(ultra)bedelingenleer

 

Het Woord recht snijden?
Over de bedelingen- en ultrabedelingenleer

door drs. F.S.L. Koopmans

Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid. (2 Tim. 2:15, NBG)

 

De Bijbel lezen is soms nog niet zo makkelijk. Dat ligt niet aan de Bijbel, dat ligt aan ons. De Bijbel is duidelijk. Eén van de eigenschappen van de Bijbel is, naast het goddelijk gezag dat er inherent aan verbonden is, de zogenaamde perspicuitas van de Schrift: de klaarheid, duidelijkheid, doorzichtigheid van de Schrift. Verstaan wij inderdaad wat wij lezen (Handelingen 8:30)? Als Filippus deze vraag stelt aan de kamerling, zegt deze laatste: ‘Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?’ (vers 31).

Schriftuitleg door hen die door God de Heilige Geest daartoe in al de eeuwen bekwaam zijn gemaakt, tot op de dag van vandaag, is belangrijk om de Bijbel te kunnen verstaan. En dan nog kan het zo zijn, dat sommige gedeelten van de Schrift moeilijk te begrijpen zijn. Petrus schreef dat al van de brieven van Paulus (2 Petrus 3:16). Toch blijft staan dat onder leiding van de Heilige Geest wij de Schrift kunnen verstaan. Daartoe moet ons verstand geopend worden (Lucas 24:45). Het vraagt inzet en toewijding van onze kant om het Woord van God te kunnen verstaan. Niet alleen maar het enkele Bijbelvers, maar dat Bijbelvers tevens in relatie tot de Bijbelverzen in de directe context en in de context van de hele Schrift.

Maar ook als van die inzet en toewijding ten aanzien van de Schrift sprake is, kunnen er tussen gelovigen heel verschillende inzichten zijn ten aanzien van de betekenis en reikwijdte van Bijbelteksten. Twee ‘denksystemen’ nu pogen de lezer van de Schrift te helpen bij het verstaan van de verschillende Bijbelteksten: het denksysteem van het Verbond en het denksysteem van het Dispensationalisme. Beide denksystemen zijn er overigens weer in soorten en maten, maar grofweg zijn dit wel de twee denksystemen die gezorgd hebben voor de bril waarmee de christen de Bijbel leest.In dit artikel wil ik wat meer inzoomen op de bedelingenleer, en met name – zonder daarin uitputtend te willen en kunnen zijn – op de meer extreme variant daarvan: de ultrabedelingenleer.

Bijbelse term ‘bedeling’

De Bijbelse term ‘bedeling’ (Engels: dispensation) is via het Latijnse woord dispensatio, een vertaling van Griekse oikonomia, dat negen keer in het NT voorkomt: in Lucas 16:2-4 wordt het vertaald met beheer, rentmeesterschap, in 1 Corinthiërs 9:17 met taak, in Efeze 1:10 met voorbereiding, in; Efeze 3:2,9 en Kolossenzen 1:25 met bediening en in 1 Timotheüs 1:4 met leiding. De grondbetekenis van de term duidt op het proces van het beheren van of het toezicht houden op de zaken van iemand anders of van een huis. In de teksten uit Efeze en Kolossenzen heeft de term de betekenis van goddelijk rentmeesterschap of bestuur, die door God uitgeoefend wordt. Het heeft dan de betekenis van ‘plan’, ‘bestuur’. C.C. Ryrie onderscheidt in Dispensationalism Today[1] op grond van de passage uit Lucas 16 vier kenmerken voor de term oikonomia: (1) er zijn twee partijen betrokken waarbij de ene partij de verplichtingen aangeeft en de andere partijen de verplichtingen vervult; (2) deze regeling brengt specifieke verantwoordelijkheden met zich mee; (3) een rentmeester kan ter verantwoording geroepen worden voor de wijze waarop hij zijn rentmeesterschap heeft uitgeoefend; (4) er kan een verandering kan worden aangebracht als er bij de regeling sprake is van ontrouw. Volgens H.P. Hook lijkt het erop dat het woord in het Nieuwe Testament op twee verschillende wijzen wordt gebruikt: de eerste wijze vinden we in de gelijkenis van Lucas 16, de tweede wijze bij Paulus als hij spreekt over het goddelijk bestuur van God zoals deze tot uitdrukking komt in Zijn plan voor de aarde, waarbij sommige schrijvers de eerste wijze als illustratie gebruiken voor de tweede. Vanuit dit Schriftuurlijk gebruik van de term, hebben theologen het woord verder uitgewerkt in de zin van het zich ontvouwen van Gods programma op aarde. De term ‘bedeling’ duidt dan op Gods bestuur over en mens en ten aanzien van wie Hij Zijn plan uitwerkt. De term ‘bedeling’ slaat op een periode die gekenmerkt wordt door een bepaalde, unieke handelwijze van God met de mensheid. Een bedeling zegt iets over de manier waarop God zich bezighoudt met mensen of met een bepaald volk. Bedelingen kunnen elkaar gedeeltelijk overlappen. ‘[E]en bedeling zegt daarom alleen iets over een bepaalde regeling (Gr. oikonomia) en niets over een tijdsperiode (Gr. aionen)’ (Hausoul).

Verbondstheologie en Bedelingentheologie

Vóór de moderne periode is er nauwelijks sprake van een uitgewerkte definitie van het woord bedeling. Het wordt bij de Kerkvaders (Augustinus, Justinus de Martelaar) en ook bij theologen uit de periode na de Reformatie verschillend gebruikt. Sommigen stellen dat de leer van de bedelingen al in het begin van de jaartelling bekend was bij bepaalde kerkvaders en later in de kerkgeschiedenis ook bij mannen als Jonathan Edwards (1637-1716) en Isaac Watts (1674-1748). Maar Hook schrijft: ‘Als er al eenheid van beschrijving van een bedeling is, dan heeft het twee algemene kenmerken: (1) God werkt ten aanzien van mensen op verschillende wijzen; (2) deze wijzen worden gelijkgesteld met opeenvolgende perioden in Gods soevereine plan.

De grote scheiding met betrekking tot het onderwerp bedeling vindt plaats tussen de zogenaamde Verbondstheologen en de Bedelingentheologen. De eersten zien het Genadeverbond als hetgeen de eenheid van de Schrift uitmaakt. Bedelingen zijn dan evenzovele verschijningsvormen van dat Genadeverbond. Charles Hodge spreekt van vijf bedelingen (van Adam tot Abraham, van Abraham tot Mozes, van Mozes tot Christus en van Christus tot het einde). Louis Berkhof spreekt echter van maar twee bedelingen: die van het Oude Testament en die van het Nieuwe Testament. Er is in deze opvatting in feite geen sprake van een verandering van ‘bestuur’, maar eerder een verandering die in het Oude het karakter heeft van verwachting en in het Nieuwe die van vervulling.

De bedelingenleer, het dispensationalisme, daarentegen ziet juist wel een verandering van bestuur door God in de opeenvolgende fasen van de (heils)geschiedenis. Dit denken is met name gepopulariseerd door de Scofield Reference Bible, samengesteld door dr. Cyrus Ingerson Scofield (1843-1921). Deze geeft de volgende definitie van een bedeling: "Een bedeling is een tijdsperiode, gedurende welke de mens wordt getest op gehoorzaamheid aan een specifieke openbaring van de wil van God". En vervolgens onderscheidt hij zeven van zulke perioden. Vóór Scofield was het met name John Nelson Darby (1800-1882), ‘grondlegger’ van de ‘Vergadering van Gelovigen’, die de verschillende dispensationele benaderingen in een systematische vorm had georganiseerd. Zijn visie ten aanzien van bedelingen heeft een groot deel van de (evangelische) christenheid sterk beïnvloed, tot op de dag van vandaag.

Het bezwaar van Verbondstheologen ten opzichte van de bedelingenleer, is dat naar hun mening dat Scofield twee heilswegen zou worden geleerd: heil op grond van het houden van de Wet (werken) en heil op grond van geloof (genade). Maar latere aanhangers van bedelingenleer hebben betoogd dat in alle bedelingen behoudenis alleen is op grond van genade. Andere bezwaren die tegen de bedelingenleer worden aangevoerd is dat het de Bijbel in verschillende perioden indeelt en daarmee de eenheid van de Schrift loslaat. Echter, de meeste dispensationalisten maken geen scherpe cesuren tussen de bedelingen en zien de ene bedeling geleidelijke overvloeien in de volgende bedeling. Hook (p. 144): “Het resulterende proces is dat van traptreden waarbij elke regeling voortbouwt op de vorige, soms eraan ontleent en meestal eraan toevoegt. Terwijl er dus, zodoende, altijd een manifestatie van de genade van God is, stelt de dispensationalist dat de tegenwoordige eeuw gekarakteriseerd wordt door genade, terwijl de vorige beter beschreven kan worden in termen van Wet.”

Andere bedelingenschrijvers benadrukken niet zozeer het tijdsaspect van een bedeling, maar veel meer het karakter. Zo schrijft H.A. Ironside (In the Heavenlies, p. 67)[2]: “Er zijn verschillende stelsels in het Woord van God. Een bedeling, een stelsel, dan is een bijzondere orde of toestand van dingen die in een bepaalde tijdsperiode de overhand heeft die niet noodzakelijkerwijs in een andere de overhand heeft.”

Dat God in verschillende tijden op verschillende wijzen handelt en dat de verantwoordelijkheid van de mens in verschillende perioden verschillend kan zijn, is de grondgedachte bij het denken in ‘bedelingen’. Basisidee is verder, volgens de aanhangers van de bedelingenleer[3], dat als we als we niet de verdelingen in Gods Woord aanhouden, we daarmee zaken niet in de juiste categorieën onderbrengen en daarmee het Woord van God misverstaan of zelfs beticht kunnen worden van het verkondigen van het verkondigen van valse leer.

Mits met enige voorzichtigheid, kan het denken vanuit bedelingen behulpzaam zijn bij het verstaan van de Bijbel. Ironside zegt hierover: ‘Deze lijn van onderwijs, zolang ze binnen Schriftuurlijke grenzen blijft, kan slechts tot grote zegen zijn voor de eenvoudige onderzoeker van het Woord van God, die het verlangen heeft Zijn wil of plan te kennen in Zijn betrekkingen met mensen vanaf de schepping tot de komende heerlijkheid”.

Bedelingen, welke?

In de Verbondstheologie onderscheidt men (1) het Verbond van de Verlossing, die men plaatst vóór de schepping. Het gaat daar om de bereidwilligheid van de Zoon om in volmaakte gehoorzaam te zijn aan de Vader, tot aan de dood. En de bereidwilligheid van de Vader die de Zoon belooft dat aan al Zijn behoeften voldaan zal worden, dat de Heilige Geest aan de Gemeente geschonken zal worden, redding aan alle gelovigen en verheerlijking van hen met de Zoon; (2) het Verbond van de werken, die van de schepping tot aan de zondeval gerekend wordt. De mens dient God te gehoorzamen, God beloont gehoorzaamheid met eeuwig leven maar straft ongehoorzaamheid met de dood; (3) het Verbond van de genade, die duurt van de zondeval tot aan de wederkomst van Christus. Voorwaarde voor de mens: geloven tot behoudenis, zich uitend in gehoorzaamheid. Gods antwoord: redding in alle fasen.

De meeste simpele bedelingenleer onderscheidt drie bedelingen: die van de heerschappij van de Wet (verleden), die van de heerschappij van de Genade (heden) en die van het Messiaanse Koninkrijk (toekomst). De meer traditionele indeling van de bedelingen is die naar Scofield. Daarin worden zeven bedelingen onderscheiden: 1. Onschuld (van schepping tot Zondeval); 2. Geweten (van Zondeval tot Zondvloed); 3. Menselijk bestuur (van Zondvloed tot spraakverwarring in Babel (Noachitische wet)); 4. Belofte (van de Roeping van Abraham (direct na spraakverwarring) tot de Wet); 5. Wet (van de instelling van de Wet, op de Sinaï, tot de dood van Christus); 6. Genade (van de opstanding tot de wederkomst van Christus); 7. Het Messiaanse Vrederijk of Duizendjarige rijk (van Wederkomst tot het laatste oordeel). Elk van de bedelingen begint met het aanbod van zegen van Gods kant en eindigt met het falen van de mens om aan Gods voorwaarden te voldoen, resulterend in het goddelijk oordeel.

Ultrabedelingenleer

Vertegenwoordigers van de verbondstheologie en die van de bedelingenleer, kunnen, ondanks alle (accent)verschillen, tegenwoordig vaak nog wel door één deur. Dat geldt niet voor de meer extreme vertegenwoordigers van beide zijden. Ouweneel onderscheidt in zijn boek Israël en de Kerk naast gematigde vertegenwoordigers ook extreme vertegenwoordigers aan beide kanten (door hem afgekort tot respectievelijk GB en GV versus EB en EV[4]). Hij stelt hen in dit boek tegenover elkaar met betrekking tot de vraag of er nu één of twee volken van God zijn.

In de ultrabedelingenleer worden er nog (veel) méér bedelingen onderscheiden[5]. Men doet dit met een beroep op 2 Tim. 2:15 ‘Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid’. De statenvertaling vertaalt hier: ‘die het Woord der waarheid recht snijdt’. Recht snijden: daaronder wordt door de ultradispensationalisten dan verstaan het aanbrengen van de juiste bedelingen. In Nederland wordt de ultrabedelingenleer (in meerdere of in mindere mate) vertegenwoordigd en gepromoot door de Gemeenten van Eben Haëzer te Rotterdam, Eben Haëzer te Leiden, Het Morgenrood, uitgeverij Everread en Stichting Verkondig het Woord (uitgever van het tijdschrift ‘Amen’).

Achtergrond ultradispensationalisme

Het ‘ultra-dispensationalisme’ heeft zijn oorsprong in de bediening van Ethelbert William Bullinger (1837-1913)[6]. Bullinger leerde dat alleen de gevangenisbrieven van Paulus, door hem geschreven na de Handelingenperiode, beschouwd kunnen worden als leer voor Christenen. Verder dat het Lichaam zoals dat in het boek van de Handelingen wordt aangetroffen niet hetzelfde is als het Lichaam dat genoemd wordt in Efeze 2 en 3. En tevens stelde hij dat het ‘geheimenis’ dat Paulus noemt in Efeze 2 en 3 pas na Handelingen 28 realiteit werd. In zijn bedelingenschema plaatst Bullinger twee bedelingen tussen Pinksteren en het eind van de gemeentelijke periode. Kenmerkend is dat men de Gemeente pas bij Handelingen 28 laat beginnen.

De opvolger van Bullinger was Charles H. Welch uit Londen. Deze 'verfijnde' de leer verder (anderen zouden zeggen: maakte deze leer nog extremer) en bracht nog meer verdelingen aan in de bedelingen zoals Bullinger die gedefinieerd had aan. In Amerika was A.E. Knoch, bekend van de ‘Concordante Vertaling’, een verspreider van deze extremere variant. Knoch koppelde daar ook een eigen theologie aan (alverzoeningsvariant). Hij verdeelde Paulus' bediening in vier bedelingen.

De ultradispensationalisten[7]De verschillen tussen de diverse ultradispensationalisten betreffen verschillen over de hoop van de gemeente, wel of geen aparte val van satan, wel of geen alverzoening en onderscheiden opvattingen over de zieleslaap of tussentoestand.[8] Ze kunnen worden onderverdeeld naar dat hun houding is ten opzichte van het boek Handelingen: zijn er dan ook in soorten en maten.

1. De Handelingen 28 dispensationalisten; zij geloven dat de uitspraak van Paulus aan het einde van het boek Handelingen tegen de Joodse leiders het beginpunt vormt van de Gemeente. In dat hoofdstuk, aldus deze dispensationalisten, verwierp Israël het Koninkrijk van God en ging Gods heil vervolgens naar de heidenen (Handelingen 28:26-28). Dat leggen zij uit als een verandering van bedeling. Pas na Handelingen 28 ontstaat de Gemeente waarin heidenen en joden samen op grond van geloof in Christus worden samengevoegd. Paulus maakte dat ‘geheimenis’ (zie Efeze 3:3-6) ook pas bekend in zijn ‘gevangenisbrieven’. Die brieven zijn van latere datum in de geschiedenis van Paulus. De eerdere brieven die Paulus schreef (1 en 2 Thessalonicenzen, 1 en 2 Korinthiërs, Galaten en Romeinen; en volgens sommigen ook: Hebreeën) hadden dan ook geen betrekking op de Gemeente, zoals hierboven genoemd, maar op een ‘Joodse Gemeente’. Dat wat Paulus aan hen schreef kan dan ook niet zomaar van toepassing zijn op de Gemeente, zoals die na Handelingen 28 – als het ware met Paulus’ tweede bediening – geldt. Bullinger onderscheidde al (1) de Evangeliën, waar Christus het Koninkrijk aanbood en het binnengaan daarvan geschiedde door de waterdoop; (2) de Handelingen en de vroege brieven van Paulus, waar de apostelen de Joden deelname aan de Bruidsgemeente aanboden, waartoe twee dopen nodig waren: de waterdoop en de Geestesdoop; en (3) de eenheid van Jood en Heiden in het ene Lichaam van Christus. ‘Toegang’ daartoe geschiedde uitsluitend op grond van de doop met de Heilige Geest. Waterdoop was dus van voorbijgaande betekenis.

2. Er zijn ook ultradispensationalisten die de cesuur voor het begin van de Gemeente als Lichaam van Christus wat eerder leggen, namelijk ergens in het midden van de Handelingen: hetzij Handelingen 9 (bekering van Paulus), hetzij Handelingen 13 (de zending van Paulus naar de Joden en heidenen (13:2) óf zelfs Handelingen 15 (de opdracht van Jacobus aan Paulus om naar de heidenen te gaan). De aanhangers van deze positie geloven in het geheel van de Schrift, maar beschouwen de algemene brieven (Jacobus tot en met Judas) niet in z’n geheel van toepassing op de gemeente vandaag, maar veel meer op het toekomstige Israël als dat zich bekeert gedurende de Grote Verdrukking.

 

Wat beide posities in ieder geval gemeen hebben, is dat er direct na Handelingen 2 klaarblijkelijk sprake is van gelovigen in Christus die een nogal aparte positie innemen: ze behoren namelijk niet tot het Lichaam van Christus, want die werd pas later, zo stellen deze voorstanders, aan Paulus geopenbaard en was direct na Handelingen 2 nog niet bekend. De terechte vraag is dan natuurlijk wel: tot welke groep gelovigen behoorden zij dan? Hausoul geeft in een schema de verschillen aan tussen de richtingen van het dispensationalisme:

 

Omschrijving

Richtingen in het dispensationalisme

‘Normaal’

‘Ultra’

‘Gematigd’[9]

Wanneer begon de gemeente op aarde?

Hand. 2

Hand. 28

Vóór Hand. 28

Waar is de overgang tussen ‘joden’ en ‘heidengemeente’?

Nergens

Hd2-Hd28

Hd2-Hd13

Geldt het avondmaal voor de NT Gemeente?

Ja

Nee

Ja

Geldt de doop voor de NT Gemeente?

Ja

Nee

Nee

Welke Bijbelboeken gelden voor de NT Gemeente?

Alle

Gevangenisbrieven

Alle Paulusbrieven

Verschillen Paulus’ vroege en late bediening van elkaar?

Nee

Ja

Ja

 

Zes posities ultra bedelingenleer

Ironside noemt in zijn klassieke kritiek op het ultradispensationalisme ‘Wrongly Diving the Word of Truth; ultra-Dispensationalism Examined in the Light of the Holy Scriptures’ (De Schrift verkeerd snijden; het ultradispensationalisme onderzocht in het Licht van de Schrift) zes posities die door aanhangers van de ultrabedelingenleer (UD) worden ingenomen:

  1. De vier evangeliën zijn puur Joods en hebben geen boodschap voor de Gemeente, het Lichaam van Christus.
  2. De Handelingen zijn een overgangsperiode tussen de bedeling van de Wet en de bedeling van het Geheimenis. We hebben daarin niet de Gemeente, maar slechts de vroege Kerk als een aspect van het Koninkrijk en is niet hetzelfde als het Lichaam van Christus.
  3. Paulus ontving de openbaring van het Lichaam pas, aldus de voorstanders, tijdens zijn gevangenschap in Rome. En alleen zijn gevangenschapsbrieven openbaren die waarheid en vormen strikt genomen het enige deel van de Schrift dat aan de leden van het Lichaam gegeven is.
  4. Het gehele boek Openbaring heeft met de komende eeuw te maken en heeft geen verwijzing naar de Gemeente vandaag, zelfs niet hoofdstuk 2 en 3. Daar zou het gaan om joodse kerken ten tijde van de Grote Verdrukking.
  5. Er is verschil tussen het Lichaam van Christus en de Bruid van het Lam. Het laatste zou Joods zijn.
  6. De christelijke verordeningen voordat Paulus de openbaring van het geheimenis kreeg, hebben geen verbinding met de huidige bedeling en behoren tot het verleden of hebben een plaats in de toekomst ten tijde van de Grote Verdrukking. Het betreft hier zeker de doop en vaak ook het avondmaal.

 

Deze posities worden hieronder naar aanleiding van wat Ironside daarover opmerkt, wat verder uitgewerkt.

 

Evangeliën zijn puur joods

De vier evangeliën zijn puur joods, horen bij een voorbijgegane dispensatie en zijn daarom niet van toepassing op de huidige bedeling, aldus de UD-aanhangers. Dit stellen zij vooral op grond van Romeinen 15:8 ‘Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen.’ Maar, zegt Ironside, er is een naadloze overgang van het OT naar het NT, zoals dit hoofdstuk laat zien, laat staan de overgang van de Evangeliën naar de rest van het NT. In Mattheus 16 spreekt de Here Jezus al over de Gemeente en over de tucht binnen de (plaatselijke) gemeente (Mattheus 18) en de terzijdestelling van Israël (Mattheus 23)[10]. Paulus zegt Timotheus dat iemand die zich niet voegt naar de gezonde woorden van onze Here Jezus Christus opgeblazen is, onwetend, een bron van slechte dingen (1 Timotheus 6:3-5). Dus”: de woorden van de Here Jezus hebben ook voor de christen anno nu zeggingskracht. Verder: de grote opdracht in Marcus 16 beperkt zich niet tot het Jodendom, maar betreft de hele wereld. Ironside: “Het is een verkeerd snijden van het Woord der Waarheid, dat Christenen zoekt te beroven van de kostbare onderwijzing van de Here Jezus in de vier Evangeliën, hoewel ten volle hun dispensationele plaats erkennend. Het is een belediging van Christelijke zending overal om de grote opdracht voor de huidige tijd ter zijde te stellen.”

 

De Handelingen zijn een overgangsperiode

De stelling van de UD-aanhangers is dat de Gemeente zoals we die aantreffen in de Handelingen van een lagere orde is dan de Gemeente die we vinden in de brief aan de Efeziërs. Maar, de Here Jezus had al gesproken over de doop met de Heilige Geest (Handelingen 1:5) en dat gebeurde op de pinksterdag. Op grond van 1 Corinthiërs 12:12-13 kun je niet anders concluderen dat door de doop in de Heilige Geest de gemeente gevormd (vergelijk Efeze 4:4). Na de komst van de Heilige Geest moesten de apostelen het evangelie brengen in Judea en Samaria tot het uiterste der aarde (Handelingen 1:8)! En Handelingen laat die voortgang ook zien. Er was dus direct na de uitstorting van de Heilige Geest een gemeente. Paulus kon van zichzelf zeggen dat hij de gemeente van God vervolgd had (Galaten 1:13; 1 Corinthiërs 15:9). Nergens lezen we bij Paulus dat hij een onderscheid maakte tussen de ene Gemeente en de andere Gemeente. Paulus had de gehele raad van God aan de oudsten van Efeze verteld (Handelingen 20: 27-28). Ironside: “Er is niet de minste aanwijzing van een gedeeltelijke openbaring, noch van een overgangsperiode, maar ze hadden alles al wat ze nodig hadden om hen te bewaren tot de komst van de Here Jezus Christus”.

 

Openbaring van het Lichaam

Dit punt is heel centraal in het denken van de UD. Wanneer begon het Lichaam? Sommigen van de UD-aanhangers zeggen dat het Lichaam van Christus wel in de gedachten van God was vóór Handelingen 9 maar nog geen werkelijkheid was totdat het aan Paulus geopenbaard werd’. Ofwel: iets kan in hun optiek pas geopenbaard worden als het realiteit is. Paulus diende, volgens de UD-aanhangers, in twee bedelingen. Hij had dus twee bedieningen.[11]Hem nu, die bij machte is u te versterken - naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen,maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekendgemaakt onder alle volken -Hem, de alleen wijze God, zij, door Jezus Christus, de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen’. De eerste bediening van Paulus vanaf Hand. 9 en 13 is voor Joden en heidenen, in aansluiting op de zegen van Abraham (Galaten 3:8). Deze bediening schaart men onder ‘de hemelse sfeer’. De tweede bediening van Paulus, ná Handelingen 28, is dan het evangelie ‘van de genade’ of ‘de verborgenheid’. Dit geheimenis zou exclusief aan Paulus geopenbaard zijn. Het is een dienst aan heidenen. Dit duidt men dan aan met ‘de overhemelse sfeer’. De Gemeente, die Zijn Lichaam is (Efeze 1:22) beschouwt men dan als een gemeente dan die genoemd wordt in Romeinen 12 en 1 Corinthiers 12 en die daar vergeleken wordt met een lichaam. De openbaring van het Lichaam geschiedde volgens de UD pas tijdens Paulus’ gevangenschap. Maar al in Romeinen 16 vanaf vers 25 spreekt Paulus: ‘

Kortom, ál de prediking van Paulus was in overeenstemming met het geheimenis.[12] Paulus kreeg de openbaring van het Lichaam al in Handelingen 9, toen de Here Jezus sprak: ‘Wat vervolg je Mij?’ Al in de Handelingen werden gelovigen toegevoegd, niet aan een andere groep, maar aan de Heer! (5:14; 11:22-24). Hetzelfde geldt in 1 Corinthiërs 12 waar wordt gesproken over het Lichaam, ruim vóór de gevangenschap van Paulus. Het geheimenis was ook niet alleen bekend gemaakt aan Paulus, maar aan alle apostelen (zie Efeze 3:5)! Het gaat in Efeze niet puur en alleen om het aspect van het Lichaam, maar om het feit dat joden en heidenen samengaan. En dát was al geopenbaard aan Johannes in zijn evangelie (Johannes 10:16). Petrus wist het ook (Handelingen 10:34 en verder).

Paulus schrijft in Romeinen 16:7: “Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen onder de apostelen in aanzien, die reeds vóór mij in Christus geweest zijn’. ‘Die reeds voor mij in Christus zijn geweest’. Ofwel: voordat Paulus tot geloof was gekomen, waren genoemde personen al in Christus; en dat is een Paulinische uitdrukking voor deel uitmaken van het Lichaam van Christus. Of je moet onderscheid maken – en sommige UD-aanhangers doen dat – tussen ‘in Christus zijn’ en tot het Lichaam van Christus behoren.

 

Andere brieven

In de Filippenzenbrief, geschreven tijdens Paulus’ gevangenschap, vinden we niets van een nieuwe openbaring. De brief aan Titus en 2 Timotheus zijn later geschreven, maar ook in die brieven vinden we niets van een zogenaamde ‘overgangsperiode’, van een periode die nu voorbij zou zijn en van een nieuwe dispensatie die zou zijn aangebroken. Dezelfde boodschap die Paulus al eerder bracht, wordt ook hier gebracht. Hetzelfde geldt voor zijn brief aan Filémon. Hebreeën, waarschijnlijk eveneens geschreven door Paulus, noemt de overgangsperiode evenmin. Op grond van 2 Petrus 3:15,16 kan geconcludeerd worden dat alle brieven van Paulus al in circulatie waren. Noch in de andere brieven die veel later dan Paulus zijn geschreven (zoals de brieven van Johannes) tonen iets van de verandering in de prediking van Paulus. Johannes verwijst de lezers terug naar de Here Jezus en Zijn prediking.

Overigens, hoe kunnen de UD-aanhangers zo zeker zijn welke brief bij welke periode hoort? Immers, dat is een wezenlijk principe van hun denken. Als de datering van die brieven niet precies vast te stellen is, kan het dus voorkomen dat bepaalde brieven als geldend voor de Gemeente worden voorgesteld die dat feitelijk niet zijn (uitgaande van hún denken vanzelfsprekend!).

 

Lichaam van Christus, Bruid van het Lam

De UD-aanhangers ontkennen dat de Gemeente tegelijkertijd Lichaam van Christus én Bruid van het Lam kunnen zijn. Ze gaan echter uit van de foutieve veronderstelling dat beelden altijd met elkaar verenigbaar moeten zijn. Ze verdisconteren niet de aard van het beeld. Volgens Efeze 2:19-22 is de Gemeente gebouwd op de apostelen en de profeten. Maar als die apostelen en profeten bij de vorige bedeling horen, waarop is de Gemeente dan gebouwd? In de vergelijking die Paulus in Efeze 5 maakt van de man en de vrouw als beeld van Christus en de Gemeente, wordt van de vrouw gezegd dat de man haar lief dient te hebben als zijn eigen lichaam. Er is geen sprake van ‘spirituele polygamie’ van de kant van God als ook Israël wordt voorgesteld als bruid.

 

Specifieke christelijke verordeningen hebben geen plaats in de huidige bedeling

Onder de UD-aanhangers is er negatieve visie ten aanzien van doop en avondmaal.[13] Volgens Bullinger hadden doop en avondmaal alleen te maken met het ‘vlees’ en zouden die dan ook geen plaats moeten hebben in de Gemeente, die immers ‘van de Geest’ is. Waterdoop hoort niet bij ‘deze eeuw’ en is voor de christelijke gemeente vervangen door de doop met de Heilige Geest (1 Cor. 12:13; Ef. 4:4-6). Ten aanzien van het avondmaal: de meeste UD-aanhangers praktiseren die nog wel, enkelen doen dat echter niet op grond van Paulus’ brieven waar hij schrijft dat wij niet langer met ‘inzettingen’ van doen hebben (Ef. 2:15; Col. 2:14, 20).[14] Je zou de UD hier bijna kunnen verdenken van Grieks (lees: on-Bijbelse) denken, waarbij het fysieke wordt gezien als ondergeschikt aan en minderwaardig ten opzichte van het geestelijke.

Ten aanzien van dopen, ontlenen UD-aanhangers ook nog een argument aan het feit dat Paulus zegt (1 Korinthiërs 1:17): ‘Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen’. Maar het feit dat Paulus daar niet toe geroepen was, betekent niet dat hij het niet dééd. Dat blijkt wel uit de verzen die er direct aan voorafgaan (zie ook Handelingen 16:33, 18:8). En hij werd zelf gedoopt (Handelingen 9:18).


Alverzoening?

Onder sommige aanhangers van het UD is er een duidelijke neiging tot alverzoening. Bullinger zweeg over de uiteindelijke staat van de verlorenen maar zijn opvolger Charles Welch was aanhangers van het zogenaamde annihilationisme, de leer dat uiteindelijk de ongelovigen en de duivel en zijn trawanten vernietigd zullen worden. Dus er is geen eeuwige straf voor deze categorie. Jildert de Boer schrijft: ‘Voor zover ik heb kunnen nagaan was de Duitse Amerikaan A.E. Knoch (1874-1965) de eerste die de bedelingen- en aionenleer liet uitmonden in alverzoening. Knoch is bekend van de "Concordant Version of the sacred Scriptures" (1926), waarvan het Oude Testament onvoltooid bleef’. In Nederland zijn G.J. Pauptit en S. van Mierlo met hun blad ‘Uit de Schriften’ (later: Bijbels denken’) navolgers. De eerste neigde tot alverzoening, de tweede was voorzichtiger. Op dit moment is de Eben Haëzer gemeente in Rotterdam een exponent van deze leer.

Ironside: “Sommige van de leringen van dr Bullinger zijn in lijnrechte tegenspraak met dat wat als orthodoxe leer algemeen aanvaard is. Bijvoorbeeld: de zieleslaap tussen dood en opstanding. En het is veelbetekenend dat waar hij zelf zich klaarblijkelijk niet volledig bindt aan een eschatologische positie wat betreft de uiteindelijke staat van de ongelovigen, zijn navolgers in Groot Brittannië de weg van het annihilationisme zijn gegaan, en er is een aanzienlijke school in Amerika die met zijn leringen begon en nu restorationists (‘herstellers’) van het meest brede type zijn, die de universele verzoening leren dat volgens hen de uiteindelijke redding niet alleen van mensen maar ook van satan en de gevallen engelen insluit.”

 

Slot

De Bijbel als geheel is ons gegeven. Paulus schrijft (Rom. 15:4):‘Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden’. En verder schrijft hij ook nog (1 Cor. 10:6,11): ‘Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden [...] Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is’. Ook wat de Here Jezus zei en deed en wat opgetekend is in de Evangeliën. Ironside: ‘Geestelijke principes veranderen nooit; zedelijke verantwoordelijkheid verandert nooit, en de gelovige die God wil verheerlijken in de huidige eeuw moet de genade vertonen die in Christus gezien werd, toen Hij hier op aarde wandelde gedurende de eeuw die nu voorbij is.”

En wat betreft de Gemeente: die is op grond van 1 Cor. 12:13 begonnen door de doop in de Heilige Geest, en dat is op de Pinksterdag (o.g.v. de voorzegging van de Here Jezus! Vgl. Hd. 1:5). Het feit hiervan is niet hetzelfde als de openbaring ervan. Het feit was er, de openbaring ervan (nl. het Lichaam van Christus) gebeurde later. Verder: Paulus schrijft aan de gemeente die hij vroeger vervolgde (dat is dus dezelfde gemeente!) Zie Gal. 1:13; 1 Kor. 15:9; Fil. 3:6; vgl. Hd. 9:4; Rom. 10:13.

Ironside oordeelt zeer scherp over de ultrabedelingenleer: “Ik heb de laatste veertig jaar het Bullingerisme[15], zoals geleerd door velen, van nabij meegemaakt en ik aarzel niet om te zeggen dat de vruchten ervan boos zijn. Het heeft gezorgd voor een enorme oogst aan ketterijen in de lengte en breedte van dit land en van andere landen, het heeft christenen verdeeld en talloze kerken en gemeenten verwoest, het heeft bij haar vereerders geleid tot zulk een afschuwelijke intellectuele en geestelijke hoogmoed, dat zij met de grootste verachting neerkijken op christenen die hun eigenaardige denkbeelden niet aanvaarden. En in de meeste gevallen waar het getolereerd werd, heeft het de Evangelieverkondiging thuis gesmoord en tweedracht op de zendingsvelden veroorzaakt. Deze zaken verbonden met dit systeem zijn zo waar. Dat ik niet aarzel om te zeggen dat het een absolute satanische perversie van de waarheid is’.

Scherpe woorden, maar goed om in acht te nemen. Laten van ons niet gezegd kunnen worden wat de Here Jezus van de Farizeeën zegt (Marcus 7:13): ‘En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele’. Laat het totale Woord van God voor ons een lamp zijn voor onze voet en een licht op ons pad.

drs. F.S.L. Koopmans

 

Literatuur

Harry Ironside (z.j.), Wrongly Diving the Word of Truth; ultra-Dispensationalism Examined in the Light of the Holy Scriptures

H.P. Hook (1975), Dispensation, in: Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible, Vol. 2, pp. 142-145

Willem J. Ouweneel (1991), Israël en de Kerk ofwel: Eén of twee volken van God? Confrontatie van de verbondsleer en de bedelingenleer, Medema, Vaassen

Jilder de Boer (2000), De Schrift recht snijden, Harderwijk

D.T. Brinkman (2007), Het Ultra-Dispensationalisme, http://www.internetbijbelcursus.nl

A.W. Pink (z.j.), A Study of Dispensationalism

Raymond R. Hausoul (2007), Richtingen in het dispensationalisme,

http://www.vergadering.nu/dispensationalisme-richtingen.pdf

 



[1] Geciteerd in H.P. Hook, Dispensation, in: ZPEB, vol. 2, p. 142

[2] Geciteerd in H.P. Hook, Dispensation, in: ZPEB, vol. 2, p. 143

[3] Er is overigens geen sprake van ‘dé’ bedelingenleer. De bedelingenleer kent zeer vele varianten, zoals de rest van het artikel ook zal aantonen.

[4] Die respectievelijk staan voor Gematigde Bedelingenleer en Gematige Verbondsleer versus Extreme Bedelingenleer en Extreme Verbondsleer.

[5] Sommige uitleggers komen tot een een bedelingenleer die de Schrift in wel ca. 70 bedelingen verdeeld!

[6] De ultrabedelingenleer wordt dan ook wel Bullingerism genoemd. Bullinger werd opgeleid aan het King's College in Londen en was een anglicaans geestelijke. Hij produceerde 77 werken waaronder de ‘Critical Lexicon and Concordance to the Greek New Testament’ en de -redelijk bekende- ‘Companion Bible’. Hij was een geleerde en begaafd musicus.

[7] Andere term: hyperdispensationalisten

[8] De Boer: ‘Er zijn in de ultra-bedelingenstromingen vrijzinnige denkers, die vraagtekens plaatsen bij of vaag spreken over de goddelijke inspiratie van de Bijbel, maar velen denken fundamentalistisch-biblicistisch. Onder de laatsten zijn er die het als een verloochenen van Christus beschouwen als je de zogenaamde verborgenheid van Hand. 28:28 (er)kent, maar de gevolgen daarvan niet wenst te trekken door deze openlijk te prediken.’

[9] Dit is niet dezelfde groep aanhangers van de ‘gematigde’ bedelingenleer waarvan Ouweneel spreekt. Het gaat hier om een, wat ik maar zal noemen, ‘semi-ultrabedelingenleer’.

[10] Die overigens door ultradispensationalisten niet als de definitieve terzijdestelling wordt beschouwd. Israël krijgt nog een kans in de Handelingen en pas na Handelingen 28 volgt de definitieve terzijdestelling.

[11] De bediening van de apostelen der besnijdenis voor Israël noemt men ‘de aardse sfeer’.

[12] Volgens sommige UD zijn deze laatste drie verzen pas later aan de brief toegevoegd (zo Ironside).

[13] Maar verder betreft het tevens: geen tekenen en wonderen meer gelden, gaven van de Heilige Geest, als tongentaal en genezing (die zijn niet meer voor deze tijd), handoplegging en zalving met olie.

[14] Er worden in deze teksten twee verschillende Griekse woorden gebruikt die met ‘inzettingen’ vertaald kunnen worden. Maar geen van beide woorden wordt in de Schrift gebruikt om te verwijzen naar doop of avondmaal.

[15] Een andere naam voor het ultradispensationalisme.

 

:© Copyright: 

Met toestemming overgenomen uit TijdSchrift, Magazine voor Pastoraat, Gezin en Gemeenteopbouw, 17de jaargang, nr. 78, p. 11-17. www.pastoralecounseling.org

 


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Bijbelstudie: geestelijke kennis