Hoe vrij is een Christen?

Hoe vrij is een christen?

 

 

door J.C. Graaff

 

 

Wie zich de tijd zou gunnen om een bescheiden studie te maken van de hoofdstukken 19 t/m 27 van het oudtestamentische boek Leviticus zou zich verbazen over de leefregels voor het dagelijkse- en sociale leven van het volk Israël in het land Kanaän. Na een slavenleven, met alle ellende van dien, gedurende twee eeuwen in Egypte werd het volk bevrijd onder de leiding van Mozes. In de Sinaï-woestijn, op weg naar het beloofde land, gaf de Here God aan zijn volk de wetten, die het leven van het volk in de verworven vrijheid zouden bepalen. Die wetten waren geen knellend keurslijf, waarin het volk zich nauwelijks kon bewe­gen, maar een mogelijkheid om zich als een vrij volk te kunnen ontplooien. De wetten waren gericht op de vrijheid, het welzijn en de welvaart van het hele volk en van elke Israëliet persoonlijk. Zulke voorwaarden heeft nooit een volk zich kunnen veroorloven. Het beoogde een leven in de werkelijke betekenis van vrijheid. Dat voorbeeld gebruiken later de apostelen om uit te leggen, hoe onder het nieuwe verbond, de verloste en wedergeboren mens als "kind van God" mag en kan leven, ook hier reeds op aarde. Aan die "vrijheid" willen wij hier in deze studie een paar gedachten wijden.

 

 

Toestand van slavernij

Het gaat om de vrijheid, waarover Jezus spreekt in het evangelie van Johannes, hfst.8:30-36, waar Hij tenslotte zegt: "Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult ge werkelijk vrij zijn." In navolging van die woorden van Jezus schrijft Paulus later in zijn brief aan de gemeenten in Galatië: "Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt." Gal.5:1; en ook: "Want gij zijt geroepen broeders, om vrij te zijn." Gal.5:13.

Bij deze uitspraken, zowel van Jezus als van Paulus, rijst er een vraag. N.l.; waaruit moet de mens eigenlijk bevrijd worden om werkelijk vrij te zijn? Jezus spreekt in het reeds genoemde Johannes 8 over de slavernij van de zonde (8:34). Jezus spreekt hier niet over de zonden, maar over de zonde.

 

 

Zonden zijn de verkeerde dingen, die een mens doet. Dat een mens verkeerde keuzen maakt en verkeerde dingen doet, heeft een oorzaak. Die oorzaak is de toestand, waarin de mens ver­keerd door geboorte. Die toestand van zonde ontstond door de zondeval. Het was het moment, waarop de mens buiten de Here God om een beslissing nam. Een beslissing met de meest verstrekkende gevolgen. Op voor elk mens begrijpelijke wijze wordt dat moment beschreven in het eerste boek van de bijbel: Genesis 3:1-8. Hoe een mens die weergave van de zondeval voor zichzelf interpreteert, is misschien niet het belangrijkste.

 

Het feit echter was bepalend voor de verhouding tussen de Here God, als zijn Schepper en de mens, als zijn schepsel. De mens kwam, vanuit de vrijheid waarin hij geschapen was als schepsel Gods, in de toestand van de slavernij van de zonde, een toe­stand van gebondenheid aan zichzelf. Paulus brengt dat onder woorden in zijn brief aan de Romeinen, hfdst. 5:12: "Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnen­gekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood doorgegaan tot alle mensen, omdat allen gezondigd hebben."

 

Als Jezus spreekt over bevrijding uit de slavernij van de zonde, dan bedoelt Hij, dat door Hem de mens door het geloof in de verzoening bevrijd wordt uit de situatie van de zonde. Door het geloof wordt de mens door de Here God geplaatst in een volkomen nieuwe situatie, met volkomen nieuwe mogelijkhe­den. Zie Kolossen­zen 1:13. De bevrijde mens zal niet meer aangewezen zijn op zijn eigen aangeboren, beperkte mogelijkhe­den. Hij zal in die nieuwe situatie mogen putten uit de moge­lijkheden, die de Here God hem of haar Zelf aanbiedt. Moge­lijkheden, die de eeuwige God de mens ter beschikking stelt. Hoe ver die mogelijkheden strekken, zullen we zien aan de hand van wat de bijbel daar over zegt.

 

 

Innerlijke vrijheid

In de reeds aangehaalde uitspraak in Johannes 8:30-36 noemt Jezus een paar voorwaarden, die tot vrijheid zullen leiden. Jezus spreekt hier tegen de Joden, die in Hem geloofden. Geloven in Jezus begint met het lezen en overdenken van Jezus' woorden. Als we Hem daarbij niet betrouwbaar achten, dan zal de bedoeling en de waarheid van Zijn woorden aan ons voorbij gaan. Door het geloof zullen zijn woorden ons innerlijk wat duidelijk maken. Hij zegt zelf, dat zijn woorden ons iets over God zullen openbaren. Lees daartoe Mattheus 11:25-27. Tegen de joden, die in Hem geloofden, zegt Hij dan ook: "Als ge in mijn woord blijft, ..." Joh.8:31. Hij wil daarmee zeggen, dat ze innerlijk met die woorden bezig moesten zijn. Zij moesten op die woorden ingaan. Dan zouden ze de waarheid in verband met de vrijheid, waar Hij over sprak, ook verstaan. Jezus

bedoelde met dat verstaan niet in de eerste plaats het verstandelijk begrijpen. Er zou in hun hart iets duidelijk worden, dat de bijbel openbaren noemt. Het gaat om een vrijheid, die inner­lijk geopenbaard moet worden. Het is de Heilige Geest, die dat duidelijk maakt aan de menselijke geest.

 

 

De Here God heeft bij de schepping van de mens, die mens niet alleen uitgerust met een lichaam en een ziel, maar ook nog met de menselijke geest. Zie 1.Thess.5:23, Jac.4:5. Lichaam en ziel vormen een soort eenheid. Zij zijn nauw met elkaar verwe­ven. In de ziel (psyche) beschikt de mens over zijn verstand, zijn wil en zijn gevoel. De mens bestuurt en beïnvloedt van daaruit zijn lichamelijk leven, zowel bewust, als onbewust.

De functies van de menselijke geest zijn anders. Zij zijn veel eerder intuïtief. Zij zijn het beste te omschrijven met gewe­ten, vermogen tot gemeen­schap en intuïtie. De mens heeft een geeste­lijk vermogen, dat dieren niet hebben. De mens is daar­door een zedelijk, redelijk wezen.

Jezus zegt over de Here God, die Hij zijn Vader noemt: "God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid." Johannes 4:24. God aanbidden is hetzelfde als met de Here God gemeenschap hebben.

 

Die gemeenschap met God vindt plaats via de geest van de mens. In die gemeenschap speelt de reeds genoemde openbaring een belangrijke rol. Gods Geest is de Heilige Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat. (Deze uitspraak is een aanhaling uit de geloofsbelijdenis van Nicea) Dit wordt ook bevestigd in de toespraak van de apostel Petrus op de pinksterdag in Jeruzalem. Handelingen 2:23-33

 

Gehoorzaamheid maakt vrij

Als de Here Jezus en daarna ook de apostelen over de vrijheid van de gelovige mens spreken en schrijven, gaat het over innerlijke, geestelijke vrijheid, die leidt tot totale vrij­heid van geest, ziel en lichaam.

Wij zagen reeds, dat de mens van nature gebonden is in de zonde. Hij ontbeert van nature de gemeenschap met God. Hij is van nature aangewezen op de beperkte mogelijkheden en eigen­schappen van ziel en lichaam. Dat geldt voor zijn leven, zijn denken, zijn willen, zijn kunnen en zijn gevoelens.

 

Hij is slechts schepsel. Uitslui­tend de directe gemeenschap met de Here God, de Schepper, leidt de mens op de weg van het leven door de Geest. Overgave en bereidheid tot luisteren naar en gehoorzamen aan de Heilige Geest, biedt de mens nieuwe moge­lijkheden. Die weg te gaan is een proces van vernieuwing, van reiniging en van bevrijding. Dat proces vraagt tijd. In de eerste plaats tijd voor het lezen en bestuderen van Gods woord, de bijbel. Maar het vraagt ook tijd om stil te zijn, zowel voor persoonlijk gebed, als voor innerlijke overwegin­gen.

 

In de stille overwegingen moet de mens zijn eigen manier van denken, van verlangen, van reageren en van praktisch handelen durven toetsen aan Gods woord en de leiding van de Heilige Geest. Jakobus noemt dat: "Aandachtig in de spiegel kijken en niet meteen weer vergeten, hoe je er werkelijk uit­ziet." Jak.1:23-24. Geloven in die zin betekent meer dan de koestering van religieuze gevoelens. Het vraagt gehoorzaamheid aan dat, wat de Here God ons duidelijk maakt. Omdat de Here God een God van liefde en geduld is, zal Hij onze bereidheid tot overgave en gehoorzaamheid honoreren met innerlijke ont­dekkingen en ongedachte mogelijkheden. Het is zijn Geest, die zich open­baart aan onze geest. Zijn Geest leert ons wat het betekent een kind van God te zijn (Rom.8:15-16) Paulus noemt het wandelen door de Geest. Gal.5:16.

 

 

Deze nieuwe manier van leven zal doorwerken via onze menselij­ke geest naar onze ziel. Omdat wij reeds zagen, dat in de ziel van de mens onze wil, ons verstand en onze gevoelens wonen, zal heilzame invloed en leiding plaatsvinden, die niet alleen heil­zaam werkt, maar ons totale levensbeeld verandert. Wanneer ons innerlijk leven zo ten goede verandert, dan zal ook ons lichaam daardoor anders geleid en beïnvloed worden.

 

Dat kàn alleen maar heilzaam en gezond zijn voor de mens zelf, maar ook aangenaam en zegenrijk voor onze omgeving. Zo delen wij niet alleen zelf in de zegeningen van onze vernieuwing, maar ook allen, die geconfron­teerd worden met onze persoonlijkheid. Dit totale proces van vernieuwing leidt tot kostelijke bevrij­ding van geest, ziel en lichaam. Dan wordt ons uitgangspunt werkelijkheid:

"WANNEER DE ZOON U VRIJMAAKT, ZULT GE WERKELIJK VRIJ ZIJN!!"

 

 

J.C. Graaff

meer studies van dhr Graaff vindt u op http://www.j3.stichting-promise.nl/bijbelstudies-een-nieuw-begin


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Bijbelstudies: een nieuw begin