Jezus, God die mens geworden is (5)

 

Jezus, God die mens geworden is. (5)

We willen enkele artikelen plaatsen over de persoon en de karaktertrekken van Jezus als mens. Hij is volkomen God en volkomen mens. Het kan een steun in het pastoraat zijn, als confidenten zich verdiepen in het volmaakte leven van Jezus als mens en Heer omdat God niet abstract blijft, maar ook kenbaar is in de ziel, de persoonlijkheid van Jezus. In deze studie wordt bijvoorbeeld ook gewezen op het verschil met Boeddha en Confucius. Natuurlijk kan Jezus alleen gekend worden door de Heilige Geest en via de geestelijke wetten en ordeningen, zoals die ook in de Bijbel verwoord worden. Hij is de God, die mens geworden is, het beeld van God de onzichtbare. Of zoals de Hebreeënbrief (1:1-3a) ons zegt: “Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door Zijn Zoon, die Hij heeft aangewezen als enige erfgenaam en door Wie Hij de wereld heeft geschapen. In Hem schittert Gods luister, Hij is Zijn evenbeeld

Jezus en de natuurlijke wereld

Hoe heeft Jezus Zich opgesteld ten opzichte van alles wat de wereld te bieden heeft? De wereld heeft bijzonder veel te bieden als het gaat om zintuiglijke prikkels, maar ook aan verleidingen. Je zou in de eerste plaats kunnen zeggen dat Jezus Zich op een onbevangen wijze heeft opgesteld voor alle zaken, die in de wereld ‘te koop’ zijn. Zelfs het kleed dat de Romeinse soldaten Hem uittrokken op Golgotha was in zekere zin een luxe artikel (Joh. 19:23). En de zalving van Zijn voeten, zes dagen vóór Zijn dood, een kostbare zaak, liet Hij Zich zonder protest welgevallen. Iemand die misschien meer benepen was, zou misschien gezegd hebben, dat dit geld beter aan de armen ten goede had kunnen komen (Matt. 26:8 vv). We zien dat Jezus zonder veel moeite tijdens Zijn leven, hier op onbevangen wijze genoot van wat de wereld Hem bood. Dikwijls heeft Hij deelgenomen aan maaltijden, feesten en bruiloftsvieringen, die juist in het oosten uitbundig gevierd werden (Luk. 7:36 vv,10:38 vv, 14:1, Joh. 12:2 ). Lasteraars konden Hem gemakkelijk uitmaken voor een veelvraat en alcoholist (Matt. 11:19). Hij vond het prima dat men voor Hem feestmaaltijden organiseerde, ook als middel om aan Hem te denken (Matt. 9:10, Joh. 12:2). Het laatste ongestoorde uur dat Hij met Zijn discipelen doorbracht was een feestmaaltijd. En als Hij sprak over het afleggen van Zijn leven, dan verbond Hij er na Zijn opstanding aan: ‘Ik zal met u zijn in het koninkrijk van Mijn Vader en opnieuw met u van de vrucht van de wijnstok genieten’ (Matt. 26:29). Hij heeft zonder enige aarzeling de vruchten van de tegenwoordige (Matt. 22:2) en de heerlijkheid van het toekomstige (Matt. 25:1) Rijk Gods met de geneugten van een gastmaal vergeleken of ook Zichzelf met de Bruidegom (Matt. 9:15). Zijn moeder wist dat ze met vragen als ‘ze hebben geen wijn’ rustig bij Hem kon komen (Joh. 2:3). En Hij wist Zelf dat de oude wijn beter smaakt dan de nieuwe en dat de mensen, die de oude wijn gedronken hebben, het nieuwe niet meer lekker vinden (Luk. 5:39). Wanneer Jezus in Zijn gelijkenissen de vreugde schilderde, dan ontbreken het gemeste kalf en muziek en dans niet (Luk. 15:23,25). Hij heeft de behoeften van het lichaam nooit ontkend. In honger en dorst zocht Hij bevrediging, ook in de aanwezigheid van een Samaritaanse; Hij had ook wel kunnen wachten totdat Zijn discipelen terugkeerden. Ja, zelfs nog aan het kruis; Zijn laatste lafenis is een onaanzienlijke zure wijn, die de arbeiders en de soldaten drinken (Joh. 19:29). Geweigerd heeft Hij slechts toen Hij de slechte bedoelingen van mensen proefde (Matt. 27:34; Marc. 15:23). In het begin van Zijn kruislijden weigerde Hij de verdovende drank. Daarentegen gaf Hij, als een vanzelfsprekendheid, er aan toe een kussen te gebruiken om uit te rusten (Marc. 4:38). Ook sprak Hij niet tegen toen men het rijden op een ezel vergemakkelijkte met kledingstukken (Matt. 21:7). Hij wist dat een voetwassing weldadig aanvoelt, denk maar eens aan de voetwassing van de discipelen (Joh. 13:4 vv). Ook liet Hij de zalving van Zijn voeten Zich tot twee maal toe welgevallen (Luk. 7:38; Joh. 12:3). Hij verbood Martha Hem allerlei diensten te bewijzen, ook al deed ze het vanuit haar liefde (Luk. 10:40). Mohammed heeft iets goeds gezien in het versmaden en haten van de wijn gezien. Jezus heeft zelfs de herinnering aan Hem verbonden met wijn (Marc.14:23 vv) en Hij had er kennelijk geen moeite mee bij het jonge paar in Kana 500 liter wijn als huwelijksgeschenk achter te laten (Joh. 2:6). Jezus preekte zeker geen ascese, Hij zorgde voor de behoefte van het volk in de woestijn (Marc. 8:2 vv). Hij verdedigde Zijn leerlingen als zij hun honger stillen, zelfs als ze daarmee het Sabbatsgebod breken (Matt. 12:7(1)). Voor Hem had vasten, als een gebod van buiten opgelegd en zonder juiste motivatie, geen betekenis (Marc. 2:19 vv). Dit alles is nog belangrijker als je je realiseert dat Hij zich daarmee afzette tegen de heersende mening in die tijd (Marc. 2:18; Matt. 11:19) en zelfs afweek van de praktijk van Zijn voorganger, Johannes de Doper (Matt. 3:1,4). De ons omringende wereld biedt zoveel aan vreugde en genietingen. En Jezus heeft er op een onbevangen manier gebruik van gemaakt. Hij moet een geweldig oog voor de natuur gehad hebben. Jezus heeft als niet vele anderen in Zijn tijd verschillende zee-, berg- en landschappen gezien, en dit alles te voet, als de natuur zich hulde in de oosterse zon. Het is bijvoorbeeld bekend dat je op de weg van Jeruzalem naar Jericho binnen enkele uren door verschillende klimaatzones wandelt, die normaal gesproken duizenden kilometers uit elkaar liggen. Neem het lieflijke beeld van het landschap van Cesarea Philippi. Een hof van de Heer met overvloed van water en bomen. Alpenbeken en alpenweiden die vaak met ereprijs bekleed zijn en eruit zien als een blauw bloemtapijt. Of daal van het oosten af naar het meer van Tiberias. Het gaat door weelderig hoog gras en bonte weidebloemen, daar groeit de vuurrode maankop en de diepblauwe iris, net als de anemonen, het adonisroosje, de anjer, tulp en ereprijs. En dan opeens is er het uitzicht vanaf het 700 meter hoge plateau over het glinsterende meer. Hoe mooi zijn deze kleuren in hun glans en gloed! En in het noorden troont zwijgend boven dat alles de met sneeuw bedekte berg Hermon. Ik denk dat Jezus hier ook vaak van genoten heeft. Dit kun je afleiden uit Zijn spreken over leliën, mussen, bergen en heuvelen, wijnstokken, bliksem, plasregen en zonneschijn, van goede en slechte bomen, van het morgen- en avondrood. Nu is die bewondering voor de natuur heel gewoon, kijk maar eens in het boek Psalmen, maar Jezus had een bijzonder ‘oog’ voor de natuur. Net als in Psalm 29 bewonderde Hij de pracht van het onweer met zijn uitwerking op het meer, het hooggebergte of het dichte woud. Jezus knielde neer voor het weidebloempje en zag met één oogopslag de schoonheid die zelfs de schoonheid van Salomo doet verbleken (Matt. 6:29). Ja, in het kleine van de vogels (Matt. 6:26), zelfs in de mussen (Matt. 10:29 vv) vond Jezus voorwerpen van bewondering. Jezus had een vreugdevolle blik naar Zijn omgeving, Zijn hart ging open bij het zien van de groene landouwen. Het rijpende zaad zei Hem niet dat het snel gemaaid moest worden, maar veelmeer dat waar de zaaier ook langs wandelt, de aarde, wat haar toevertrouwd wordt, door Gods zon tot gouden korenaren laat rijpen (Marc. 4:26-29). En als in de winter de raven kraaien dan vertelde dat Hem niet in de eerste plaats over de honger en behoeften, maar van een rijke God die zelfs de raven voedsel geeft. Zo laafde Jezus Zich aan een mooie wereld onder de heerlijke oosterse zon en dronk Hij vrolijkheid en niét droefgeestigheid in uit datgene wat de natuur Hem te bieden had. Voor Jezus stond vast: de aarde is van de Heer. De natuur is om van te genieten en is ons door de Vader gegeven. In 1 Tim. 4: 4 staat: ‘ Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets daarvan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt, geheiligd door het Woord Gods en gebed’. Jezus heeft Zich nooit bezondigd tegenover de natuur of aan overmaat, daarom kon Hij ook met grote vreugde gebruik maken van alles wat de natuur bood. Hoe anders is Hij dan bijvoorbeeld Boeddha. De ‘vromen’ in Zijn tijd waren bang voor een te groot geluk. Ze hadden het gevoel dat ze eerst de berg van hun zonden moesten verminderen. Het is natuurlijk ook duidelijk dat Jezus die vreugde had omdat Hij de Heer van de natuur is. Over Hem had de wereld geen macht, noch door angst noch verleiding. Hij verheugde zich over de wereld, maar wanneer Zijn Vader in het geding kwam was de wereld van ondergeschikt belang. Voor ons is de wereld met al haar verlokkingen een groot gevaar. Jezus wist dat, Hij zei dat Hij liever had dat mensen met één oog of één arm het Rijk van God binnenkwamen dan dat ze ‘gezond’ buiten blijven (Matt. 18:8 vv).

Jezus en het huwelijk

Jezus heeft die zelfverminking nooit nodig gehad en nooit in toepassing gebracht. Of toch wel? Heeft Hij ooit een vrouw de Zijne genoemd? Het lijdt geen twijfel dat Jezus veel goeds zag in het huwelijk. Aan de bruiloftsvreugde, die misschien wel de grootste vreugde is die er bestaat, heeft Hij meerdere gelijkenissen ontleend, en daarbij Zichzelf als bruidegom vergeleken. Hij heeft nooit geweigerd om als gast aan een bruiloft te zitten. Hij hield van de kinderen die uit het huwelijk voortkwamen (Ps. 128:3). Bovendien hield Hij het huwelijk hoog, ondanks de vele scheidingen (Matt. 19:4 vv). Jezus heeft nooit behoord tot hen die het huwelijk verbieden (1 Tim. 4:3). Het is zelfs de vraag of Jezus het volmondig met Paulus eens zou zijn om in veel gevallen niet te trouwen (1 Kor. 7:27,38,40). Des te meer blijft de vraag waarom Hij ongehuwd bleef, als Hij de ongehuwde stand niet als iets ‘hogers’ beschouwde. Paulus en ook Johannes de Doper zagen af van hun natuurlijke rechten om getrouwd te zijn omwille van het Rijk Gods (1 Kor. 9:5). Hoeveel temeer Jezus die veel taken moest vervullen. Jezus, Die zelfs op een bepaalde manier Zijn moeder corrigeerde omdat Hij het Lam Gods was die de zonden der wereld op Zich zou nemen. In die tijd toen Jezus optrad, lagen de dagen dat Hij normaal gesproken zou trouwen als Hebreeuwse jongeling (omstreek het 18e jaar) al achter Hem. Maar Hij beantwoordde al aan de wetten van het voleindigde koninkrijk van God. In Matt. 22:30 staat immers: ‘In de opstanding huwen zij niet en worden niet ten huwelijk genomen’. In die zin was Jezus uniek (Joh. 3:13). En niemand is opgevaren naar de hemel dan die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des Mensen.

 

Gerard Feller

(Fragmenten uit: ‘De Christus der Schriften, de Here der Heerlijkheid’ geschreven door Otto Borchert, 1924)

 

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Bijbelstudies: bemoedigend