Gods fundament is een goed gebouw waard

Gods Fundament is een goed gebouw waard

(naar aanleiding van 1.Kor.3:10-23)

 

door dhr. J.C. Graaff, bijbelleraar die veel studies gegeven heeft in de cursussen en weekenden  van st. Promise, hij is overleden in  2003

 

 

Toen de Here God de schepping van de wereld voltooid had, zoals de Bijbel ons dat verteld op de eerste bladzijden van het boek Genesis, overzag de Here alles wat tot stand gekomen was. Genesis 1:31 vermeldt dan: "En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie het was zeer goed." Dat gold dus ook voor het schepsel 'mens', man en vrouw. In de zichtbare schepping was en is de mens nog steeds het enige 'geestelijke wezen'. De mens is dat, omdat God hen schiep "naar Zijn beeld, en als Zijn gelijkenis." (Gen.1:26) De mens is het wezen in de schepping, waarmee de Here God gemeenschap kan hebben. De Schepper legde in de mens iets van Zichzelf, n.l. Zijn Geest. "God is Geest". (Joh.4:24, Jes.42:5)

 

 

De zondeval betekende en betekent nog steeds, dat die mogelijkheid van directe gemeenschap met de Here God, wat de mens betreft, verstoord en geblokkeerd is. Het wonder van de verzoening, die de Here God tot stand bracht door het offer van Zijn Enig-geboren Zoon, Jezus Christus, betekent, dat de gemeenschap met God opnieuw mogelijk is voor ieder mens, die zich door geloof stelt onder dat wonder van de verzoening. Dat is het fundament, de basis, waarop het leven in gemeenschap met de Eeuwige God geleefd en gebouwd mag en kan worden. Dat bedoelde de apostel Paulus, als hij over het fundament schrijft, in het bijbelgedeelte, dat hierboven is genoemd, als uitgangspositie. (vers 11) Dat fundament mocht Paulus ook verkondigen in de grote stad Corinthe, vijf jaar voordat hij deze brief schreef aan de Christelijke Gemeente, die daar was ontstaan. (zie hfdst.2:1-5)

Een offer als fundament

In vers 11 van ons bijbelgedeelte doet Paulus een duidelijke en klare uitspraak: "Want een ander fundament, dan dat er ligt, n.l. Jezus Christus, kan niemand leggen." Hij bedoelt zonder omwegen te zeggen, dat het nieuwe leven slechts op één fundament gebouwd kan worden en dat is op het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus. Dat offer was een initiatief van de Here God Zelf. Een offer, dat Hij bracht in de persoon van, wat de Bijbel noemt, Gods Enig-geboren Zoon. Wat dat betekent is in menselijke begrippen alleen maar te begrijpen in het voorbeeld van het offer, dat Abraham bereid was te brengen, toen hij zijn enige zoon op het altaar legde daar op de berg Moria.

 

Abraham had liever zichzelf daar geofferd in plaats van die enige zoon. Het getuigt van een uiterste mogelijkheid, die God wilde aanwenden om de gemeenschap te herstellen tussen Hemzelf en de mens, die Hij geschapen had 'naar Zijn beeld' en 'als Zijn gelijkenis'. Dat offer is het enige fundament, waarop de mens zijn leven kan bouwen. Het is bouwen vanuit en in gemeenschap met de eeuwige God.

Het is Jezus Zelf, die dat bevestigt, als Hij de mens voor de keus stelt om op die 'Rots' zijn of haar levenshuis te bouwen. Het is de enige voorwaarde om in de stormen van het mensenleven te kunnen standhouden. (Matt.7:24-27, Lucas 6:46-49) Platweg vertaald zegt Jezus, dat wie zijn leven niet op dat fundament bouwt, uiteindelijk van zijn leven een puinhoop maakt. Het is alle aandacht waard te zien, dat er van een 'rots' als ondergrond wordt gesproken, waarop de 'fundament-steen' gelegd wordt. Die diepe ondergrond, de rots, is een kei-hard voorbeeld van Gods ondoorgrondelijke en onwrikbare liefde. De fundament-steen is het offer van Jezus Christus, de Middelaar, waarop de mens zijn leven mag bouwen. (1.Tim.2:5)

 

Het is heel bijzonder, dat deze beelden ook reeds in het Oude Testament worden gebruikt. In Psalm 118:22-23 staat: "De Steen, die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een hoeksteen geworden. Van de Here is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen." Dat fundament met deze hoeksteen ligt er dus, laat Gods Woord ons weten. Het is de boodschap van Jezus, die in deze wereld is gekomen en de verzoening tussen God en de mens heeft tot stand gebracht. "Een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen". (1.Kor.3:11)

 

Materiaal kiezen

Dan komt nu ter sprake de kant van de verantwoordelijkheid van de mens. Wat doet de mens met het fundament? Gaat de mens daar ook op bouwen? En wat en hoe bouwt de mens? Er klinkt zelfs een waarschuwing: "Maar ieder zie toe, hoe hij daarop bouwt." (vers 10) In gewone mensentaal staat daar, dat God Zelf de voorwaarden heeft geschapen, om van het leven hier op aarde wat goeds te maken, wat moois. Hoe benutten wij de mogelijkheden, die God ons ter beschikking heeft gesteld? Wat maken wij van ons leven? Heel aards zijn de beelden, die Paulus daarvoor gebruikt. Wat bouw je en welke materialen gebruik je daarvoor? Goud, zilver, edelgesteente, hout, hooi en stro. (vers 12) Het lijkt erop of de keus aan de mens wordt gelaten. Het betekent in ieder geval, dat bij de mens de verantwoordelijkheid ligt voor wat we kiezen.

 

De Here God heeft niet alleen de relatie en gemeenschap met Hemzelf hersteld, maar ook de menselijke verantwoordelijkheid ten opzichte van Hem, als de Schepper. In wezen is de mens niet de eigenaar van zijn leven. In de gelijkenis van de man, die door de Here Jezus de 'rijke dwaas' wordt genoemd, zegt Jezus heel duidelijk: "Want ook al heeft de mens overvloed, zijn leven hoort niet tot zijn bezit." (Lucas 12;15)

 

Daarom waarschuwt Paulus met de ernstige woorden: "Maar een ieder zie wel toe, hoe hij daar op bouwt." (1.Kor.3:10b) De keus, die de mens betreffende zijn eigen leven maakt, is bepalend voor wat er gebouwd wordt. De alles beheersende keus is in de eerste plaats: Overgave aan de Here God en de Here Jezus. Niet wij, maar Hij maakt de dienst uit in het leven van de gelovige mens. Als gevolg van die overgave reikt de Heer Zelf ons het materiaal aan, waarvan Hij vindt, dat ons leven gebouwd moet worden. Het gaat n.l. om geestelijke dingen. Het gaat om de aanwezigheid en leiding van de Heilige Geest. Daarom zegt Paulus in vers 16 tegen de gelovigen: "Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont?"

De materialen, waarmee ons leven gebouwd kan worden, splitst Paulus in twee categorieën. Hout, hooi en stro zijn vergankelijke materialen. Zij zijn ook niet bestand tegen vuur. Goud, zilver en edelgesteente is houdbaar. Zij zijn niet alleen bestand tegen vuur, maar worden in het vuur zelfs gereinigd en daardoor kostbaarder. De bedoeling van Paulus is duidelijk. Wat de mens uit zichzelf en terwille van zichzelf opbrengt is vergankelijk. Wat Gods Geest en Gods Woord in en door de mens tot stand brengt, is blijvend en van eeuwige waarde, tot eer van God. Juist omdat de mens verantwoordelijk is voor zijn levens-keuzen, zal hij ook verantwoording af moeten leggen voor zijn Heer.

De gelovige mens zal verschijnen voor de 'Rechterstoel van Christus' (Rom.14:10, 2.Kor.5:10). Ieders werk zal aan het licht komen. (vers 13) Dat is een ander oordeel, dan het 'laatste oordeel', waarover wordt gesproken in Openbaring 20:11. In het bijbelgedeelte, waarover we nu spreken, gaat het over, wat een kind van God opgebracht heeft in zijn of haar leven. Het eeuwige behoud van de gelovige is hier niet in het geding. (vers 15b) Zie ook de gelijkenissen van Jezus over de talenten. (Lucas 19:11-26) Als het leven van God en zijn genade in ons mag werken, dan is ons lichaam een tempel van God, omdat Zijn Geest in ons woont. Dat is een geweldig voorrecht met een speciale verantwoordelijkheid. (vers 16-17)

Tempelreiniging

Daarom willen wij tenslotte nog wijzen op een proces, dat een heel belangrijke invloed in ons christenleven moet hebben. Het is een 'reinigingsproces'. Paulus vergelijkt ons lichaam hier op aarde met een tempel, zoals wij lezen in vers 17b. De tempel in Jeruzalem was de plaats, waarvan God zelf bepaald had, dat het ZIJN HUIS zou zijn, waarmee Hij temidden van Zijn volk zou zijn. Vlak voor zijn gevangenneming en kruisiging reinigt de Here Jezus die tempel van alle veront-reinigingen, die daar ontstaan waren. (Matt.21:12-17, Joh.2:13-25) Het gevolg van die reiniging was, dat Gods verlossende kracht daar openbaar werd. Paulus noemt het christenleven hier op aarde een woonplaats van de Levende God. (2.Kor.6:16 e.v.)

Hij noemt de gelovigen ook zonen en dochters van God. (2.Kor.7:1) Zullen wij als zonen en dochters van God aan onze roeping beantwoorden, dan zullen wij ons reinigen van alle bezoedeling des vleses en des geestes. Hij beveelt die reiniging als een verantwoordelijkheid en een initiatief, dat aan onze kant ligt. "Laten wij ons reinigen", staat er. Dat zelfde bevel staat ook in 1.Joh.3:3. Johannes wijst ons ook de weg, waarop die reiniging tot stand komt. Dat lezen we in 1.Joh.1:5-10. Het is dus noodzakelijk dat wij alle facetten van ons leven onderzoeken.

Dat kan, als wij bereid zijn ons leven te stellen onder het licht van Gods Woord en Zijn Geest. Het is echter een proces, waarvoor telkens opnieuw overgave en verootmoediging nodig is. Dat proces toelaten in ons leven, is de voorwaarde voor het bouwen van ons leven op het fundament, dat God gelegd heeft in de verzoening, die er is in Christus, onze Heer. Het is het gevolg van een leven vanuit de gemeenschap met de Heer. "Een ander fundament, dan dat er ligt, kan niemand leggen!"

J.C. Graaff

meer studies van dhr Graaff vindt u op http://www.j3.stichting-promise.nl/bijbelstudies-een-nieuw-begin


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Bijbelstudies: een nieuw begin