Jezus, God die mens geworden is (2)

 door Gerard Feller  engelse vlag

We willen enkele artikelen plaatsen over de persoon en de karaktertrekken van Jezus als mens. Hij is volkomen God en volkomen mens. Het kan een steun in het pastoraat zijn, als confidenten zich verdiepen in het volmaakte leven van Jezus als mens en Heer. God blijft niet abstract, maar is ook kenbaar in de ziel, de persoonlijkheid van Jezus. In deze studie wordt bijvoorbeeld ook gewezen op het verschil met Boeddha en Confucius. Natuurlijk kan Jezus alleen gekend worden door de Heilige Geest en via de geestelijke wetten en ordeningen, zoals die ook in de Bijbel verwoord worden. Hij is de God, die mens geworden is, het beeld van God de onzichtbare. Of zoals de Hebreeënbrief (1:1-3a) ons zegt: “Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enige erfgenaam en door wie hij de wereld heeft geschapen. In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld”.

Jezus en Zijn weergaloze wijsheid

Er hebben veel grote mensen geleefd, die mede dankzij hun hoge ouderdom en wijsheid een heel tijdperk hebben beïnvloed. Jezus heeft echter niet alleen een tijdperk of cultuur beïnvloed, maar heeft de gehele wereld veranderd. Mohammed heeft voor zijn werk 22 jaar de tijd gehad, Boeddha zelfs 45 jaar. Jezus heeft niet langer dan  3 jaar gewerkt. Onder Zijn leerlingen waren de meest gewone handwerkslieden, die zich echter kenmerkten door één geest. Jezus stierf kort na zijn dertigste, maar Zijn invloed op mensen en de wereldgeschiedenis is onnavolgbaar. Jezus heeft een buitengewone scherpzinnigheid en een bijzondere welsprekendheid. In de eindeloze twistgesprekken met Zijn tegenstanders is dit vele malen gebleken. Men stelde Hem talloze strikvragen en men dacht dat deze ‘eenvoudige timmermanszoon’ wel snel door de mand zou vallen. Zo was er bijvoorbeeld de eeuwenoude discussie over grote en kleine geboden. “Meester, wat is het grootste gebod in de wet?” (Matt. 22:36). Met een onnavolgbare trefzekerheid haalt Jezus Deut. 6: 4-9 aan. “Heb de Heer, uw God, lief met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met heel uw verstand” (Luc. 10:27). Hij voegt er nog een tweede aan toe: “Heb uw naaste lief als uzelf”. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat. Men weet dat Hij een vriend van tollenaren en zondaren is. Nu sleept men een overspelige vrouw voor Hem en vraagt: “Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt, toen ze overspel pleegde. Mozes draagt ons in de wet op zulke vrouwen te stenigen. Wat vindt U daarvan? Dit zeiden ze, om Hem op de proef te stellen, om te zien of ze Hem konden aanklagen” (Joh. 8: 4 t/m 6). Maar Jezus speelt met een meesterlijke zet Mozes tegen Mozes op het schaakbord uit. In Deut. 17:7 staat: “De getuigen moeten …….. de dader stenigen ….. en zelf moeten zij de eerste steen werpen”. Met een onnavolgbare spitsvondigheid zegt Jezus in Joh. 8:7: “Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen”! Het gevolg? De vrouw staat, door iedereen verlaten, alléén voor Hem.

In een andere situatie herinnert men zich dat Jezus gezegd heeft: Ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel, tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel” (Matt. 5:32). Nu legt men Jezus de vraag voor of Hij een dergelijk verbod tegen Mozes woorden wel kan handhaven (Marc.10:2-9). En weer pareert Jezus op weergaloze wijze door Mozes tegen Mozes te laten antwoorden. Jezus zegt: “Hij heeft dit voor u opgeschreven, omdat u zo harteloos en koppig bent” (Marc. 10:5) en geeft aan dat de tweede stelregel door Mozes is ingesteld omdat hij is bezweken voor de hardheid van mensenharten. In Matt. 22:15 vv sturen de Farizeeën enkele mensen naar Jezus met de vraag of het toegestaan is de keizer belasting te betalen of niet. Bliksemsnel schat Jezus de situatie juist in. Een ‘nee’ maakt Hem een opruier van het gezag, een ‘ja’ een verachter van de heerschappij van God in Israël. Maar slagvaardig antwoordt Hij in vers 19: “’Laat me de belastingmunt zien’. Ze reiken hem een denarie aan. Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is dit opschrift? (En laat ze zo zelf het antwoord geven) Ze antwoordden: ‘Van de keizer’. Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef dan van wat van de keizer is aan de keizer en geef God wat God toebehoort’”.

De Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is en slechts Mozes als autoriteit van Gods Woord zien, stellen Hem de volgende strikvraag over een vrouw die zeven keer trouwt met broers die na elkaar doodgaan: “Wiens vrouw is zij bij de opstanding?” (Luc. 20:27). Op meesterlijke wijze laat Jezus Mozes zelf een antwoord geven, doordat Hij antwoordt met een tekst van Mozes “over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als God van Abraham, Isaak en Jacob. Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven” (vers 37 en 38). Zelfs de tegenstanders van Jezus zijn vol bewondering en verbazing: “Meester, wat U zegt is juist” (vers 39) en niemand durft Hem meer een strikvraag te stellen. In Zijn antwoorden gebruikte Jezus vaak op bijzondere wijze de ‘of-of’ -constructie, waarbij er geen plaats was voor een derde mogelijkheid. “Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of vernietigen?” (Marc. 3:4), “In wiens opdracht doopte Johannes? Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?” (Matt. 21:25). Geschieden Zijn duiveluitdrijvingen door satans hulp òf, als dat onzinnig is, zou het dan toch Gods vinger zijn? (Luc. 11:18,20). “Als David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?” (Matt. 22:45). Jezus’ antwoorden hebben iets verbluffend eenvoudigs. Het gezonde verstand stemt er gelijk mee in, bijvoorbeeld: “Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel” (Luc. 5:31). Dat is toch voor iedereen duidelijk. “Als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat?” (Luc. 14:5). Zo duidelijk dat zelfs Zijn tegenstanders hun muggenzifterijen opgeven (Joh. 7:23). Je zou zelfs medelijden met hen krijgen. Jezus is nooit verrast door het onverwachte. Nooit heeft Hij lang tijd nodig om na te denken. Hij is altijd zeker van Zijn zaak. Hij heeft nooit een ‘verborgen agenda’. Hij is open en transparant. Dat is aan weinigen, die de wereldgeschiedenis gemaakt hebben, gegeven. Vaak zwegen de tegenstanders van Jezus in het besef dat Hij onoverwinnelijk was in het discussiëren (Matt. 22:46, Marc. 12:34; Luc. 20:40). Hij deed dat zonder enige wetenschappelijke vorming of achtergrond (Joh. 7:15). Zonder moeite bracht Hij Zijn gedachten voort uit Zijn eigen scheppende kracht.

 

Jezus als spreker in het openbaar 

Jezus is ook de beste spreker in het openbaar ooit. Iedereen wordt verrast door Zijn woorden. Zelfs de gerechtsdienaars van de Joodse Raad worden door Hem overwonnen en keren onverrichterzake terug met de woorden: “Nog nooit heeft een mens zo gesproken” (Joh. 7:46). Het kwam regelmatig voor dat vele duizenden mensen zich om Hem heen verzamelden en elkaar om Hem verdrongen (Luc.12:1). In de woestijn zijn onder Zijn woorden duizenden dagenlang bij Hem gebleven om zelfs honger en dorst te vergeten (Marc. 8:2). Steeds weer was het volk ervan overtuigd dat de toespraken van de schriftgeleerden in het niet vielen met die van Jezus (Matt. 7:29). Er zaten vaak grote aantallen mensen om hem heen (Marc. 3:31 vv) of ze bevonden zich aan de oever van het water, terwijl Jezus sprak vanuit een boot (Marc. 4:1).Galilea was geen onbelangrijk achterland zoals sommige geschiedschrijvers het typeerden, maar veelmeer een belangrijk doorgangsgebied van de groothandel. Het zat vol met kooplieden, kleinhandelaren, allerlei soorten beambten en soldaten. Het bezat het belangrijke voordeel van een tweetalige cultuur, waardoor nagenoeg iedereen in Galilea ook Grieks leerde. Jezus ging door grote steden en kleine dorpen en preekte met grote welsprekendheid in de synagoge én in de open lucht. Hij sprak aan de oevers van het meer van Galilea, maar ook op de berghellingen, en overal met hetzelfde effect: mensen waren diep onder de indruk van Zijn spreken. Het geschreven woord in de Bijbel geeft slechts een zwak beeld van de uitwerkingskracht van Zijn gesproken woord, maar zelfs in de opgeschreven woorden van Jezus kunnen we duidelijk lezen hoe groot Zijn redenaarskunst is vergeleken met die van Mohammed of Boeddha. Jezus wist zich aan te passen aan alle soorten toehoorders en had de wonderlijke eigenschap voor niemand te eenvoudig of te moeilijk te zijn. Hij beheerste alle spreektechnieken: de rustige toon van overreding en lesgeven, de zachte toon om te troosten, de verlokkende toon van een zachtmoedig mens die anderen aantrekt. Maar ook kon Hij via de “Wee de …” de oudtestamentische profeten citeren, of opvlammen in een brandende woede en boosheid. Jezus was een meester in het toespreken van mensen. Hij kon Zich vernietigend afwenden van zijn tegenstanders (zie alle ‘Wee u’s in Matt. 23:13 vv). Maar ook kon Hij tot de inwoners van Jeruzalem de hartverscheurende woorden spreken: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt wie naar haar toe zijn gestuurd! Hoe vaak heb ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar jullie hebben het niet gewild” (Matt. 23:37). Hij had een gave van spreken voor jongeren én ouderen (Matt. 5; Matt. 13). Hij kon op eenvoudige wijze het hart van de toehoorders bereiken (Luc. 11:27). Bij al deze uitmuntende toespraken lezen we nergens dat Jezus Zijn toespraken voorbereidde. Bij Zijn eerste overweldigende toespraak in Zijn vaderstad spreekt Hij voor de vuist weg. De boekrol welke Hem ter lezing wordt overhandigd, wordt door de kerkdienaar aangereikt. Hij staat op en spreekt over het gevonden Schriftwoord (Luc. 4:17). Net zoals we over geen voorbereiding in Zijn toespraken lezen, kunnen we nergens een toename in ontwikkeling en kracht lezen. Zodra Hij optreedt, is Hij klaar. Iedereen was er verbaasd over (Luc. 4:22).

 

Jezus in gesprek met de enkeling

Naast discussie en volkstoespraken lezen we ook over Jezus die in gesprek is met de enkeling. Met de vrouw bij de bron (Joh. 4), bij Nicodemus in de nacht (Joh. 3), bij de jongeling die Hem op straat tegenkomt (Marc. 10:17). Hij bereikt mensen waar Hij ze aantreft. Vanuit wat we zouden noemen ‘small talk’ schakelt Hij moeiteloos en verrassend over naar belangrijke en zwaarwichtige zaken (Joh. 4:7 vv). Met weinig woorden antwoordt Jezus mensen op een wijze waarop ze snel de wereld om zich heen vergeten en alleen Hem zien. Altijd blijft Hij de ‘gevende’ of Hij nu bij een tollenaar te gast is (Luc. 5:29; 15:1 vv) of bij iemand met een hoge status (Luc. 7:36). Nicodemus, een schriftgeleerde wordt door Hem in verwarring gebracht door de volledige verschuiving van het standpunt waarop hij zich bij het gesprek instelde, en moet zich vervolgens blindelings overgeven aan Zijn leiding. (Joh. 3:3 vv). En soms weet Jezus een voorzichtige wending te geven aan een gesprek, altijd rekening houdende met de persoon tegenover Hem. In Marc. 10:19 ontmoet Jezus een rijke en stelt in de plaats van het 9e en 10e gebod de opdracht: “Gij zult niemand tekort doen, niemand iets onthouden voor wat hem toekomt”. Vergelijk dit met Deut. 24:14: “Een dagloner, die het al moeilijk genoeg heeft, mag u niet uitbuiten”.

Jezus als dichter

De welbespraakte Jezus is zeker te rekenen onder de grootste dichters van de wereldgeschiedenis. Van koning Salomo wordt gezegd: Hij sprak drieduizend spreuken, hij sprak over bomen, de cederbomen in de Libanon tot en met de hysop, het plantje wat uit de muren groeit. Hij sprak van het vee, het gevogelte en de kruipende dieren en de vissen (1 Kon. 4:32 vv). Jezus nog veel meer! Laten we eens een aantal dieren opnoemen die in Zijn spreuken op betekenisvolle wijze gebruikt werden: kameel, wolf, vos, slang, hond, os, ezel, schaap, kalf, zwijn, vis, arend, hen, kuiken, duif, mus, mug, schorpioen, enzovoort. Bijna iedere gedachte wordt bij Jezus tot een spreuk afgerond, precies gedefinieerd, zonder dat het verdere uitleg behoefde. Elk woord is te zien als een edelsteen, die fonkelt in verschillende kleuren in de steeds nieuwe samenhang waarin de woorden door Jezus belicht werden, waardoor ze van grote waarde waren. Als een van de vele voorbeelden van spreuken kun je Matt. 7:2 bekijken, waar het Hebreeuwse parallellisme op eenvoudige wijze naar voren komt: “Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden”. In Luc. 14:11 wordt het parallellisme tot een tegenstelling: “Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden. In Matt. 10:40 wordt de gedachte in het parallelle (tweede) lid voortgezet: “Wie jullie ontvangt, ontvangt mij, en wie mij ontvangt, ontvangt hem die mij gezonden heeft”. Daardoor wordt door bepaalde woordspelingen aan spreuken een nieuwe betekenis gegeven zoals in Matt. 10:39 waarin gelijke woorden in verschillende betekenissen worden gebruikt (verliezen en verliezen). “Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden”. Andere spreuken zijn zeer bijzonder hoewel ze soms een schijn van eenzijdigheid (Matt. 7:7 vv), van wonderlijkheid (Joh. 9:39), van overdrevenheid (Matt. 12:30), ja zelfs van tegenstrijdigheid (Joh. 5:31 vergeleken met 8:14) hebben. Vaak hebben ze het doel één kant van de waarheid opzettelijk te benadrukken. Als oosterling denkt Jezus veelal in spreuken met een levendige aanschouwelijkheid. Veel van deze spreuken zijn dikwijls verrassend in de gewone levenspraktijk: een balk in het oog, een kameel gaande door het oog van een naald, een kameel doorzwelgen, stenen die roepen, het verzetten van bergen, enzovoort (Matt. 7:3; 17:20; 19:24; 23:24). Er zijn spreuken waarbij belangrijke zaken extra benadrukt worden bijvoorbeeld: “Denk niet dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard!” (Matt. 10:34). Jezus laat al de haren op het hoofd geteld zijn (Matt. 10:30) en het evangelie terstond van de daken prediken (Matt. 10:27). Overal komt Zijn pakkend taalgebruik en de geweldige dichtkunst in Zijn spreken naar voren.

De gelijkenissen van Jezus

Als we spreken van de dichterlijke kwaliteiten van Jezus, dan moeten zeker Zijn gelijkenissen genoemd worden. Als slechts die éne gelijkenis van de verloren zoon behouden gebleven zou zijn, dan zou de Here Jezus zonder meer de ‘hoofdprijs’ voor het gebruiken van gelijkenissen gekregen hebben, maar er is nog veel meer! Jezus heeft de schriftgeleerden het gebruik van gelijkenissen bijgebracht. Ze kenden deze vorm wel, maar Jezus overtrof hen in ruime mate. Jezus had het voorrecht en het vermogen om dingen te zien. Hij zag in ‘gewone dingen’ het betekenisvolle en typische. Niemand voor of na Hem had het vermogen tot een dergelijke intuïtieve werkelijkheidszin als Jezus. Hij schildert Zijn woorden zonder veel franje of opsmuk. Hoe een ontaarde zoon zijn geld naar de hoeren brengt ( Luc. 15:13), hoe een bedrieglijke rentmeester te lui is om te werken en te voornaam om te bedelen (Luc. 16:3), hoe een mens zijn zin krijgt als hij maar genoeg doordramt (Luc. 11:8). Jezus weet en schildert het open en eerlijk hoe in het oosten de vele werklozen rondlummelen en naar sprookjesvertellers luisteren of in het gras liggen te slapen (Matt. 20:3). Hoe een rechter op onrechtvaardige wijze zich eerst afsluit voor de klacht van een arme weduwe die geen geld heeft (Luc. 18:2 vv) en hoe de heer en meester in zijn verschrikkelijke wreedheid zijn slaven zonder pardon in stukken laat zagen (Matt. 24:51). Jezus was het naturalisme en realisme allang vaardig voordat het in de wereldgeschiedenis van de dichtkunst opgang maakte. Jezus ziet dingen. Hij daalt af tot de straat en ziet de eenvoudigste levensverhoudingen. Hij spreekt van een nieuwe lap die de kleermaker zet op het oude kleed (Matt. 9:16) en van het smerige net dat de vissers uit het meer optrekken (Matt. 13: 47). Van het zuurdeeg dat de vrouw aan de baktrog onder het deeg mengt (Matt. 13:33) en van de bruidsmeisjes die aan de huisdeur vermoeid inslapen (Matt. 25:5). Van de heer die op de bruiloft zich te lang opgehouden heeft en pas in de vroege uurtjes thuiskomt (Luc. 12:38). Naast het feit dat Jezus dingen doorzag had Hij ook de magistrale gave om dingen te vertellen. Wie kent niet de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan? In een paar woorden worden heel herkenbare zaken neergezet. Waar is het vaderhart ooit beter geschilderd dan bij de gelijkenis van de verloren zoon? Welke dichter heeft de vaderlijke grootmoedigheid in zo weinig woorden op een dergelijke aangrijpende wijze geschetst? Geen woord te veel of te weinig. Er is niets gekunstelds of overdadigs aan, slechts een edele eenvoud en stille grootsheid. De bijzondere gelijkenis van de barmhartige Samaritaan wordt door Jezus direct verteld als spontane reactie op een vraag van een schriftgeleerde (Luc. 10:29). Jezus heeft Zich nooit bezig gehouden met het aan elkaar plakken van allerlei filosofieën en leerstellingen waarmee Mohammed zich bezig hield, of met de verstandelijke speculaties van Boeddha.

Jezus als denker

Heeft Jezus onder de dichters een ereplaats (hoewel Hij die Zelf nooit begeerd zou hebben), we moeten Hem ook scharen onder de grootste denkers die ooit geleefd hebben. Behalve in het gebruik van analogieën in de natuurwetten bleek Hij ook een meester te zijn in dit gebruik van analogieën als het ging om geestelijke wetten. Jezus heeft als eerste de goddelijke wetten in de natuur vergeleken met die van de geestelijke wereld. In gelijkenissen schildert Hij op voortreffelijke wijze en natuurgetrouw (lees bijv. Matt. 13:3 vv) de noodzakelijkheid van goddelijke wetmatigheden. Hij laat enkele belangrijke grondwetten in het rijk Gods zien. In de gelijkenis van de zaaier ondervindt het zaad hindernissen in de toestand van de bodemgesteldheid. Dit geldt echter ook bij het Woord van God, waarbij de staat en toestand van het menselijke hart van belang is (zie ook Joh. 12:24). Jezus wijst op de levenswet van worden en vergaan, waarbij de geestelijke dood het begin van een nieuw leven is. Volgens de natuurwetten is het zo dat de rank die afgescheiden is van de wijnstok, ten dode is opgeschreven. Dit is ook in geestelijke zin zo (Joh. 15:6). De wasdom van het zaad gebeurt geleidelijk: eerst de halm, dan de aren, dan de vrucht erin. Dit is net zo duidelijk als het is bij de ontwikkeling van het rijk van God. In de natuur groeit het kleine mosterdzaadje uit tot een geweldig grote plant. Dat geldt ook voor de kleinheid bij aanvang van het Koninkrijk van God, maar het groeit uit tot iets machtigs (Marc. 4:31). Jezus heeft ook krachtige gedachten gesproken over de hoop der opstanding, ontwikkeld uit de veel gebruikte uitdrukking ‘de God van Abraham, Izaak en Jacob’ (Matt. 22:32). Jezus verdiept de woorden van Mozes, bijvoorbeeld bij het zevende gebod: “En Ik zeg zelfs: ’Iedereen die naar een vrouw kijkt om haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd’” (Matt. 5: 28). Dat Jezus de nadruk op het eerste gebod legt, was al door Mozes opgetekend (Deut. 5:4-9). Maar dat Hij daarnaast een gebod formuleerde wat daaraan gelijk was, is uniek (Matt. 22:39). De beide geboden waren allang bekend maar Jezus verbond ze door (goddelijke) liefde samen en benadrukte deze twee naast de honderden andere voorschriften die het oude testament kent.

Jezus als psycholoog, pedagoog en volmaakt mens

Iedere psycholoog behoort met eerbied over Jezus spreken. Er is niemand die zo gemakkelijk en feilloos de menselijke ziel en geest kan doorgronden. Denk maar eens aan de manier waarop Hij het hart van de mens als akker beschrijft (Matt. 13:3 vv) of aan Zijn waarnemingen die Hij deed toen Hij naast de offerkist zat (Marc. 12:41). En hoe geweldig heeft Hij niet de kinderziel getypeerd (Matt. 18:3; Marc. 10:14) als het wezen van een kind door Hem wordt geanalyseerd. Niet alleen psychologen kunnen bij Jezus in de les, ook pedagogen. Van Hem kunnen ze leren hoe je aanschouwelijk onderwijs geeft (Matt. 18:2; 22:19 vv), hoe je van iets dichtbij naar iets ver weg kunt komen (Joh. 4:7,10), hoe je met een kleine kunstgreep de aandacht krijgt (Joh. 8:6). Bij Jezus kun je leren hoe je een vraagsteller zelf zijn vragen kunt laten beantwoorden (Luc. 10:29,36) en hoe je tegenover onmondigen hele moeilijke en nieuwe dingen mag verbergen en hen tenslotte zo kunt leiden dat ze later zelf de antwoorden vinden op hun moeilijke vragen. Hier gaat het vooral om Jezus’ terughoudendheid ten aanzien van het afleggen van een getuigenis van Hemzelf. In het Onze Vader staat: “Vergeef ons onze schulden zoals ook wij hebben vergeven….” (Matt. 6:12). Zo leert Jezus ons geen goedkope beloften te maken, maar laat zien dat Gods kinderen altijd de noodzaak in moeten zien dat ze met hun schuldenaren in het reine moeten komen vóórdat ze zelf vergeving zoeken. Ook de bioloog en de natuurwetenschapper kunnen nog veel leren van Jezus. Wat een oog heeft hij voor de natuur gehad! Ook in dit opzicht was Hij Zijn tijd ver vooruit. Bijvoorbeeld Zijn uitspraak in Matt. 6:28-29: “Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. … Ik zeg jullie, zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als één van hen”. Jezus wilde niet een sociale hervormer zijn (Luc. 12:14). Nooit heeft Hij door een wonder een arme van zijn armoede afgeholpen. Hij genas de zieke knecht / slaaf van de hoofdman, maar eiste niet dat deze hem eerst vrij zou laten. De gehele oude wereld heeft nooit de tegenstelling van heren en slaven overwonnen. Jezus hief die tegenstelling met één zin op: “De belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn (Matt. 23.11). Jezus heeft ervan afgezien welke eisen dan ook te stellen aan het maatschappelijke leven, en toch heeft Hij met de uitspraak: “Heb de naaste lief als uzelf” heel wat in de maatschappij in beroering gebracht. Welk een inzicht heeft Jezus in de geschiedenis. Terwijl Paulus een scherp onderscheid maakt tussen de voorchristelijke tijd en de christelijke tijd, ziet Jezus ook wel het onvolkomene van vroegere tijden, maar door Zijn leven wil Hij slechts tot een goed einde brengen wat onder de oudtestamentische bedeling allang bestond en in werking was. Voor Hem is de gehele wereldgeschiedenis één grote liefdesopenbaring van de Vader. Iemand heeft eens over Jezus gezegd, dat Hij de wereld verloste van theologen. Hij leek zo weinig op een theoloog en toch is er niemand ooit geweest die diepzinniger over God en goddelijke zaken gesproken heeft dan Hij. In twee eenvoudige woorden brengt Hij Gods erbarmen en verhevenheid ‘op de kaart’: “Vader…in de hemelen ….”.

Vele theologen dreven mee op de stromingen van hun tijd. Bij Jezus was dat niet het geval. De discipelen moesten dit ook accepteren. Wilden ze dit niet, dan hadden ze geen deel aan Hem (Joh. 13:8). Bij de rabbijnen gold het als het hoogste wanneer je geen andere leraren citeerde, maar oorspronkelijk was. Wanneer heeft Jezus Zich ooit op een ander mens beroepen? Integendeel, Hij zei vaak: “Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd …”, maar Ik zeg u (Matt. 5:21). Men bedenke dat Jezus als timmerman is opgegroeid, zonder noemenswaardige schoolopleiding. Wat een gaven heeft Hij gehad en ontwikkeld om zo aan de ‘spits’ van de mensheid te staan. En toch, al deze zaken betreffen slechts de ‘voorhof’ van Zijn persoonlijkheid. Als we het hart, de geest van de Here Jezus analyseren wordt onze aanbidding voor Hem nog groter. In een volgend artikel (Het reine hart van Jezus) hopen we hier (D.V.) aandacht aan te schenken.

Gerard Feller (dec.2007)

(Fragmenten uit: ‘De Christus der Schriften, de Here der Heerlijkheid’ geschreven door Otto Borchert, 1924)

 

klik voor deel 1

klik voor deel 2  

klik voor deel 3 

klik voor deel 4 

klik voor deel 5

 klik voor deel 6 

 

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Bijbelstudies: bemoedigend