende andere organen.

Technische mogelijkheden

De meeste chirurgisch-technische problemen zijn tegenwoordig grotendeels opgelost, maar het grootste probleem, namelijk de afstoting van transplantaten, nog maar ten dele. Van nature verdraagt het menselijk lichaam geen lichaamsvreemde stoffen en maakt er juist antistoffen tegen. Dit vormt tot op heden een van de grote problemen van de transplantatiegeneeskunde. Toch is het de laatste vijftien jaar mogelijk geworden om een steeds groter aantal transplantaties te verrichten met steeds betere resultaten. Een aantal factoren heeft tot deze verbetering geleid. Te noemen zijn de betere technieken om organen te bewaren, betere technieken op het gebied van de bloedtransfusie en weefseltypering, betere middelen die afstotingsreacties tegengaan en de steeds ruimere ervaring van de zogenaamde transplantatieteams. Het afweersysteem van de mens tegen lichaamsvreemde stoffen kan wel steeds beter onderdrukt worden. Dit heeft echter ook nadelige effecten. Zo zal het afweersysteem ook minder krachtig worden in de verdediging van het lichaam tegen allerlei infecties en dergelijke.

De ontwikkelingen binnen de transplantatiegeneeskunde gaan snel. Veel soorten transplantaties hebben inmiddels het experimentele stadium verlaten en zijn routinematig geworden. Enkele organen en weefsels die getransplanteerd kunnen worden zijn met name hart, lever, nieren, alvleesklier (experimenteel), longen (experimenteel), hoornvlies, huid, bot, hartkleppen en beenmerg. Voor de transplantatie van elk van deze organen gelden verschillende voorwaarden voor wat betreft de maximale leeftijd van de donor, de termijn waarin het transplantaat in goede toestand bewaard kan worden, enzovoort. In de media krijgen vooral de 'grote' transplantaties veel aandacht (nier, hart, lever en dergelijke). De voornaamste reden hiervoor is, dat vooral aan deze organen een groot tekort bestaat. Transplantaties van bijvoorbeeld hoornvlies en huid staan veel minder in de belangstelling maar zijn ook bijzonder nuttig. In de toekomst zullen waarschijnlijk nog meer soorten transplantaties mogelijk zijn. Er worden op dit moment onder andere experimentele transplantaties uitgevoerd met zenuwweefsel, stembanden en ook met foetaal (hersen)weefsel.

De donor

Een aantal weefsels en organen kan worden afgestaan tijdens het leven. Deze vorm van transplantatie ontmoet dikwijls minder afwijzing. Hier gaat het meestal om weefsel dat door het lichaam opnieuw aangemaakt wordt. Voorbeelden hiervan zijn bloed (bloedtransfusie is in feite de meest eenvoudige vorm van transplantatie), beenmerg en huid. Maar ook het afstaan van sommige organen, zoals een nier, is tijdens het leven mogelijk. Met ÈÈn nier kun je leven, hoewel de donor wel extra risico's gaat dragen. De operatie om de nierverwijdering mogelijk te maken, brengt risico mee en als de overgebleven nier ziek wordt kunnen problemen ontstaan. Aan de andere kant kan door het afstaan van een nier ten behoeve van (meestal) een familielid diens leven gered, of levenssituatie aanzienlijk verbeterd worden. Ook lever- en pancreastransplantaties, waarbij slechts een deel van het desbetreffende orgaan wordt getransplanteerd, kunnen met een levende donor worden uitgevoerd; wel verkeren deze transplantaties nog in een experimenteel stadium.

De meeste organen worden evenwel verwijderd uit lichamen van mensen die overleden zijn. Voor het verkrijgen van organen voor transplantatiedoeleinden is de meest geschikte doodsoorzaak van de donor uiteraard het overlijden aan hersenletsel (bijvoorbeeld door een verkeersongeval of hersenbloeding). Meestal zal iemand geschikt zijn als donor indien deze overlijdt in een ziekenhuis. Daar is de noodzakelijke apparatuur bij de hand. Bij overlijden in de thuissituatie en/of aan een ziekte kunnen vaak de hoornvliezen en de huid als donorweefsel dienen. Hiervoor moet de overledene naar een ziekenhuis worden vervoerd. Hoe wordt de dood vastgesteld? Vroeger werd iemand overleden verklaard als de uiterlijke tekenen van leven ontbraken. Ook nu wordt in de meeste gevallen, met name bij mensen die thuis sterven, de dood op grond van dezelfde symptomen vastgesteld. Het gaat dan om de constatering dat de ademhaling afwezig is en de hartslag tot stilstand is gekomen. Het kloppen van het hart wordt dan niet meer gehoord noch gevoeld. De patiÎnt reageert niet op krachtig aanroepen, noch op pijnprikkels. Ook is er geen pupilreflex (reactie van de pupil op licht). Niet alle organen en weefsels sterven onmiddellijk na hartstilstand af. De hersenen kunnen maar vier tot vijf minuten zonder zuurstof en zijn dan dood. Het dan begonnen afbraakproces is onomkeerbaar. Het hart zelf sterft na een uur af en de huid blijft nog een tot enkele dagen in leven.

De opkomst van reanimatietechnieken heeft teweeggebracht, dat de afwezigheid van hartslag en ademhaling evenwel niet langer als doodscriteria kunnen gelden. Kort na een hartstilstand kan soms door hartmassage en beademing het hart weer op gang gebracht worden. Ook bij open-hart operaties gelden deze criteria niet. Dan wordt de functie van het hart immers tijdelijk overgenomen door een machine. Bij kleine kinderen wordt het lichaam bij dergelijke operaties onderkoeld, zodat de circulatie zelfs geheel stil gezet kan worden. Toch zijn deze patiÎnten niet overleden. Dit alles heeft de geneeskunde geplaatst voor de noodzaak de doodscriteria te verfijnen.

Daarom is men gekomen tot het criterium van de totale hersendood. Op grond van dit criterium wordt eventuele kunstmatige beademing gestaakt. Totale hersendood betekent dat zowel de hersenschors (verbonden met onder andere bewustzijn en denken) als de hersenstam (verbonden onder andere met de vitale lichaamsfuncties zoals ademhaling, regeling van bloeddruk en temperatuur) niet meer geheel functioneren. Bij de hersenschors moet dit blijken uit de uitslag van twee EEG's (electro-encephalogram of hersenfilmpje), die met een tussentijd van minimaal zes uur gemaakt moeten worden. Bij de hersenstam kan dit vastgesteld worden door een aantal klinische symptomen te controleren, met name een aantal reflexen. Wanneer dit goed gebeurt, zal de dood niet ten onrechte worden vastgesteld. Overigens is ook het medisch team, dat zorg draagt voor de uitname van organen, strikt gescheiden van het medisch team dat de donor tot het moment van overlijden behandelt. Dit om te voorkomen, dat een arts iemand vroegtijdig overleden zal verklaren om de organen te kunnen gebruiken.

In Nederland moet, met andere woorden, een protocol van controles worden afgewerkt om de dood vast te stellen, alvorens organen mogen worden uitgenomen. Nadat de hersendood is vastgesteld, kunnen de uitgevallen hersenfunctie tijdelijk worden vervangen door bepaalde apparatuur. Daardoor kunnen organen en weefsels van een overleden patiÎnt gedurende korte tijd in een redelijke conditie gehandhaafd worden voor overplanting in een ander lichaam. Voor sommige weefsels of organen hoeven de bovengenoemde functies niet tot het moment van uitname in stand gehouden te zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor donatie van huid, hoornvlies, bot en hartkleppen. Hierbij spreken we van zogenaamde 'non-heart-beating' donors.

Toestemming

Veelal is transplantatie mogelijk, omdat de donoren tijdens hun leven een donorcodicil hebben ingevuld. Een codicil is een laatste wilsbeschikking. Zo houdt een donorcodicil in, dat men als laatste wil vastlegt, dat men na het overlijden organen beschikbaar stelt voor transplantatiedoeleinden. Het donorcodicil heeft geldigheid, wanneer het met de hand geschreven is, van datum voorzien is en is ondertekend. Tijdens het leven kan een codicil uiteraard altijd nog herroepen of gewijzigd worden. Er is geen uniforme tekst voor een donorcodicil. Het hoeft ook niet per se op een bepaald formulier geschreven te zijn, elk stuk papier is geldig. Tot nu toe hebben ongeveer twee miljoen Nederlanders een donorcodicil ingevuld. Meestal gebeurt dit door middel van het invullen van een voorgedrukt codicil, uitgegeven door de Werkgroep Donorwerving. Uit enquÍtes blijkt dat bijna 80% van de Nederlandse bevolking wel bereid is een donorcodicil te schrijven, maar dit nog nooit heeft gedaan. Het vermoeden lijkt gerechtvaardigd, dat naast principiÎle bezwaren, ook laksheid en emotionele weerstanden belangrijke redenen hiervoor zijn.

Volgens de Nederlandse wet moet voor elke ingreep in het lichaam van de overledene toestemming worden gegeven. Dit geldt op dit moment ook voor het geval van orgaanuitname voor transplantatiedoeleinden. Toestemming tot het uitnemen van organen zal aan de familie worden gevraagd. Het is dus raadzaam om bij het bezit van een donorcodicil de familie hiervan op de hoogte te stellen. Het is echter niet zo dat een overledene alleen voor orgaandonatie in aanmerking komt wanneer deze een donorcodicil heeft ingevuld. Vaak zijn artsen en verpleegkundigen niet op de hoogte van de mogelijkheid dat ze ook toestemming aan de familie mogen vragen wanneer de patiÎnt geen codicil heeft. Als de familie geen toestemming geeft, zal de uitname van organen niet mogen plaatsvinden, ook al had de betreffende overledene een codicil. Althans, zo is het in de huidige regeling.

Op dit moment is er geen specifieke wetgeving op het gebied van orgaandonatie van kracht en daarom valt deze zaak juridisch onder de 'Wet op de lijkbezorging'. Deze bepaalt dat geen ingreep mogelijk is zonder de toestemming van de familie of nabestaanden. Wanneer de familie wel toestemming geeft tot uitname van organen, zal dit plaats vinden, ook al had de overledene geen codicil geschreven. Het nut van het codicil is voornamelijk het volgende: Wanneer de overledene zelf een codicil heeft ingevuld, zal de familie veel eerder toestemming geven omdat men dan handelt overeenkomstig de wil van de overledene. Bovendien hoeft de discussie over het wel of niet afstaan van organen niet plaats te vinden op een wel zeer ongeschikt moment en de aanwezigheid van een codicil kan veel tijd besparen. Dit is belangrijk omdat de meeste organen snel uit het lichaam verwijderd moeten worden, willen ze nog geschikt zijn voor transplantatie.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, functioneert in Nederland op dit moment het zogenaamde 'toestemmingssysteem'. Uitdrukkelijke toestemming van de betrokkenen en/of diens familie is nodig, alvorens tot uitname van organen mag worden overgegaan. Deze praktijk is in Europa een uitzondering. Het Europese Parlement heeft zich al in 1979 uitgesproken voor een geen-bezwaar-systeem. Dit houdt in, dat organen na overlijden mogen worden uitgenomen, tenzij de betrokkene zich uitdrukkelijk daartegen heeft uitgesproken. Registratie van deze bezwaren vindt plaats in een centraal register. Men wordt dan als het ware verplicht te beslissen.

In mei 1991 is de ministerraad akkoord gegaan met een wetsvoorstel over orgaandonatie. Indien dit voorstel van wet na advisering door de Raad van State door de eerste en Tweede Kamer wordt aangenomen, zal er met betrekking tot het donorcodicil het een en ander veranderen. De nieuwe wet moet een einde maken aan allerlei onduidelijkheden op het gebied van orgaandonatie en orgaantransplantatie. Allereerst is er in het wetsvoorstel een keuze gemaakt voor het volledig-beslis-systeem. Dit systeem houdt in, dat elke Nederlander die 18 jaar is geworden een kaart toegezonden krijgt door de gemeente, waarop aangegeven kan worden of men na overlijden zijn organen ter beschikking wil stellen, of dat men daartegen bezwaar heeft. De donorkaart wordt vervolgens toegestuurd naar een centraal registratiepunt. Na overlijden kan dit centrale register worden geraadpleegd door hiertoe gemachtigde personen. Het zal altijd mogelijk zijn tijdens leven de vastgelegde verklaring te wijzigen. Niemand is verplicht de donorkaart terug te sturen. Ook de eigenhandig geschreven, gedagtekende en ondertekende verklaring zal rechtsgeldig blijven. Men hoopt zo het donoraanbod toch te vergroten.

Als de overledene op geen enkele wijze bij zijn leven zijn wil heeft vastgelegd, zullen nabestaanden bevoegd zijn toestemming te geven. Voor de arts geeft het wetsvoorstel meer zekerheid, omdat er duidelijkheid is over de wilsbeschikking en eventuele toestemming van de nabestaanden. Ook worden er procedures aangegeven die rond het overlijden en vaststellen van de dood gevolgd moeten worden als orgaandonatie zal plaatsvinden. Vooral bij het vragen van toestemming voor of het bespreken van orgaanuitname dient de familie op respectvolle wijze en met begrip voor hun situatie benaderd te worden. Anders kan ook de rouwverwerking bemoeilijkt worden.

Volgens het wetsvoorstel moet orgaandonatie tijdens leven met terughoudendheid worden benaderd. Als een donor blijvende gevolgen zal ondervinden, mag verwijdering van een orgaan of weefsel alleen plaats vinden als de ontvanger in levensgevaar verkeert. Bovendien moet dit levensgevaar niet op andere wijze af te wenden zijn. Donatie door kinderen met blijvende gevolgen wordt verboden.

Selectie van patiënten

Door de ontwikkeling van betere medische mogelijkheden, krijgen steeds meer patiÎnten te horen dat ze in aanmerking komen voor orgaantransplantatie. De consequentie hiervan is dat de wachtlijsten langer en langer worden. Het aanbod aan donororganen is afnemend en zo wordt het spanningsveld tussen vraag en aanbod steeds groter. Het probleem van de selectie wordt dan steeds dringender. Enige tijd geleden ontstond in Nederland verontrusting, omdat boven de 55 jaar geen harttransplantaties zouden mogen worden verricht. Iemands leeftijd is op zichzelf inderdaad een dubieus criterium. Slechts zolang het verband houdt met iemands lichamelijke toestand zou het kunnen meewegen. In ieder geval is duidelijk dat selectie toch noodzakelijk is.

Een andere belangrijke vraag in dit verband is: mag 'eigen schuld' als criterium voor uitsluiting van transplantatie gehanteerd worden? Kan bijvoorbeeld iemand, wiens lever is verwoest als gevolg van alcoholisme, nog een levertransplantatie krijgen? Als we hiertoe niet bereid zijn, moeten we ook geen patiÎnten met longkanker meer behandelen die hun leven lang een verwoede roker zijn geweest en misschien nog wel zijn. Zo simpel ligt dit alles echter niet. Bij Eurotransplant in Leiden, waar alle vraag naar en aanbod van transplantatie organen in Europa wordt gecoördineerd, wordt louter gekeken naar de medische urgentie, de medische prognose en de wachtlijst die de patiënt achter de rug heeft.

Deze criteria worden echter vele malen doorkruist, omdat bloed en weefsel van donor en ontvanger immers met elkaar moeten overeenkomen. Voorzover sociale factoren geen directe medische betekenis hebben zijn ze ons inziens als selectiecriterium onaanvaardbaar.

Een ander probleem rond transplantatie kan de commercie zijn, die ook in Nederland al de kop heeft opgestoken. Een handelaar uit Hengelo bood onlangs zo'n 80.000 gulden voor een nier, van een levende donor. Dit is overigens een praktijk die ook in veel arme landen voorkomt. Mensen zonder geld worden door betaling verleid een orgaan af te staan. Soms doet men het, om in het levensonderhoud van zichzelf of familie te kunnen voorzien. Hierdoor kunnen zij zichzelf vaak schade berokkenen zonder de consequenties te beseffen. En natuurlijk nog onrechtvaardiger is dat zij het zich wegens gebrek aan geld en/of verzekering nooit kunnen veroorloven om een orgaantransplantatie te betalen. Er zijn berichten bekend, bijvoorbeeld uit Guatamala, dat niet alleen in organen maar zelfs in mensen gehandeld wordt, om vervolgens hun organen te verkopen.

Deze gruwelijke praktijken mogen natuurlijk niet voorkomen. Gelukkig is in Nederland iedereen het erover eens, ook in de politiek, dat commercie op dit terrein verboden moet zijn. In het huidige wetsvoorstel gebeurt dit ook. Dit neemt niet weg, dat internationaal toezicht op handel in organen van het grootste belang blijft.

Grenzen

Een veelvoorkomende vraag is, of er organen en weefsels zijn, die niet getransplanteerd mogen worden. In principe is de menselijke identiteit in elke lichaamscel aanwezig. Maar de persoonlijke identiteit komt in sommige cellen wel veel duidelijker tot uitdrukking dan in andere cellen. De geslachtsorganen die de geslachtscellen produceren (eierstokken bij de vrouw en testes bij de man) zijn hiervan een duidelijk voorbeeld. Bij transplantatie van die geslachtsorganen zou de ontvanger eventueel kinderen kunnen krijgen die genetisch nakomelingen zijn van de donor. Dit achten wij onaanvaardbaar. Ook de transplantatie van hersenweefsel wordt wel ethisch onaanvaardbaar genoemd, omdat de identiteit van de donor daarmee te zeer zou zijn verbonden.

Dit laatste bezwaar gaat op, wanneer het zou gaan om de integrale transplantatie van bepaalde onderdelen van de totale hersenen, bijvoorbeeld hersenschors, middenhersenen, hersenstam en dergelijke. Maar zolang het doodscriterium totale hersendood is, is transplantatie van dergelijke hersenonderdelen per definitie onmogelijk (als die hersengedeelten nog functioneren is de patiÎnt per definitie nog niet overleden), of zinloos (als het weefsel dood is, is transplantatie zinloos). Dit nog afgezien van het feit dat het medisch-technisch (nog) onmogelijk is.

Het is wel denkbaar dat bij totale hersendood (dat wil zeggen, als orgaan functioneren de hersenen niet meer) nog levende cellen in de hersenen aanwezig zijn die getransplanteerd zouden kunnen worden. Of met dergelijke "losse" hersencellen de identiteit van de donor meer verbonden is dan met het hart of de nier, is nog maar de vraag. Dit zal sterk afhangen van de functie van die cellen. Of transplantatie van wat hersencellen ethisch gezien aanvaardbaar is zou dus per geval bekeken moeten worden. Het standpunt "nee, tenzij..." lijkt ons hier het beste.

Het is een moeilijke vraag, of er met betrekking tot het geoorloofd zijn van transplantatie onderscheid is tussen de verschillende organen. Op dit gebied spelen gevoelens vaak een belangrijke rol. Tegen het afstaan van huid of een hoornvlies zal gevoelsmatig minder weerstand bestaan dan tegen het afstaan van een hart. Het is echter de vraag of er een principieel onderscheid is. Bij het invullen van een donorcodicil bestaat overigens de mogelijkheid om aan te geven welke organen wel, of juist niet mogen worden uitgenomen.

Bijbelse uitgangspunten

Als we de ontwikkelingen op het gebied van de transplantatie-geneeskunde volgen, kan naast verwondering ook twijfel ontstaan. We kunnen ons veel vragen stellen, zeker als we ook op de (mogelijke) uitwassen letten, die de transplantatiegeneeskunde met zich mee kan meebrengen. We formuleren enkele van die vragen. Gaat de geneeskunde niet veel te veel uit van de mens als machine, waarvan kapotte onderdelen vervangen moeten worden door goede onderdelen? Wordt door de transplantatiegeneeskunde niet ijverig gebouwd aan het Babel van de lichamelijke gezondheid? Zijn er organen die beslist niet getransplanteerd mogen worden? Moet een menselijk lichaam in z'n geheel begraven worden? Deze rij vragen kan zonder al te veel moeite verder worden aangevuld.

Bij het zoeken naar een antwoord op deze en andere vragen, willen we als Christenen de Bijbel als ons vertrekpunt nemen. Het zal duidelijk zijn, dat we op bovengenoemde vragen geen direct antwoord zullen vinden. In de tijd van de Bijbel kwam de transplantatiegeneeskunde immers niet voor. De Bijbel kan niet worden geraadpleegd als een encyclopedie. We zullen daarom te rade moeten gaan bij meer algemene Bijbelse uitgangspunten. Omdat geen pasklaar antwoord in dezen te vinden is, zal er onder Christenen verschil van mening kunnen zijn.

De Bijbel laat zien, dat we met alle eerbied moeten omgaan met het leven van mensen. Niet in de eerste plaats om het leven zelf, maar omdat God er de Schepper en Onderhouder van is. Hij vraagt eerbied voor Zichzelf en voor de dingen door Hem geschapen. Zelfbeschikkingsrecht past niet in een Bijbelse levenshouding, maar gehoorzaamheid aan de Gever bepaalt ons handelen. Zelfbeschikkingsrecht kan gezien worden als een verabsolutering van wat wel een Christelijk principe is namelijk de (eigen) verantwoordelijkheid van ieder mens voor zijn lichaam en leven. We zijn immers ook over ons leven geen heer en meester, maar rentmeester. Dit betekent dat we er in verantwoordelijkheid en met grote zorgvuldigheid mee moet omgaan. Ons lichaam is niet van minder waarde dan ons geestelijke 'zijn', maar God heeft de mens geschapen als een wonderlijke eenheid, als kroon op de schepping, naar Zijn beeld. Ons lichaam moet een tempel zijn van de Heilige Geest (IKor. 6:19). In die 'tempeldienst' worden we geroepen tot dienst aan God, maar ook tot dienst aan de naaste. We worden in de Bijbel steeds weer opgeroepen tot het betonen van liefde aan de naaste.

Wel is het goed te beseffen, dat de transplantatiegeneeskunde een uiting is van het overheersende mensbeeld van de moderne geneeskunde, waarbij de organen in geval van ziekte als repareerbare of zo nodig als vervangbare onderdelen gezien worden. Deze opvatting van het menselijk lichaam staat haaks op het Bijbelse verstaan van de mens, waarin het mens-zijn en de eigen identiteit wezenlijk met het lichamelijke bestaan zijn verbonden. De immunologische afweer van het lichaam tegen lichaamsvreemde stoffen en organen maakt reeds duidelijk dat het huidige medische 'reparatiemodel' ook biologisch gezien maar gedeeltelijk opgaat.

Wat de consequenties zijn van deze verschillen in mensvisie voor onze opstelling tegenover orgaantransplantatie is niet zomaar te zeggen. We maken immers allen wel op een of andere manier gebruik van diezelfde moderne geneeskunde en voor veel mogelijkheden ervan kunnen we met recht dankbaar zijn. Naar het ons voorkomt, noopt het achterliggende denken ons tot een houding van grote voorzichtigheid en zorgvuldigheid bij het omgaan met (de mogelijkheid van) orgaantransplantatie.

Naastenliefde

Het afstaan van organen voor transplantatiedoeleinden kàn gezien worden als een concrete invulling van het gebod onze naaste lief te hebben als ons zelf. Als deze zienswijze juist is dan ligt het voor de hand deze vorm van gehoorzaamheid aan het liefdegebod ook nog geoorloofd te achten in het uur van ons sterven. Het handelen van Jezus Christus maakt duidelijk hoe wij behoren te staan tegenover ziekte en handicaps. Als de grote Heelmeester heeft Jezus op aarde zieken genezen. Ook wij mogen zoeken naar genezing en herstel. Maar niet ongelimiteerd. De Christelijke vrijheid is gebonden aan Christus en zijn Woord. Christus zegt: "Ik ben de Opstanding en het Leven" (Joh. 11:25). Voor de gelovige bepaalt dat zijn bestaan. Dat doet zeggen: "Hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren" (Rom. 14:8). Dat relativeert onmiddellijk ons overspannen streven naar verlenging van het leven. Immers, het leven in Christus wordt door de dood niet teniet gedaan.

Naastenliefde kan bij de donor een drijfveer zijn. Naastenliefde mag hier ook de enige drijfveer zijn. Ook de politiek is de mening toegedaan dat het afstaan van weefsels en/of organen beschouwd moet worden als een gift. Dat wil zeggen dat er geen betaling tegenover hoort te staan. Behalve dat financiÎle prikkels ethisch onaanvaardbaar zijn, mag de donor ook niet emotioneel gedwongen worden om een orgaan of weefsel af te staan. De donor moet kunnen rekenen op voldoende deskundige voorlichting en de beslissing zal in alle vrijwilligheid genomen moeten worden. Dit laatste is in de praktijk moeilijk omdat donor en ontvanger vaak familie van elkaar zijn (bijvoorbeeld ouder en kind). Als het gaat om minderjarigen mag geen materiaal worden weggenomen tenzij bijvoorbeeld een familielid alleen op deze manier in leven gehouden kan worden en als het geen blijvende nadelige gevolgen heeft voor de lichamelijke toestand van het kind.

Afsluitend, in een Christelijke benadering zullen we ons bewust moeten zijn van het feit dat de God van het leven eerbied vraagt, voor Zichzelf en voor ieder mens, omdat die is geschapen naar Zijn beeld. Vanuit deze relatie tot God is er de oproep onze naaste lief te hebben als ons zelf. Orgaandonatie kan als een uiting hiervan opgevat worden. Toch mag onzes inziens in de oproep tot naastenliefde niet zonder meer een oproep tot orgaandonatie worden gelezen. Iedereen zal in vrijwilligheid een keuze moeten kunnen maken omtrent het afstaan van organen na overlijden.

Daarbij is het goed ons af te vragen of we, als we zelf in de situatie verkeren dat een transplantatie levensreddend zou kunnen zijn, die ingreep dan zouden willen of zelfs mogen weigeren? En als we in dat geval wel zouden willen ontvangen, is het dan egoïstisch niet te willen afstaan? Onze keus moet een beslissing in geloof zijn, te nemen in de weg van bestudering van Gods Woord en van gebed. Een ieder zij in zijn eigen geweten ten volle verzekerd.

 

Dit artikel is een door H. Jochemsen en B.S. Cusveller verkorte en enigszins bewerkte versie van: J. Verhey, "Orgaantransplantatie", in Prof.dr. G.A.Lindeboom Instituut (red.), Christelijke oriÎntatie in medisch-ethische onderwerpen (hfdst. 6), Amsterdam/Veenendaal: 1992.

 
Zie ook de uitgebreide brochure over transplantatie KLIK HIER
 
Gebruikte literatuur
  • J. van Amstel, "Orgaantransplantatie en donorcodicil", in Het Richtsnoer, 1991 (13) nr.5
  • I.D. de Beaufort en H.M. Dupuis, "Ethische vragen met betrekking tot weefsel- en orgaantransplantaties", in I.D. de Beaufort en H.M. Dupuis, Handboek gezondheidsethiek (hfdst. 51), Assen/Amsterdam: 1988.
  • Cahier Bio-Wetenschappen en Maatschappij "Transplantaties", 1986 no. 2.
  • Nationale Raad voor de Volksgezondheid, Advies orgaandonatie, Zoetermeer: 1990.
  • W.L.M. Smelt, "Orgaantransplantatie en donorcodicil", in Het Richtsnoer, 1991 (13), nr. 5.
  • P. Sporken, Ethiek en gezondheidszorg, Baarn: 1979.
  • E. Taute, "De ethiek van orgaantransplantatie", in Bijbel en Wetenschap 1983 (8) nrs. 60, 61 en 62.
  • W.H. Velema, "Over het afstaan van organen", in De Wekker, mei 1982.
  • W.R. Vroom-Kastelein, "Toestemming voor orgaandonatie: geen bezwaar? voor gezondheidsrecht, 1986 (10), nr. 3.", in Tijdschrift

Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Christelijke medische ethiek