Jezus ,God die mens geworden is.(6)

 

 

 

Jezus, God die mens geworden is (6)

We willen enkele artikelen plaatsen over de persoon en de karaktertrekken van Jezus als mens. Hij is volkomen God en volkomen mens. Het kan een steun in het pastoraat zijn, als confidenten zich verdiepen in het volmaakte leven van Jezus als mens en Heer omdat God niet abstract blijft, maar ook kenbaar is in de ziel, de persoonlijkheid van Jezus. In deze studie wordt bijvoorbeeld ook gewezen op het verschil met Boeddha en Confucius. Natuurlijk kan Jezus alleen gekend worden door de Heilige Geest en via de geestelijke wetten en ordeningen, zoals die ook in de Bijbel verwoord worden. Hij is de God, die mens geworden is, het beeld van God de onzichtbare. Of zoals de Hebreeënbrief (1:1-3a) ons zegt: “Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door Zijn Zoon, die Hij heeft aangewezen als enige erfgenaam en door Wie Hij de wereld heeft geschapen. In Hem schittert Gods luister, Hij is Zijn evenbeeld

De waarachtige Jezus

Als we het leven van Jezus volgen, valt op dat Hij vóór alles waarachtig was. Hij deed Zich niet anders voor dan dat Hij was. Bij Hem was alles oprecht, eenvoudig en natuurlijk. Ongetwijfeld lag hierin ook een majestueuze hoogheid, Hij wees ieder oneerlijk middel verre van Zich. Hij kende niet wat wij opportuniteit noemen, zelfs niet als het Zijn zaak op dat moment zou kunnen helpen, Hij ging in alles ‘recht door zee’. Als waarachtige schaamde Jezus Zich niet voor moeilijke situaties waarin Hij terechtkwam: “Hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is” (Luc. 12:50), “Mijn ziel is bedroefd, tot stervens toe” (Matt. 26:38), “Mij dorst” (Joh. 19:28). Zo heeft Hij bij vrienden en vijanden zijn leed verwoord. De ‘wijsheid’ van die tijd was echter geheel anders. De Stoïcijnen wilden namelijk de schijn bewaren onder de tegenslagen van het leven door te zeggen dat het ze niets uitmaakte. Jezus was geheel anders: “Van die dag en die ure weet niemand, ook de Zoon niet” (Marc. 13:32),”Het zitten aan de rechter- of linkerhand is niet aan Mij” (Marc. 10:40). Zou het niet ‘verstandiger’ geweest zijn om daarover te zwijgen? Echter Hij is degene die van Zichzelf zegt: “Ik ben de Waarheid” (Joh. 14:6).De ziel van Jezus was zo doorzichtig als een bron in de bergen. Iemand heeft eens gezegd: “Er zijn vele deugden te vinden bij veel volkeren, maar nergens treft men liefde aan voor de waarheid”. Jezus wilde het zweren bij Zijn discipelen verbieden (Matt. 5:34). Hij gebood hen: “Laat je ja een ja zijn en je nee een nee”. Bij onze waarachtigheid vinden we steeds ‘leugentjes om bestwil’, vaak ook om elkaar te sparen. Jezus was open, zonder iets of iemand te sparen. In Matt. 21:32 zegt Hij: “De tollenaars en de hoeren zullen vóór de Schriftgeleerden en Farizeeën het koninkrijk Gods binnengaan”. Tegen de voorname Nicodemus zei Hij dat hij wedergeboren moest worden (Joh. 3:4). De wereld buigt zich voor het geld en de macht. Jezus zei in tegenwoordigheid van de rijke en hebzuchtige Farizeeën: “Voorwaar, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft het meeste in de offerkist geworpen van allen die er iets in geworpen hebben” (Marc. 12:43). En toen Hij in Samaria ervaren had dat Samaritanen, zonder dat Hij een wonder had gedaan, Hem op Zijn woord geloofden (Joh. 4:41 vv) en, op een andere tijd, een Samaritaan terugkeerde om Hem te bedanken, terwijl negen Joden dit nalieten (Luc. 17:16), nam Hij geen blad voor Zijn mond met de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, die meer naastenliefde bleek te bezitten dan de Joodse priester en Leviet ( Luc. 19:33 vv). Hij wist dat de zaligheid uit de Joden is en dat de Samaritanen niet wisten wat ze aanbidden (Joh. 4:22) maar niettemin zei Hij tegen de Samaritaanse vrouw dat men eenmaal noch in Jeruzalem noch op de Gerizim zal aanbidden (Joh. 4:21). Ja, Hij was waarheid en sprak waarheid, waar een ander het met stilzwijgen toedekte. Zonder twijfel had Hij het brandende verlangen gehad om velen te winnen. Maar Hij bleef de eerlijke, die het Zijn discipelen nooit op een oneerlijke manier lichter maakte dan anderen. “ De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om Zijn hoofd neer te leggen (Matt. 8:20). Zelfs in het vertellen van Zijn gelijkenissen is Jezus geen duimbreed van de waarheid en werkelijkheid afgeweken. Hij weet bijvoorbeeld hoe arbeiders die het eerst gehuurd zijn, afgunstig worden op arbeiders die het laatste uur ingehuurd zijn en evenveel geld krijgen (Matt. 20:11). Hij weet hoe onbeschaamd doorzetten in de wereld meer uitwerkt dan nederig en behulpzaam zijn. Uit Jezus’ woorden blijkt duidelijk dat Hij Zich van de tegenspraak met het tot dan toe geldende levensideaal ten volle bewust was. Matt. 20:25 vv zegt: “Gij weet dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten macht over hen. Zo is het onder u niet”. In dat opzicht was een Jood ongeveer hetzelfde als een Griek. Welstand, eer, aanzien en macht waren heel belangrijk. De Grieken hadden het ideaal van de ‘vrije man’. Voor Jezus was dat heel anders. Van meeste waarde waren niet geest, schoonheid, macht, kracht, rijkdom en aanzien, maar deemoedigheid en nederigheid, en het vrijwillige dienen.

Liefde, de band van volmaaktheid.

Jezus kende tijdens Zijn rondwandeling op aarde één doel: dienstbaar zijn (Matt. 20:28). Hij had een grote bewogenheid voor lichamelijke en geestelijke problemen. Hij overzag dat vaak direct (Matt. 9:36 vv,14:14). Hij raakte bewogen als Hij tranen zag (Luc. 7:13; 8:52). Bij ieder mens was Hij betrokken, de gehele jammerlijke toestand van de mensheid grijpt Hem aan. Confucius zei: “Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Daarmee beval hij een gerechtigheid aan, die ieder het zijne geeft zonder zich zelf op te offeren. Jezus ging veel verder: “Wat gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij alzo” (Matt. 7:12). Natuurlijk wist Jezus dat de begeerten van een mens onverzadigbaar waren. Bij Hem was de liefde echter zo sterk, dat Hij, die het liefst met God alleen was, veranderde in iemand die een uiterste liefde voor mensen had. Nooit is de liefde alleen maar een opwelling geweest, nooit was zelfopoffering alleen het doel. Zijn liefde was een onbuigzame wil, daad en dienst. Het was een werkzame liefde van zelfopoffering. De nacht wordt tot dag als Nicodemus komt (Joh. 3:2). Moeheid werd ook vergeten omwille van de Samaritaanse vrouw (Joh. 4: 6), soms moest zelfs Zijn behoefte aan eten en drinken wijken (Joh. 4:31 vv, Marc. 3: 20). Om zo voor anderen te leven is voor natuurlijke mensen onbegrijpelijk, daarom werd Jezus ook versleten als iemand buiten zinnen (Marc. 3:21). Zijn motief lag echter in God, daar lag Zijn anker. Een dergelijke liefde zonder voorbehoud en zonder een greintje zelfzucht was bij geen ander mens ooit gevonden. Het was die Jezus die zei: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkaar liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad (Joh. 13:34). Maar ook op een andere manier gaf Hij dat gebod van de liefde nieuwe inhoud. In Rome kende men de uitdrukking: ‘Een mens is voor een onbekende een wolf’. En ook bij de Jood kende het begrip ‘de naaste’ zijn begrenzing bij de slagboom van de grenzen. Was de liefde tot zijn volksgenoten door de wet bewerkt, de Jood koesterde vaak haat tegenover de vreemdelinge. Jezus beantwoordde de vraag ‘Wie is mijn naaste?’, gesteld door de Farizeeën, met: ga niet na of iemand ‘verder’ van je af staat, maar maak iedere hulpbehoevende tot je naaste (Luc. 10:36). Wat wij vaak alleen bereid zijn te doen in onze eigen kring, deed Jezus aan allen. In Joh. 10: 16 spreekt Jezus: “Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn, ook die moet Ik verzorgen.” In de dagen van Jezus verloor de liefde haar begrenzing! De profeten waren vaak werkzaam tegenover het gehele volk, Jezus bleef ook, zelfs na Zijn opstanding, stilstaan bij de individuele mens. Hij had tijd voor iedereen, telkens lijkt het of Hij geen haast heeft, Hij bleef staan bij de bedelaar die Hem riep (Luc. 18:40). Ja, Hij deed moeite dat de doofstomme Hem zou verstaan (Marc. 7:33) en steeds ging Zijn liefde weer naar de hele wereld uit. Zo werd het ‘vaderoor’ en ‘vaderhart’ van God voor altijd geloofwaardig gemaakt. “De liefde gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen” zo verzekert Paulus ons in het beroemde hooglied van de liefde. Maar in welk opzicht heeft Paulus bij Jezus dit hopende geloof in de liefde waargenomen? Jezus heeft de mens in zeker opzicht hoog geacht en respect voor hen gehad, want Hij geloofde aan hun toekomst. Niet wat de mens is, maar dat wat hij moet worden, geeft hem aanzien. En daarom is het zo dat ieder mens, zelfs de kleine onaanzienlijke domme, dezelfde waarde heeft als een Michel Angelo of Beethoven. Ieder mens is van gelijke en hoge waarde. Zo geloofde Hij alle dingen en hoopte Hij alle dingen. Maar daarom kon Hij ook liefhebben en stierf Hij toch niet aan een gebroken hart.

 

Liefde en wonderen

Als we gaan kijken naar de wonderen van Jezus, dan wordt Zijn grote liefde overduidelijk. Waarom deed Jezus Zijn wonderen? Zonder twijfel deed Hij ze ook om mensen tot stilstaan te brengen en Zich hoorders te verschaffen. Waren er eenmaal toehoorders, dan was Hij wel eens bezorgd dat de tijd voor genezing de tijd van het onderwijs in gevaar bracht (Matt. 9: 27-31, eerst genezing, dan een verbod om dit verder te vertellen). Johannes noemt deze wonderen ‘tekenen’ (Joh. 2:11; 20:30) omdat de wonderen zinnebeelden zijn van wat er in het geestelijk leven gebeurde. Origenes heeft ooit gezegd dat de wonderen van Jezus hoog boven die van heidense wonderdoeners uitstaken, omdat het geen toverijen waren, maar steeds in dienst stonden van geestelijk en zedelijke doeleinden. Anders gezegd: ze dienen Zijn liefde. Daarmee was het doen van wonderen op een geheel eigenaardige manier in het wezen van Zijn persoonlijkheid vervlochten. Hij genas en leerde, zo hebben de evangelisten zijn dagelijks werk beschreven (Matt. 4:23; 9:35; Luc. 5:15,17). De ellende van ziekte en zonde hebben veel verbindingen met elkaar; lichamelijke, psychische en geestelijke nood zijn niet te scheiden. Jezus heeft te allen tijde al die aspecten erkend. Hij was tegelijkertijd leraar en arts en in beide beroepen strekte de liefde zich het meeste uit naar de ‘minsten’. En als Hij leerde en genas, straalde Hij een heerlijkheid uit die vol was van genade en heerlijkheid. Macht corrumpeert, zegt men. Als er een persoon is die zich zou kunnen verheffen boven alle anderen dan was het wel Jezus, en toch leidde bij Hem die macht alleen maar tot dienstbaarheid. Veel bijbelse helden gebruikten hun macht soms ten dienste van henzelf, bij Jezus echter stond alle macht ten dienste van Zijn heilige liefde. En zelfs in de laatste nacht heeft Hij niet toegelaten dat een mens door Zijn toedoen schade zou lijden (Luc. 22:51). Bij Zijn wonderen ging het meestal om genezingen, vooral omdat er bijna altijd in die zin een beroep op Hem gedaan werd. Maar Hij heeft ongevraagd ook vele andere wonderen gedaan: in de woestijn, bij de wonderbare spijziging, op het meer in de storm, bij gebrek aan wijn op de bruiloft, bij de dode in het huis der droefheid. Altijd weer was het Zijn liefde die Hem drong, omdat Hij hen wilde dienen. De liefde beheerste Zijn wonderen. Een bijzonder aspect van Zijn liefde was het aanraken van zieken. In die tijd was een stomme meer een voorwerp van ontsteltenis dan van medelijden. Aristoteles, die toch vaak meer inzicht had dan andere mensen, zei: “De doofstommen zijn voor de ontwikkeling van de menselijke beschaving ongeschikt”. Hoe dikwijls zijn zij die voor een doofstomme bij Jezus om genezing vragen eerst zijn pijnigers geweest! Daarom nam Hij hen terzijde (Marc. 7:33). In het Hebreeuws is een melaatse een door God ‘geslagene’. Na zijn genezing zijn zoenoffers nodig. Men stootte hen uit om niet zelf onrein te worden, en daarbij kwam natuurlijk de gerechtvaardigde angst om zelf aangestoken te worden. Het was een warme zonnestraal van onverwachte liefde die deze mensen ervoeren, toen ze door Jezus werden aangeraakt, een onbezorgde en warme aanraking (Marc. 1:41). Het waren diepe en betekenisvolle aanrakingen die Jezus bij zieken deed. We kunnen een klein beetje begrijpen wat een liefdevolle aanraking voor een blinde, die Jezus’ vriendelijk oog niet kon zien, betekende, net als bij een doofstomme. En wat ging er door de ouders van het dode dochtertje heen, toen Jezus de koude hand greep en het kind tot leven wekte (Marc. 5:41). In die dagen maakte het aanraken van een dode je voor het heiligdom onrein.

 

Zijn liefde en Zijn profetieën

Behalve in de wonderen kwam de liefde van Jezus bij uitstek terug in Zijn profetieën. Waren het de oude profeten, die vaak ook door inspanning van hun eigen aanzien, met vlammende blik dreigende straffen verkondigden, Jezus verkondigde het oordeel aan de stad die de profeten doodt, met tranen in Zijn ogen (Luc. 19:41). Voor velen was dit een laatste woord van trouwe waarschuwing. Ook de profetieën die Hij uitsprak naar Zijn leerlingen waren ingegeven door liefde. Waarom sprak Hij zo vaak tot hen over Zijn naderend lijden? Toch alleen hierom, opdat ze zich niet, als die tijd komt, ongetroost aan Hem aanstoot zouden nemen. Maar veel meer, Hij heeft het vooruit geweten, en nu komt het erop aan de betekenis en bedoeling daarvan te doorgronden opdat zij, wanneer het geschiedt, geloven dat Hij het is (Joh. 13:19). Hij had dezelfde motivatie als Hij sprak over de val van de tempel. Zijn liefde zorgde ervoor dat ze toch maar op tijd voor het gevaar vluchtten (Marc. 13:14 vv). Of als Hij over Zijn wederkomst sprak, Zijn liefde hen op het hart drukte om getroost te leven en dat ze moesten waken (Marc. 13: 28 vv, 23,33, 36 vv). Ja, Zijn voorzeggingen werden zo tot een heel bijzondere zielzorg. Petrus blijft door Jezus’ voorspelling weliswaar niet voor zijn val bewaard (Matt. 26:34), maar hierna is een blik van Jezus ogen voldoende om hem van die verkeerde weg tot inkeer te brengen (Luc. 22:61). En Zijn discipelen die wegvluchtten wisten in ieder zeker dat ze weer verenigd zouden worden (Matt. 26:31 vv). Zo is elke voorzegging en profetie een ingeving van Zijn liefde geweest.

 

Jezus’ liefde en welsprekendheid

Of het nu tot de enkeling gericht was of tot de massa, uit zijn manier van communicatie sprak Zijn liefde. Tot Zijn discipelen sprak Hij als een liefdevolle leraar, tot het volk vriendelijk en tot de Farizeeën soms met een donderspeech. En wie Hem hoorde spreken tegen de Samaritaanse (Joh. 4) of tot de Farizeeër Simon (Luc. 7:30 vv) of tot de landvoogd Pilatus (Joh. 18 en 19) kon nauwelijks geloven dat het dezelfde persoon was die spralk. Tot niemand zei Hij te veel of te weinig, in elke bijzondere toestand of stemming of denkwijze sprak Zijn bijzondere liefde. De maatstaf voor Zijn spreken was nooit Hij zelf, nooit Zijn eigen weten, maar steeds de mens die voor Hem stond. Aan diens vermogen om dingen te begrijpen paste Hij Zijn manier van spreken aan (Joh. 3:12). Veel van de dingen die de zijnen toch zouden moeten weten, hield Hij in het begin vaak achter, zoals Zijn taak als Messias en de noodzakelijkheid van Zijn lijden. Zelfs nog aan de avond vóór Zijn dood verzweeg Zijn liefde veel, omdat de zijnen te zwak waren om het te verdragen (Joh. 16:12). Anderzijds was Hij nooit te moe het onbegrepene, zo veel als nodig is, te herhalen, en vaak ook in vaste gelijke formules te communiceren (Matt. 16:21; 17:22; 20:18), zodat, als de tijd rijp was, ze het eindelijk zouden begrijpen. Ook het feit dat Jezus vaak het loon benadrukte, is niet anders te zien dan het neerbuigen naar de zwakken. Voor Zichzelf speelde de gedachte aan loon geen belangrijke rol. Spot, ironie en satire was niet in Zijn spreken te beluisteren. Dit in tegenstelling tot Elia die de Baälpriesters bespotte (1 Kon. 18:27). Bij Jesaja vinden we soms een satire die liefdeloos is (Jes. 41:6 vv; 44:12-19; 58:5). Jezus was meester in ‘zonnige’ gelijkenissen. Hij kon soms een kant van iets sterk benadrukken zodat Zijn tegenstanders Hem vaak vonden overdrijven. Het ging Jezus er vaak om dat ze wakker werden, zonder gelijk weg te lopen (Marc. 4:33). Zo sprak Hij zelfs in geheimenissen die in het begin voor de discipelen in grote lijnen vaak raadselen waren. Jezus hield van gelijkenissen. Door Zijn ogen was de geestelijke wereld open en ontbloot. Hij schilderde in zulke mooie bewoordingen waaruit veel liefde sprak. Het volk bevond zich op het niveau van eerst zien, dan geloven. Daarom sprak er veel veraanschouwelijking in Zijn gelijkenissen. Hij liet Zich een belastingpenning aangeven (Matt. 22:19), Hij stelde een kind in het midden (Matt. 18:2), Hij wees met de vinger naar de leliën van het veld. En verder op de vogels in de hemel (Matt. 6:26,28), op het vissersnet aan de oever van de zee (Matt. 13:47) en op de zaaier op diens akker (Matt. 13:3). Hij gaf met deze voorbeelden aanschouwelijk onderwijs. Zijn discipelen moesten leren dat hij die de grootste wil zijn, de dienaar van allen moet zijn. Jezus liet dit zien door een linnen doek te nemen en een waterbekken en ging hun voeten wassen (Joh. 13:14). Ze moesten weten dat Hij zou gaan sterven: het brood is een teken van Zijn lichaam en Hij verbreekt het voor hun ogen (Matt. 26:26). Ze moesten weten dat Hij voor hen zou sterven en daarom gaf Hij hun het brood opdat ze het zouden eten (Matt. 26:26). Ze moesten weten waar Hij zou blijven: Hij zou naar de Vader gaan die in de hemelen is, en daarom verdween Hij voor hun ogen in de richting van de hemel (Hand. 1:9). Alle woorden over Zijn dood waren onbegrepen, maar hier heeft de liefde die zo sterk is, een middel gevonden dat het begrip van Zijn sterven voor de toekomst tot een zekerheid maakte: voor u! De liefde buigt zich neer om begrijpelijk te zijn.

 

De fijngevoeligheid van Jezus’ liefde

Bij de eetzaal van de Farizeeër Simon glipt een angstige vrouw naar binnen. Ze werpt zich aan Jezus’ voeten, ze bevochtigt Zijn voeten met haar tranen en droogt ze met haar haar, en zalft ze met dure zalf. Iedereen in de eetzaal minacht deze vrouw, maar Jezus behandelt haar met de grootst mogelijke tact. Hij spreekt niet tot haar, Hij vermaant haar noch prijst Hij haar. Hij spreekt zachtmoedig over haar en vertelt Simon subtiel dat ook hij voor God schuldig is, al denkt hij tien maal beter te zijn dan die vrouw. Jezus maakt haar daarna tot middelpunt en zegt: “Aan haar grote liefde zie Ik dat zij een groot zondares is”, maar direct daarna “… vergeven zijn haar vele zonden” (Luc. 7: 36-48). Aan de Jacobsbron ontmoet Hij een vrouw die niet veel beter is. Het verleden van deze vrouw staat Hem helder voor ogen (Joh. 4:18), Hij laat haar niet gelijk schrikken. Hij komt eerst tot Zijn doel langs een andere weg. Zo wordt bijvoorbeeld Petrus in plaats van terechtgewezen drie maal gevraagd: “Heb je me lief?” (Joh. 21:15; Matt. 26:33). Bijna alleen door Zijn woorden te herhalen, wordt de twijfelaar Thomas ‘gestraft’ (Joh. 20:27). Pas naderhand, als het onder vier ogen kan, wordt de oude man, die 38 jaar lang zonder genezing bij Bethesda gelegen heeft, aan vroegere zonden herinnerd ( Joh. 5:14). Ja, zelfs de verrader Judas wordt eerst gespaard toen Johannes ernaar vroeg (Joh. 13:26). Overal komen we Jezus’ tederheid en fijngevoeligheid tegen. We weten hoe op niets ontziende wijze vroegere profeten bij de ziekbedden van hun koningen gezeten hebben (2 Kon. 20:1; 1:6). Jezus kende de samenhang tussen straf en zonde ook. Maar tijdens Zijn rondwandeling biedt Hij altijd medelijden en louter liefde aan. Hij moet steeds vriendelijkheid en goedheid uitgestraald hebben.

 

Gerard Feller

(Fragmenten uit: ‘De Christus der Schriften, de Here der Heerlijkheid’ geschreven door Otto Borchert, 1924)

 

 

 

 

 

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Bijbelstudies: bemoedigend