Jezus, God die mens geworden is (4)

door Gerard Feller  engelse vlag(1)

 We willen enkele artikelen plaatsen over de persoon en de karaktertrekken van Jezus als mens. Hij is volkomen God en volkomen mens. Het kan een steun in het pastoraat zijn, als confidenten zich verdiepen in het volmaakte leven van Jezus als mens en Heer omdat God niet abstract blijft, maar ook kenbaar is in de ziel, de persoonlijkheid van Jezus. In deze studie wordt bijvoorbeeld ook gewezen op het verschil met Boeddha en Confucius. Natuurlijk kan Jezus alleen gekend worden door de Heilige Geest en via de geestelijke wetten en ordeningen, zoals die ook in de Bijbel verwoord worden. Hij is de God, die mens geworden is, het beeld van God de onzichtbare. Of zoals de Hebreeënbrief (1:1-3a) ons zegt: “Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door Zijn Zoon, die Hij heeft aangewezen als enige erfgenaam en door Wie Hij de wereld heeft geschapen. In Hem schittert Gods luister, Hij is Zijn evenbeeld”.

 

Jezus en de Bijbel.

Wat wij noemen ‘het oude testament’ was voor Jezus de Bijbel. Hij leefde in de oudtestamentische geschiedenis. In Zijn onderwijs heeft Hij verwezen naar Kaïn, Abel, Noach, de zondvloed, Abraham, Lot, Elia, Naäman, Jona, Zacheria en nog veel meer (Matt. 6:29; 12:3 vv, 40,42; 23:35; Luk. 4:25,27; 17: 26,29; Joh. 8:40). Oudtestamentische gebeden en verzuchtingen werden door Hem uitgesproken in Gethsemane en aan het kruis (Ps. 43:5 (Matt. 26:38); Ps. 6:4, 42: 6 (Joh. 12:27); Ps. 22:2 (Matt. 27:46); Ps. 31:6 (Luk. 23:46)). Jezus was met iedere letter van de Bijbel vertrouwd, zelfs tot in de kleinste bijzonderheden, en op een manier die we ons nauwelijks voor kunnen stellen. Dit komt onder andere tot uiting door allerlei toespelingen die Hij vaak deed en die bewezen dat Hij in de gedachtewereld van het oude testament leefde. We zien dat als Hij in Joh .18:11; Matt. 26:39 spreekt over de drinkbeker drinken (zie Jes. 51:17) ; over het roepen van de stenen in Luk. 19:40 (zie Hab. 2:11); over het weggaan van de werkers der ongerechtigheid in Matt. 7:23 (zie Ps. 6:9) of van het zien van de raven in Luk. 12: 24 (zie Ps. 147:9) of van het verwoesten van de tempel in Matt. 23:38 (zie Ps. 69:26; Jer. 22:5); of van de houding van het volk Israël tegenover Hem in Matt. 23: 39 (zie Ps. 118:26); het bedekt worden door de bergen in Luk. 23:30 (zie Hos. 10:8); of het treden op slangen in Luk. 10:19 (zie Ps. 91:13). Verder spreekt Hij in Luk. 8:10 over het niet-zien van zienden (zie Jes. 6:9 vv) of over het verhoogd worden van Kapernaum tot aan de hemel in Luk. 10:15 (zie Jes. 14: 13 vv); over het verheffen van de zoon tegen de vader in Luk. 12: 53 (zie Micha 7:6) of over het opstaan van het ene koninkrijk tegen het andere in Luk. 21 :10 (zie Jer. 19:2). Op nog veel meer plaatsen heeft Jezus door zinspelingen, zinwijzigingen en uitdrukkingen blijk gegeven van een onuitputtelijke bijbelkennis. Toch is dit vertrouwd worden met de Bijbel niet zo gemakkelijk als in onze tijd waarin de Bijbel vrij en digitaal toegankelijk is. Hij kon alléén in de synagoge toegang tot de boekrollen krijgen om ze te lezen. We lezen veel van het alleen zijn van Jezus, maar nooit van het alleen zijn om te lezen. Daarom moet de bijbelstudie vooral plaatsgevonden hebben vóórdat Hij in de openbaarheid trad. Daarna, na het zaaien en strijden, moet Jezus vooral geleefd hebben door het tevoren verworven woord uit zijn herinnering. Tegenwoordig praat men nogal laatdunkend over van buiten leren, maar Jezus moet ongetwijfeld veel van buiten geleerd hebben en Zijn geheugen geoefend om het weer te kunnen gebruiken in de eenzame dagen van de verzoeking in de woestijn of in de woelige tijd en strijd in Jeruzalem. Niet in de laatste plaats in Zijn laatste dagen en uren, tot aan het kruis! Het was een in goede dagen bijeengebrachte schat, die Hem in moeilijke dagen tot brood, water, schuld en zwaard diende. Jezus’ positie tegenover de Bijbel, was een geheel andere dan die van de Joden vóór die tijd. Voor de Palestijnse Joden was de Bijbel een verzameling van geldende uitspraken, die geleerde rabbijnen moesten uitwerken. Voor de Alexandrijnse Joden, was de Bijbel een verzameling van geheime kennis, waarin ze hun eigen wijsbegeerte konden inleggen. Jezus vond God in de Bijbel, en als Hij de Bijbel las, communiceerde Hij met Zijn Vader. Voor Jezus was de Bijbel dagelijks ‘voedsel’. Hij leefde van ieder woord. Hij las de Bijbel met een grote oplettendheid, zeker ook om het getuigenis van God over Zichzelf. Hij wist dat Hij Zijn kennis voor een groot deel aan dit boek dankte, omdat de wil van God hierin geopenbaard is, en dat God talloze malen tot Hem gesproken had door dit boek. Daarom had Hij veel eerbied voor de Bijbel. Naast gebed was de Bijbel het element van Zijn geestelijk leven, waaruit stromen van leven voortkwamen. Hij voedde voortdurend Zijn gedachteleven en gevoelens hiermee en beleefde de gemeenschap met God. Hij hoorde en vroeg (Luk. 2:46) als kind al om informatie ten aanzien van zijn Vader te verkrijgen. Hij bezat direct inzicht (niet via anderen). Zijn schriftuitleg is eenvoudig en duidelijk, maar toch oneindig diep (Marc. 12:26 vv). Nooit heeft Hij in de Bijbel iets gelezen wat Hem afstootte, want Hij kende de kracht Gods en wist die ook te benutten bij de verklaringen die Hij gaf (Marc. 12:24). Hij kende ook de hardheid van het hart, die mensen bemoeilijkt de Schrift als Gods woord aan te nemen (Matt. 19:8). De Bijbel was Hem tot een zwaard en schild tegenover satan (Matt. 4:4,6,10) én mensen. Op het “er staat geschreven” rustte Zijn geloof. Het was het licht op Zijn weg. Vóór alles heeft de Bijbel Hem getroost. Kunnen we ons wel genoeg voorstellen hoeveel sterkte en bemoediging Jezus hieruit geput heeft? Bijvoorbeeld uit de tekst van Jes. 52:13 tot Jes. 53:12. Niemand mag één woord misbruiken. Jezus heeft dat nooit gedaan. Hij heeft Zijn kennis en kracht en troost uit het Woord geput, het moest aan Hem volbracht worden, zoals het geschreven is (Matt. 26:54,56). Dat Jezus in Zijn ‘goede’ dagen Zijn Bijbel gelezen had, troostte Hem in de ‘kwade’ dagen.

 

Jezus de vervulling van de Schrift

De relatie van Jezus met de Bijbel was uniek in twee opzichten. Allereerst wist Jezus dat Hijzelf het doel was van de Schrift (Luk. 24:27,44; Joh. 5:39,46). Hij wist dit al in de synagoge van Nazareth (Luk. 4:21). Toen Hij Zijn ‘koninklijke’ intocht in Jeruzalem op het veulen van een ezelin voorbereidde, wist Hij dat Zacharia van Hem gesproken had (Zach. 9:9). Door het beeld wat Jesaja van de toekomst over Hem had opgetekend, moest men Hem kunnen herkennen (Matt. 11:5; Jes. 35:5 vv). En daar waar dat niet letterlijk kon, zijn er talrijke voorbeelden in de Bijbel en in typen die in Hem vervuld moesten worden. Er zijn heel bijzondere bij zoals de vergelijking van Jozef met Jezus. Jozef werd door Juda voor twintig zilverlingen aan de handelslieden verkocht, zodat die hem voor dertig zilverlingen ‘met winst’ in Egypte van de hand konden doen (Gen. 37:26 vv). Judas ‘verkocht’ Jezus voor dertig zilverlingen (Matt. 26:16). Zoals Jezus de Bijbel las heeft nooit iemand de Bijbel gelezen, Hij wist dat het over Hem ging. Hij vond Zichzelf terug in de Bijbel, in de wet, in de profeten en in de psalmen, zoals bijvoorbeeld als ‘hoeksteen’ (Ps. 118:22). Dikwijls heeft Hij voor vriend en vijand het Schriftbewijs geleverd over wie Hij Zelf was. In het oude testament staat op veel plaatsen verborgen dat er sprake zou zijn van een God die Zelf zou verlossen (Matt. 11:10, vgl. Mal. 3:1; Matt. 11:14, vgl. Mal. 4:5,6; Matt. 21:16, vgl. Ps. 8:3). Er is echter nog een belangrijke andere reden waarin Jezus verschilde van ieder ander mens in Zijn relatie met de Bijbel. Hij gedroeg Zich als Heer van de Bijbel. Hij was Zelf iemand die de Schrift vormde, ze in nieuwe vormen preekte en ontwikkelde en zelfs tot vervulling bracht. Uit Hem vloeide een zelfstandige bron van kennis en juist daarom had Hij de sleutel tot het werkelijke begrip van de Bijbel. Degene die Hem hoorden spreken kregen de indruk dat Hij anders sprak: namelijk als gezaghebbende (Matt 7:29; Joh. 7:46). Zo stelde Hij Zich bijvoorbeeld tegenover de oude geboden met een stellig: “Maar Ik zeg u” (Matt. 5:22,28,32,34,39,44) of door te zeggen: “Ik ben gekomen om ze te vervullen” (Matt. 5:17). Vrijmoedig week Hij af van wat de profeet vroeg als het ging om het neer zenden van vuur uit de hemel (Luk. 9:54) en Hij oefende kritiek op Lamechs uitspraak: zeventig maal zeven gewroken (Gen. 4:24; Matt. 18:22)

 

 

 

Jezus als Schriftgeleerde

Men verwachtte Elia, Hij noemde Johannes de Doper Zijn Elia, die door de mensen is omgebracht (Marc. 9:13). Hij paste de beschrijving van de Messias als herder op Zichzelf toe, maar Hij gaf die beschrijving een heel nieuwe inhoud door er de levensovergave, die de herder heeft voor de schapen, er aan toe te voegen (Ez. 34:23; Joh. 10:11,15,17,18). Hij eerde de Schrift maar Hij behandelde ze vrij en zelfstandig zoals alleen Gods rechtstreekse afgezant mag doen. Hij wist de Bijbel te ontwikkelen in haar uitspraken. Ook dáárin heeft Hij zich een Heer van de Schrift getoond, die met haar deed wat Hij wilde. Hij liet onvermeld wat Hij onvermeld wilde laten (Ex. 30:13; Matt. 17:27). Hij gebruikte wat Hij nodig had voor de prediking. Soms stelde Hij Schrift naast Schrift (Matt. 4:6,7). Ook verklaarde hij Schrift met Schrift. Hij koos bijzondere delen uit. De Bijbel gaf Hem veel voorbeelden om de Messias te schetsen:bijvoorbeeldJes. 60 (wonderen tot onderhouding van het eigen leven), en 1 Kon. 17:13 (tot eigen bescherming). Hij nam de vrijheid om de Schrift voor Zijn doel te gebruiken. Bijvoorbeeld door uit Jes. 4 t/m 6 eenvoudig vers 4 weg te laten tot rechtvaardiging van Zijn genezingen en Jes. 61:1,2 tot rechtvaardiging van Zijn prediking. En dan het geweldige samenvoegen van Dan. 7:13 vv (De Zoon des mensen op de wolken in de hemel) met Jes. 53, de lijdende Knecht des Heren. Het is moeilijk om te bedenken in welke mate de Schrift de gedachten van Jezus gevormd heeft en in welke mate dit Zijn bron van kennis was. Heel vaak krijgen we de indruk dat Hij de Bijbel ook met een geweldig groot bezit van eigen kennis benaderde. Immers ook hierdoor zou Hij in staat geweest zijn de ‘goudaders’ van de Bijbel bloot te leggen, die voorheen verborgen bleven (Matt. 4:4, Marc. 12:26). In de sabbatkwestie (Matt. 12:7) haalde Hij Hosea 6:6 aan en verder de hongerende David en de dienstdoende priesters (Matt. 12:3,5) en leidde uit de werken van Zijn Vader Zijn eigen, door geen sabbatsrust te verstoren, heilzaam werken af (Joh. 5:17). In alles heeft Hij bewezen dat Hij het was die de vaderen beloofd hebben (Num. 21:8,9; Joh. 3:14; Jona 1:17; Matt. 12:40, Ps. 110 en Matt. 22:42 vv).

 

Gerard Feller

(Fragmenten uit: ‘De Christus der Schriften, de Here der Heerlijkheid’ geschreven door Otto Borchert, 1924)

 

klik voor deel 1

klik voor deel 2  

klik voor deel 3 

klik voor deel 4 

klik voor deel 5

 klik voor deel 6 

 

 

 

De stekker in het contact!

 

Dit boekje helpt u de kracht van het gebed en Gods Woord te (her)ontdekken. De auteur maakt gebruik van de OBT-bijbelstudiemethode (ontdekken,begrijpen, toepassen) van John Boekhout om het woord te laten spreken.

Door drs. Ruud van der Ven.

Uitg. Buijten & Schipperheijn Motief Amsterdam

ISBN 978-90-5881-371-8   96 pagina’s € 7,50

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Bijbelstudies: bemoedigend