Jezus, God die mens geworden is.

 

 jezus(© ) Jezus, God die mens geworden is.

   door Gerard Feller

 

(Fragmenten uit: ‘De Christus der Schriften, de Here der Heerlijkheid’ geschreven door Otto Borchert, 1924)

 Inhoud:

Jezus, God die mens geworden is

Jezus , moedig en sterk

Jezus, radicale uitspraken

Jezus , fijngevoelige ziel

Jezus , vriendelijkheid

Jezus, tegenstellingen in eenheid

Jezus, relatie met God

Jezus, vroomheid

Jezus,vreugde

Jezus, gebedsleven

Jezus, bidden en ontvangen

Jezus, gebed en offer

Jezus, weergaloze wijsheid

Jezus, als openbare spreker

Jezus in gesprek met de enkeling

Jezus als dichter

Jezus en zijn gelijkenissen

Jezus als denker

Jezus als psycholoog,pedagoog en volmaakt mens

Jezus en de Bijbel

Jezus als schriftgeleerde

Jezus en de natuurlijke wereld

Jezus, de waarachtige

Jezus, de liefdevolle

Jezus, wonderen

Jezus, de profeet

Jezus welsprekendheid

Jezus Fijngevoeligheid

 

 

 Jezus, God die mens geworden is. (1)

We willen enkele artikelen plaatsen over de persoon en de karaktertrekken van Jezus als mens. Hij is volkomen God en volkomen mens. Het kan een steun in het pastoraat zijn, als confidenten zich verdiepen in het volmaakte leven van Jezus als mens en Heer. God blijft niet abstract, maar is ook kenbaar in de ziel, de persoonlijkheid van Jezus. In deze studie wordt bijvoorbeeld ook gewezen op het verschil met Boeddha en Confucius. Natuurlijk kan Jezus alleen gekend worden door de Heilige Geest en via de geestelijke wetten en ordeningen, zoals die ook in de Bijbel verwoord worden. Hij is de God, die mens geworden is, het beeld van God de onzichtbare. Of zoals de Hebreeënbrief ons zegt: “Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft Hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die Hij heeft aangewezen als enige erfgenaam en door wie Hij de wereld heeft geschapen. In hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld”.

Jezus is moedig en sterk
Jezus was en is een sterke man. Hij was een moedig mens. Zijn vijanden getuigden hiervan. Matt. 22: 16 zegt: “We weten dat U zich aan niemand iets gelegen laat liggen, U kijkt immers niemand naar de ogen”. Hij is de koning der waarheid (Joh. 18:37). Hij heeft zo’n sterke zin voor waarheid en werkelijkheid, dat Hij ten allen tijde onverbiddelijk ten strijde kon trekken, als Hij dat wilde.
Ofschoon Hij weet dat op sabbatschennis de doodstraf staat (Ex. 31:15) tart Hij de machtige Farizeeërs met genezing op de sabbat (Luk. 14:1-4). Of nog sterker: Hij zegt tegen de man met de verlamde hand: ”Kom in het midden staan”, om vervolgens te vragen: “Wat mag men op de sabbat doen, goed of kwaad?” (Marc. 3:3,4 en Luk. 6:11). De Schriftgeleerden en Farizeeërs raakten buiten zichzelf van woede en overlegden, hoe hem om te brengen.

Op een andere plaats (Marc. 8:11,13) zeggen de huichelachtige Farizeeën en Sadduceeën hem toe, in hem te geloven als Hij een teken uit de hemel laat zien. Maar zonder angst keert Hij zich af van degenen die, naar de mens gezien, zijn lot in handen hadden. En wanneer zij op huichelachtige wijze hem vragen of het toegestaan is aan de keizer belasting te betalen, scheldt Hij ze ten aanzien van het hele volk uit voor huichelaars, en ontkent Hij onverschrokken het recht op opstand, hoewel Hij daarmee ook bij het volk, de op hem gestelde hoop de bodem inslaat, met alle gevolgen voor zichzelf (Matt. 22:18,21). Het beste en bijna ongelooflijke bewijs voor zijn moed is dat Hij tegen de hogepriester en oudsten zegt bij hun gebrek aan berouw: De tollenaars en hoeren zullen u voorgaan in het koninkrijk Gods (Matt. 21:31). Jezus kende in zijn gehele leven, in zijn optreden niets wat naar angst riekte. Hij manipuleerde de mensen niet. Hij leefde aan de buitenkant hetzelfde als aan de binnenkant.

Toen Hij in het huis van Zacharias kwam, zette Hij zijn populariteit op het spel (Luk. 19:5) en toen Hij zelfs een tollenaar tot apostel riep was dit een heldendaad (Matt. 9:9). Als Jezus bij de Farizeeërs voor de maaltijd is uitgenodigd, weet hij dat men nauwkeurig op hem let, maar dat leidt er niet toe dat Hij aan het religieus belangrijk geachte handenwassen ritueel meedoet (Luk. 11:38). Hij blijft zichzelf, zelfs met het risico dat men hem een veelvraat of dronkaard noemde (Matt. 11:19). Hij heeft het hart op de tong. Hij spreekt de scherpste bewoordingen, de heftigste verwijten en de zwaarste beschuldigingen uit, zonder enige terughoudendheid of hang naar zelfbehoud. Hij neemt geen blad voor zijn mond, zelfs niet voor koning Herodes (Luk. 13:32). Je zou kunnen zeggen dat Hij licht ontvlambaar was, maar Hij is veeleer volkomen oprecht.

Jezus kende geen angst voor het lijden, zoals Boeddha dat kende. Jezus kon sterven.
Hij heeft zijn moed aan het kruis bewezen, tot de laatste triomfantelijke kreet: “Het is volbracht” (Joh. 19:30). Bij veel mensen lijkt iets soms veel op ware moed, maar vaak is het echter onwetendheid ten aanzien van het gevaar. Jezus, echter kende ieder gevaar en was hierop bedacht, maar het nam hem nooit helemaal in beslag. Het is opmerkelijk hoe Marcus de triomfantelijke intocht in Jeruzalem op ‘palmpasen’ beschrijft. Moedig en openlijk wandelt Jezus op weg, terwijl Hij weet welk een vreselijk lijden hem te wachten staat. De discipelen volgen hem aarzelend. Jezus doet heel beslist de volgende stap (Marc. 10:32).
Het hele levenswerk van Jezus wordt gekenmerkt door zijn manlijke, heldhaftige en moedige aanvallen op de vijandelijke overmacht. Dit deed Hij echter niet op een agressieve wijze. Nooit heeft Hij zich tevreden gesteld met alleen maar zijn eigen ‘hachje’ redden. Maar Hij zei: “Wie niet met mij is, is tegen mij en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen” (Matt. 12:30). Hijdeed dit zelfs tegenover Pilatus (Joh. 18:37).

Jezus had een volmaakte natuur en was bereid ten strijde te trekken om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3:8). en Hij was het die openlijk uitsprak, dat Hij gekomen was om het zwaard te brengen (Matt. 10:34). Naast zijn vriendelijke en liefdevolle eigenschappen was Hij hard en onbuigzaam en maakte als enige mens ter wereld waar, wat het is om God te vrezen en niets anders in de wereld. Jezus kon sterven. Hij kon Judas op moedige wijze ontmaskeren om vervolgens alle schepen achter zich te verbranden, door tegen Judas te zeggen, dat hij doen moest, wat hij moest doen (Joh. 13:26 vv). Hij sprak waar anderen liever zwegen (Joh. 18:20 vv). en zweeg moedig waar dat nodig was (Joh. 19:9). Hij kon in het zwaarste lijden, wat ooit een mens overkomen was, bewijzen dat Hij het innerlijk al meester was. Op het moment waarop het er naar uitzag dat zijn leven één grote mislukking geworden was, kon Hij triomfantelijk roepen: “Het is volbracht!”. Nooit waren er momenten in zijn leven zoals bij Mozes en Elia, die soms moedeloos en depressief waren (1 Kon. 19:4). Wanneer is Hij ooit één keer in verwarring geraakt?

 Radicale uitspraken

Jezus’ karaktervolle manlijke eigenschappen en wilskracht hadden ook gevolgen voor zijn discipelen. We noemen enkele voorbeelden. “Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn. Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn” (Luk. 14: 26- 27). “Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg…. En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af, en werp hem weg (Matt. 5:29,30). “Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden” (Matt. 10:28). Men moet niet aarzelen om zich bij hem aan te sluiten, ook wanneer men de begrafenis van zijn eigen vader niet bij kan wonen (Luk. 9:59). Men moet niet bang zijn wanneer men gehaat wordt omwille van Jezus, of wanneer dit een scheuring in huisgezinnen met zich mee brengt (Matt. 10:35).

Dit alles zijn woorden van een dappere man. Er is tegenwoordig een roep naar echtheid en transparantie. Wel, Jezus is dit, echt en transparant! Paulus roept de gelovigen ook op naar het beeld van Jezus te leven: “Wees waakzaam, volhard in het geloof, wees moedig en sterk!” (1 Kor. 16:13). In de Efeze-brief worden we opgeroepen om samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid te vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen (manlijke) volheid van Christus (Ef. 4:13). Zijn geweldige wilskracht is in feite één van de belangrijke peilers van Jezus’ persoonlijkheid.

Als Hij boos was, zondigde Hij niet. Wie kan zich niet voorstellen hoe Hij de kooplieden met vlammende ogen en verheven stemgeluid uit de tempel joeg. Jezus had vaak gevoelens van diepe bewogenheid. Er was echter steeds maar één bron van die gevoelens: zijn liefde. Bij ons spelen vaak egoïstische motieven een rol bij ònze gevoelens, maar bij Jezus worden zijn gevoelens verteerd door de ijver voor God. Onze woede gaat over onze dingen, Jezus’ woede gaat over zijn Vader.
Alleen zonde, zoals huichelarij en onboetvaardigheid, zet hem in vuur en vlam. Soms is Hij in brandende toorn (Jes. 30:27) want Hij heeft de rechtvaardigheid lief (Ps. 11:7). Naast alle valse, sentimentele, zwakke beelden van Jezus in de geschiedenis van kunst en theologie, is het van belang het ware bijbelse beeld neer te zetten van een krachtige manlijke volmaakte persoonlijkheid.

 

Jezus, fijngevoelige ziel
Deze krachtige persoonlijkheid is echter ook een zeer gevoelig mens. Hij heeft een fijngevoelige ziel. Bij het overlijden van Lazarus zag Hij hoe Maria en de Joden, die bij haar waren, rouw bedreven. Hij was diep bewogen…..Jezus begon ook te huilen (Joh. 11:35). Hij huilde ook bij de gedachte aan de ondergang van Jeruzalem (Luk. 19:41). Als Hij de weduwe achter de doodskist van haar enige zoon ziet gaan (Luk. 7:13) heeft Hij diep medelijden, net als toen Hij bemerkte dat het volk, dat hem volgde in de woestijn, te weinig eten had. Midden onder de strenge woorden over de laatste tijden en geweldige bedreigingen, grijpt het verdriet hem aan, als hij denkt aan de vrouwen, die in die angstige dagen in verwachting zijn of hun baby moeten zogen als ze vluchten vanuit Jeruzalem (Matt. 24:19,20).

En hoe moet Jezus zich gevoeld hebben, toen ‘wildvreemde’ kinderen zich graag lieten omhelzen (Marc. 10:16). Hij was niet alleen bewogen over anderen, maar ook over zijn eigen lot: “De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens ter ruste leggen” (Matt. 8:20). In de hof van Gethsemané vraagt Hij zijn discipelen: “Blijf bij mij, en waak met mij”(Matt. 26:38).Nergens vinden we bij hem een onderdrukking van zijn eigen gevoelsleven of iets van stoïcijnse ongevoeligheid. Hij was er zeker van, na 3 dagen weer op te staan, maar dat heeft hem niet verhinderd, in zijn menselijke ziel de diepe pijn en bitterheid te voelen en te doorworstelen.zijn verkondiging kleur en inhoud gegeven

Jezus’ vriendelijkheid

. Op een bruiloft bewijst Jezus de eerste keer dat Hij een grote uitdeler van zegen en vreugde is in goede tijden (Joh. 2:11). Ook onder veel ellende behoudt Hij zijn zonnige natuur van stille en rustige diepe vreugde. Hij wekt in dat opzicht zoveel bewondering op, dat een vrouw uit de menigte hem toeroept: “Gelukkig de schoot die U gedragen heeft, en de borsten waaraan u gedronken heeft” (Luk. 11:27). Onvriendelijke mensen zouden niet gauw een dergelijke grote menigte achter zich aan krijgen. Ook Jezus’ woordverkondiging is enerzijds net zo serieus als die van Johannes de Doper en toch stelt hij het in vriendelijker bewoordingen voor: als een bruiloftsmaal, als een grote avondmaaltijd, als een schat in de akker, als een parel met grote waarde.

De levens van Johannes en Jezus eindigen beiden met de marteldood, maar met dit verschil: Jezus wist het van te voren. Jezus vertelde geen flauwe kul of humor ten koste van anderen, er was geen spoor van zonde bij zijn vriendelijkheid. Hij was bijzonder gevoelig en stond open voor allerlei indrukken. Waarin toonde Hij geen bewogenheid, waar een ander mens dat wel had? Jezus kon bij alle huichelarij, verstoktheid en boosaardigheid die Hij tegenkwam, diep zuchten (Marc. 8:12) en op andere plaatsen in diepe woede ontsteken (Matt. 12:34, 23:13 vv). Jezus heeft niets van de gelijkmatige rust van Boeddha, die niets meer begeerde en niet meer boos kon worden, maar vooral niet meer lief kon hebben. Jezus’ optreden heeft altijd iets verfrissends,

Hij heeft een onuitputtelijk, diep hart en de rijkdom van zijn gevoelsleven is onuitputtelijk. Hij heeft gejubeld (Luk. 10:21) en verdriet ervaren (Marc. 15:34) zoals niemand ooit heeft gehad. Een andere zijde van zijn persoonlijkheid is dat Hij voor iedereen open staat, niet gestresst is of gehaast en niets van onrust in hem heeft. Hij was altijd zichzelf, ook als Hij wist dat de oogst groot is (Matt.
9:37) en dat de nacht spoedig komt (Joh. 9:4). Hij was, zoals gezegd, begaan met het innigste medelijden (Matt. 9:36) maar in al die dingen is Hij niet gestresst of getraumatiseerd, maar bleef Hij volkomen zichzelf.

 Tegenstellingen in een eenheid

Wat in het karakter van Jezus bijzonder opvalt, is het aanwezig zijn van tegenstellingen. Jezus is open, mededeelzaam, klaagt zijn nood, laat zijn bezorgdheid zien en toont op levendige wijze zijn vreugde, er is niets geslotens aan zijn karakter. Op andere momenten is Hij weer eenzaam, op zichzelf, als Hij nachtenlang wakend en biddend doorbrengt. Jezus geeft blijk van een grote bezonnenheid en rust. Hij heeft een zacht karakter en is toch onvergelijkelijk ernstig, een man vol heldenmoed met een zacht karakter.

Hij heeft zich op de verzoening van de wereld gericht, en kan een gewone vrouw doordringend aanspreken, alsof zijn leven erom ging alleen deze ziel te winnen (Joh. 4:17 vv). Hij heeft steeds het grote voor ogen, maar zeker ook aandacht voor het kleine. Innerlijk en uiterlijk zijn bij hem één harmoniërend geheel.
Naast bijna rusteloze werkzaamheid staat stille vrede. Hij is een optimist en pessimist tegelijk. De wereld ligt in het boze, maar Hij heeft de wereld overwonnen. Hij heeft een grote visie, en toch houdt Hij zich voornamelijk bezig met zijn elf discipelen. Hij is ver verheven boven de vooroordelen van het volk, maar beperkt zich niettemin tot de grenzen van het volk (Matt. 15:24).

Nationalisten rekenen Jezus tot de hunnen, maar dat doen internationaal gerichte groepen ook. Hij behoudt zijn waardigheid, terwijl Hij toch afdaalt naar een zondares (Luk. 7: 37 vv). Hij is in alle opzichten een man van het volk, toegankelijk voor iedereen, voor het roepen van een melaatse (Luk. 17:12 vv), het hulpgeroep van een bedelaar (Matt. 20:29 vv), iemand die op het geklets van een waterdraagster ingaat (Joh. 4:9 vv) en soms is Hij zo terughoudend dat Hij zelfs afstand neemt in een gesprek met een koning (Luk. 23:9). Zo eenvoudig als Hij is niemand, maar Hij is ook vol van diepe wijsheid. Soms is Hij ‘broodnuchter’, soms is Hij geweldig geestdriftig. Hij heeft een strijdbare natuur, maar toch brengt Hij een groot deel van zijn leven door aan ‘ziekbedden’. Hij wordt door iedereen als een van de grootste denkers van de aarde beschouwd en toch geldt Hij als bijzonder daadkrachtig. Hij heeft zich nooit aan een vrouw verbonden, maar Hij was wel één van de eersten, die voor de rechten van de vrouw opkwam. Soms hanteert Hij een zweep om zijn woede te uiten, dan laat Hij weer de grootste schande over zich heen komen.

Hij kan eisen stellen, die zelfs de discipelen doen verbleken, en soms een vrouw teder toespreken, terwijl iedereen haar veroordeelt (Joh. 8:10 vv). Vrijmoedig zegt Hij in Joh. 4:21: “Er komt een tijd, dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader kunnen aanbidden” en weer ergens anders (in Matt. 5:18) zegt Hij: “Zolang de hemel en aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht totdat alles gebeurd zal zijn”. Hij kan in tegenstelling tot bijvoorbeeld Boeddha handelen én werken, maar net zo goed lijden en toestaan. Hij doet de meest ongehoorde uitspraken (Matt. 10:37)en toch is Hij niet onhebbelijk.

 Hij is zo eenvoudig als een duif, maar ook zo voorzichtig als een slang. Hij wil de wereld voor zich winnen, maar kon de wereld ook verachten. Jezus geeft zich aan de mensen, maar dat gaat niet ten koste van zijn heilige persoonlijkheid. Soms toont Hij bereidheid om op het gevoelsleven van iemand in te gaan, en soms lijkt Hij zich in zichzelf terug te trekken. Individualisten en socialisten kunnen hem beiden citeren. De mens Jezus rust in God en kan tegelijk werken voor God. Hij is in alle opzichten beter dan anderen, maar zal daar nooit prat op gaan. Hij leeft onberispelijk maar brengt tegelijk tijd door met ‘dronkaards’ en ‘veelvraten’ (Matt. 11:19). Hij heeft nergens een grotere hekel aan dan aan de zonde, maar Hij is niet bang voor zondaren. Hij geniet van de goede dingen van de wereld, maar raakt er niet verslaafd aan. Hij voelt zich net zo gemakkelijk aan een rijke bruiloftsmaaltijd, als in gezelschap van sobere boetedoeners in de woestijn (Matt. 4:1 vv). Hij schenkt zijn liefde aan de geringste onder de mensen, maar ook aan de hooggeplaatste (Marc. 10:21).

Hij heeft iets hoogs en gebiedends, maar ook door een zekere schroom wint Hij veel mensen. Aan de ene kant trekt Hij veel mensen op een bijzondere manier aan, aan de andere kant voelen zelfs zijn discipelen zich soms van hem vervreemd. Je vindt bij hem een diepte van denken, die zelfs bij de grootste mystici niet aanwezig is, en toch heeft Hij een open oog voor de wereld om zich heen, zoals bijvoorbeeld op de markt spelende kinderen (Matt. 11:16).

Hij stroomt over van liefde terwijl Hij zich toch verre houdt van manipulatie of geestelijk exhibitionisme. Op een wonderlijke manier vullen Jezus’ werkzaamheid en vatbaarheid voor indrukken elkaar aan, net als zijn bescheidenheid. Hij is ervan overtuigd dat zijn bestaan en zijn werk de voleinding van de wereld brengt, terwijl Hij tegelijkertijd nederig van hart blijft (Matt. 11:29). Edel van zinnen zoals koningen betaamt en tegelijkertijd eenvoudig zoals een boerenknecht. Hij maakt geen verschil in rassen. Hij is Jood, de Samaritaanse vrouw herkent hem direct als zodanig, (Joh. 4:9) en tegelijkertijd heeft Hij contact met niet-Joden. Hij is een ‘oosterling’ in zijn beeldspraak, maar tegelijkertijd ook een ‘westerling’ in zijn logisch denken. De rust van een oosters mens, maar ook de drukte van een westerling. In zijn rustige levenswijsheid is Hij een voorbeeld voor Germaanse volken, en in zijn hartstochtelijke strijd voor het ware een goed voorbeeld voor Romaanse volken. In al deze dingen vormt Hij een eenheid. Hij is de ideale mens in alle verscheidenheid en eenheid. Jezus was vaak vurig van geest, maar kwam ook weer snel tot rust (synchronisatie). Bij hem komt de harmoniërende tegenstelling van rijkdom in eenheid in zijn persoonlijkheid naar voren. In zijn volmaakte zielsrust is Hij nooit veranderd. Hij is ook aan het einde van zijn leven nooit somber, verbitterd of verhard geworden.

 Jezus’ relatie met God

God is voor velen van ons een verre God, zeker als we Hem allen maar proberen te kennen vanuit ons denken. Jezus heeft nooit door overdenkingen van de natuurverschijnselen de gevolgtrekking gemaakt dat God bestaat. Hij heeft nooit naar het kosmologische bewijs gezocht, of God gevonden door het zoeken naar de waarheid. Nee, Hij stond met God in een levensgemeenschap en ‘beleefde’ Hem, en dat was genoeg. Hij voelde dat Zijn ziel door geheimzinnige, diepgaande krachten geleid werd. Zijn weten over God vloeide voort uit Zijn omgang met God. Wanneer Hij over God sprak, sprak Hij in het volle besef van Gods tegenwoordigheid. Hij heeft het ‘en toch’ van het geloof nooit gekend.

Het is niet waar dat Hij een heldhaftig geloof moest oefenen, ondanks alle tegenspraak die Hij te verduren had. Nee, voor Jezus was God niet iets twijfelachtig. Hij was zich voortdurend bewust van de aanwezigheid van God. De eenvoudige helderheid waarmee Jezus de hemelse Vader, Zijn wezen, Zijn wil altijd zag en ervoer, staat hemelhoog boven alles wat in de geschiedenis op Hem lijkt. Jezus’ kenmerk was het geestelijk doorzien van de dingen. Jezus zag de natuur en God niet als twee volkomen gescheiden zaken. Zijn leer was dat God in Zijn schepping van de natuur de scepter zwaait. De ‘natuurlijke’ zegeningen en het lijden doen de natuur niet over ons komen, maar God. God is het middelpunt van de natuur. Geen vogel sterft zonder Zijn wil (Matt. 10:29). Geen haar valt tegen zal ter aarde vallen zonder de Vader (Matt. 10:30).

 Regen en zonneschijn worden door niemand anders dan door Hem bestuurd (Matt. 5:45). Overal trad Jezus God sterk en krachtig tegemoet. “Mijn Vader werkt tot nu toe” en Jezus was in staat de dingen zo te doorzien, dat Hij door deze zaken de Vader zag. Hij zag God de Vader, toen mensen Hem in de boeien sloegen: “De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren”. Door alles wat Hij beleefde in de natuur, in Zijn omgeving en in Zichzelf ‘zag’ Hij God.

Nooit hoefde Hij onderzoek te doen naar Gods wil. Het was Zijn roeping om op ieder moment waarop Hij zich bewust was van Gods wil, deze te doen. Jezus was niet één van de vele mensen die God zochten, Hij kende geen ‘godsbeleving’ door mystieke geestesvervoering en of ascese. Hij kende geen begin van goddelijke openbaring. Nooit heeft Hij Zijn vroegere voorstellingswijzen moeten verlaten, nooit heeft Hij zich door allerlei moeite, bezwaren en hindernissen heen moeten worstelen om tot gemeenschap met God te komen.Het was veelmeer een deel van Zijn wezen om in een dergelijke verhouding tot God te staan. Hij alleen kent de Vader (Matt. 11:27). Alles is Mij toevertrouwd door Mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is; dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.

Door Zijn oorspronkelijke eenheid met de Vader en door de ononderbroken levensgemeenschap met Hem heeft bij Jezus de kennis van de Vader zich op natuurlijke wijze ontwikkeld. En als degene die God openbaarde, zo trad Hij de mensheid tegemoet door tegen iedereen te zeggen: “Leert van Mij” (Matt.
11:29).Want bij Hem ging het niet om gedachten en voorstellingen die Hij zelf gemaakt had, maar om een zeker weten (Joh. 12:49 vv Matt. 11:27), om een ‘gezien’ hebben (Joh. 8:38).
Ongetwijfeld was Hij, met die Godskennis, de enige van alle mensen. Alleen Hij bezat haar, anderen kunnen die slechts van Hem ontvangen. Daarom sprak Hij ook over “Mijn Vader” en “Uw Vader”. Hij stond in een heel andere relatie tot God dan andere mensen. “Niemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren (Matt. 11:27). Maar wat heeft Hij dan nu van God aan de wereld als ‘nieuws’ gebracht? Jezus heeft een sterk bewustzijn van eigensoortigheid en majesteit van God bezeten.

De hemel is Zijn troon en de aarde Zijn voetbank (Matt. 5: 34; 23:22). God is de Heer van hemel en aarde (Matt. 11:25). Zijn almacht is onbeperkt (Matt. 19:26). Lichaam en ziel kan Hij verderven, reden genoeg dat de gehele wereld Hem zou moeten vrezen (Matt. 10:28).
Dit zijn allemaal uitspraken van de Here Jezus. Maar wat van dit alles was iets wat Israël vóór die tijd niet geweten had? Dat is zonder meer de kennis van God, dat Hij degene is die liefheeft als een Vader. Zijn wezen is het Vader zijn. Zeker, ook in de psalmen wordt God als vader aangemerkt (Ps. 68:6; 103:13). Maar dat aspect van het wezen van God was nog niet diep doorgedrongen. Het vaderschap van God is het fundament, het wezen van God. God was in het jodendom, de van de wereld vervreemde, en ongenaakbare geworden: de opsteller van de wet, die in het hiernamaals op pijnlijk nauwkeurige wijze, debet en credit afweegt. De goedheid van God is meer dan de menselijke gerechtigheid. In die zin was de religieuze gezindheid in Jezus’ tijd met angst doortrokken, zowel bij de joden als de heidenen (Rom. 8:15).

“U hebt de Geest van God niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn en om Hem te kunnen aanroepen met ABBA, Vader”. Wat de natuurlijke mens van God kent, is Zijn wet. Als hij zich niet distantieert van God, staat hij in een verhouding van angst tot God. Nu komt Jezus met een ongehoord nieuwe boodschap: Het meest innerlijke wezen van God is dat God liefheeft als een vader. Als een vader bekommert Hij zich om de afzonderlijke behoeften van ieder schepsel. Ja, tot in de kleinste details toe (Matt. 6:26 vv; 7:11; 10:29 vv).
Vergevende liefde is bij Hem net zoiets vanzelfsprekends als bij een aardse vader. Hij houdt bijzonder van wie van Hem vervreemd is (Luc. 15:6,9,24) en Hij geeft allen hetzelfde loon, omdat het goed is (Matt. 20:15). Dat betekent niet dat de Vader een krachteloze grijsaard is. Nee, Jezus kende op geen enkele manier iets van zwakte van God. Hij kende geen Vader zonder heiligheid en ernst. In het Oude Testament bestond de religieuze betrekking tussen God en mens (Volk Israël) als een overeenkomst. Toen was het verbond voor Israël en het houden van Gods geboden gekenmerkt door de ‘uitbetaling van loon’.
Nu staat alles in het teken van genade en blijven weinig grote eisen van God over. Jezus heeft onthuld, dat het wezen van God een wezen van vaderlijke liefde is. Alleen Hij heeft dit verstaan.

 Jezus’ vroomheid.

Als we Jezus vergelijken met andere vooraanstaande gelovigen, zijn er enkele belangwekkende verschillen. Vóór alles ontbrak bij Jezus het dankbare gevoel van een begenadigde zondaar. Jezus wist niet wat het betekent een met God verzoend mens te zijn. De grootste gave die het geloof brengt is vergeving van zonden, en die vergeving had Hij niet nodig. Nooit heeft Hij te hoeven denken aan het heil van Zijn eigen ziel. Wat bij ons vaak het einddoel van onze vroomheid is, de éénheid van de wil met de Vader, lag bij Jezus aan het begin van de weg. Hij heeft nooit de liefde van de Vader gezocht, maar altijd bezeten. Daarom ontbrak bij Jezus in diepste wezen ook de deemoed, de nederige gezindheid ten opzichte van God. Het afhankelijkheidsgevoel was niet de meest fundamentele trek in deze vroomheid, zoals de filosoof Schleiermacher beweert, dat het bij ons moet zijn, en ook niet de diepe en vreugdevolle kennis dat God de alleen Machtige en Levende is. Veel van wat Jezus in dit opzicht heeft gezegd, is gesproken ter voorlichting van anderen. Het was geen symptoom van Zijn eigen leven toen

Hij zei: ”Vreest Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel (Matt. 10:28) of wanneer Hij leerde dat ze God als Rechter moeten vrezen (Matt.
12:36). Aan Jezus’ godsgeloof ontbrak angst. Hij kende ook niet de angst van het toenmalige jodendom om te zondigen tegen het derde gebod (Matt. 6:24,30). Bij Jezus was er geen angst voor God in het ziedende onweer (Matt. 8:24), dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij de vromen in de psalmen. Jezus was, als Gods hand aan het werk was, veelmeer vol rust en zekerheid. Bij Hem werd het woord ‘Mij zult u liefhebben met uw gehele hart’ voor de eerste en enige maal in de geschiedenis bewaarheid. Zijn mens-zijn bleek wel o.a. uit het feit dat hij alle emoties kende, waaronder ook de angst! Mat. 26:37 angst voor
de Godverlatenheid, dood(sstrijd). vgl. Hebr.2:15; 5:7,8

 Jezus’ vreugde

De kern van Zijn vroomheid was Zijn liefdevolle vreugde in God. Jezus’ vroomheid begeerde niets van God, zoals het zo vaak is met onze vroomheid. In die zin was er geen ontwikkeling in het leven van Jezus. Hij stelde er altijd een vreugde in dat God Zijn God is. In deze God verheugde Hij Zich, wanneer Hij Zijn ziel aan God verliest en in Hem opgaat. Met God was Hij blij, wanneer Hij met Hem samenwerkte. Jezus’ lust was de heerschappij van Zijn Vader in de wereld. De vreugde van Jezus was nauw verbonden met het vertrouwen op God. Hij heeft nooit God getart om Hem te helpen, nooit Gods bescherming in hoogmoed of doldrift opgeëist. Een dergelijke houding, wat Hij zag als het verzoeken van God, wees Hij al in de woestijn eenvoudig en waardig af (Matt. 4:7).

In overeenstemming daarmee heeft Hij het ontwijken van gevaar en het Zich in veiligheid brengen (Matt. 4:12; 12:15), ja zelfs in het geheim (Joh. 7:10), tot het laatst toe niet geschuwd. Hij had de zekerheid dat Hij nergens anders dan in Jeruzalem zou sterven (Luc. 13:33) en dat Zijn uur nog niet gekomen was (Joh. 11:9). Al deze zaken leidden nooit tot een opschepperige of roekeloze houding. Hij was zeker van de bescherming van Zijn Vader. “Ik ben niet alleen, de Vader is met Mij”. Dat bewustzijn heeft Hem nooit verlaten. Voor Zijn besef lag alles, de mens en de natuur, tot zelfs de mus op het dak, in Gods hand (Matt. 10:29). Hij was ervan overtuigd dat zelfs de haren op het hoofd door God geteld waren (Matt. 10:30). In dit vertrouwen in God groeide een sterk en moedig karakter, en een grote rust.

 Voor Jezus was er werk én rust, in de door God verordende afwisseling. Net zoals de landman die opstaat en gaat slapen, en het zaad, alleen gelaten, laat opwassen (Marc. 4:27), zo heeft Hij Zelf ook gehandeld in rustig vertrouwen, Dat God Zelf voor de oogst zorgt. Nooit werd Hij geschokt in Zijn geloofsvertrouwen. Het laatste bewijs gaf Hij aan het kruis. Voor een mens valt het niet mee om vanuit een lijden naar God op te zien. Jezus heeft in het ultieme lijden geroepen: “Vader, in Uw handen beveel ik Mijn geest” (Luc. 23:46). En zelfs op het moment dat God Hem scheen te verlaten, liet Jezus Hem niet los. Eli, Eli, Mijn God, Mijn God. Met deze woorden klemde Hij Zich ook in het donkerste uur van Zijn leven nog met sterk vertrouwen aan de Vader vast (Matt. 27:46). Jezus zei tegen Zijn discipelen: “Vertrouwt op God en vertrouwt op Mij” (Joh. 14:1) en tegen Martha: “Je zult Gods grootheid zien als je dat gelooft” (Joh. 11:40 vv). Hij stelde het vertrouwen in Zijn persoon gelijk met het zien van goddelijke heerlijkheid. Verder zei Hij tegen Zijn discipelen, niet bezorgd te zijn als ze voor de menselijke rechter geleid zouden worden, omdat Hij belooft, dat Hij Zelf hun de mond zou openen en doen spreken, en hen zo wees op het vertrouwen in Hem (Luc. 21:14 vv).

Jezus is zo totaal anders dan andere mensen. Men krijgt bij Hem het gevoel dat alles wat Hij zegt over vertrouwen op God, gezegd wordt met het oog op anderen. Bij Zichzelf is dit vertrouwen gemengd met een aanzienlijke hoeveelheid zelfvertrouwen. Je hoeft slechts de geschiedenis van de storm op het meer te lezen waarin Hij zich sterk en veilig voelt aan de zijde van God. Daarom is het ook niet vreemd als Hij in Joh. 10:18 zegt: “Niemand neemt Mijn leven, Ik geef het Zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer aan te nemen, dat is de opdracht die Ik van de Vader gekregen heb”. Bij Jezus is de relatie met God veelmeer een ‘naast elkaar’ en toch ‘één met elkaar’, een groot raadsel.

 Jezus’ gebedsleven

 Net zoals ons bestaan afhankelijk is van het inademen van lucht, zo kon de ziel van Jezus slechts ‘ademhalen’ in de gemeenschap met God. Zelfs midden in het drukste gewoel van Zijn leven, hoorde Zijn ‘geestelijk oor’ onophoudelijk wat de Vader Hem vertelde en zagen Zijn ‘geestelijke ogen’ voortdurend datgene wat de Vader Hem liet zien. Nooit trad Hij in zijn handelen buiten die eenheid met God naar buiten, want ook Zijn werken werden samen met God gedaan. Jezus had altijd een alerte geest, en had als geen ander ‘plotseling invallende gedachten’.

De vijgenboom, niet ver van de weg, die met zijn rijke bladertooi de hongerende ‘bedroog’, was voor Zijn opmerkzame ziel onmiddellijk het onderwerp van een ontroerende gelijkenis (Marc. 11:12 vv). Luther heeft een groot deel van zijn leven doorgebracht in contemplatie, in overpeinzing van geestelijke dingen, en kwam uiteindelijk tot de conclusie dat werken ook een manier was om God te dienen. Jezus heeft die tijd niet nodig gehad. We moeten werken zolang het dag is; in de nacht die komt, kan niemand werken (Joh. 9:4). Nooit heeft Hij contemplatie als enige doel in het leven verheven. Het werk verhinderde Hem soms te eten ( Marc. 3: 20). Door het werk zonk Hij soms uitgeput neer op het schip (Marc. 4:38).

 Werken waren voor Hem Gods-dienst. Zo bleef Hij in het midden van de bewogenheid van het leven volkomen in de eenheid met de Vader; een alerte geest vol innerlijke ontferming in het midden van alle uiterlijkheid. Gods werken doen is nog wat anders dan rusten in de Vader. Jezus’ hele leven was een leven met God, bidden is echter nog veelmeer. In het bidden moet men geheel bij God zijn, want bidden is spreken met God. Bij het bidden treedt de mens eerst in het heiligdom van de gemeenschap met God binnen. Bid en werk, dat stond voor Jezus altijd vast, maar eerst het bidden. Zo was Hij in een bepaalde stad waar men Zijn hulp nodig had, maar Hij nam eerst tijd voor gebed (Luc. 5:15 vv). Het innigste meeleven brandde als een vuur in Zijn ziel (Matt. 9:36) en Hij wist dat Zijn werken spoedig tot een einde zouden komen (Joh. 9:4) maar van die tijd die voor het bidden bestemd was nam Hij nooit iets af.

 Nooit heeft iemand een dergelijk evenwichtig bestaan geleefd wat betreft de geestelijke balans van geven en nemen, een geregeld ‘ademen’ tussen zelfovergave en zelfhandhaving. Als de wereld op Hem aandrong door verlokkende verzoeking (Matt. 4; Joh 6:15) of door haar druk (Luc. 9:29,22) of zelfs door het vele werken met zijn onrust (Marc. 1:35,34 Luc. 5:16,15), iedere keer krijgen we het idee dat Zijn gebedsleven nog intenser werd.

 Het was telkens weer het bevestigen van het contact met de Vader, dat de wereld probeerde los te koppelen. In die tijd was de ingetogenheid van Jezus’ gebedsleven niet gewoon. Men bad het liefste daar waar anderen konden zien dat men bad, bijvoorbeeld op de hoeken van de straten of in de synagoge (Matt. 6:5). Jezus verwees de bidder naar de ‘binnenkamer’, zelden bad Hij in het openbaar.

 Vaak zond Hij het volk weg én Zijn discipelen (Matt. 6:45; 14:32), soms klom Hij omhoog naar een bergtop (Marc. 6:46) of ging Hij naar een eenzame plaats (Marc. 1:35), vaak in de nacht (Luc. 6:12) of als anderen sliepen (Marc. 1:35; Luc. 4:42).Van Jezus kunnen we leren dat een mens bij het bidden geen toeschouwers nodig heeft (Matt. 6:6). Tegenwoordig zijn er veel gelovigen die neerkijken op het formuliergebed en alleen het ‘vrije’ gebed verkiezen. Luther kende gebeden van buiten, die hij steeds op een bewuste, gemeende manier kon uitspreken. Jezus heeft zelfs nog aan het kruis gebeden uit de psalmenbundel (Ps, 22:2). Jezus bad veel hardop (Matt. 26:39).

Vanuit het hart, door de mond uitgesproken. Soms bad Jezus hardop, zodat anderen het konden horen (Joh. 11:42; 17:13). Van Jezus lezen we steeds dat Hij bij het bidden Zijn ogen ophief (Joh. 11:41; 17:1) of hoe Hij opkeek naar de hemel (Marc. 6:41; 7:34). Bij het breken van het brood sprak Hij het dankgebed uit met Zijn ogen naar de hemel gericht (Matt. 14:9). Jezus had geen hekel aan een vaste uitwendige vorm van bidden. Het zal ook niet voor het eerst geweest zijn dat Hij biddend op de grond gelegen heeft toen Hij dit deed in Gethsemane (Matt. 26:39). Het dankzeggen voor het brood was voor Hem zo’n vaste gewoonte dat de Emmaüsgangers hem daaraan herkenden ( Luc. 24:35). Nooit is het uitwendige echter zo belangrijk dat Hij het Zijn discipelen voorschrijft. Hij klom graag een berg op om te bidden maar Hij wist dat Gods aanbidding aan geen berg gebonden is (Joh. 4:21). Hoewel Hij biddend opkeek naar de hemel, heeft Hij nooit enig gebaar, zoals bij Mohammed of de joden, verplicht gesteld bij het bidden. Driemaal knielde Hij in de nacht van het verraad neer, maar Hij heeft nooit iets over de maat van het bidden zelfs maar aanbevolen.

Zo wilde Hij zelfs de schijn vermijden dat uiterlijke zaken belangrijk zijn bij het bidden. Zijn dagelijks werk werd door gebed gedragen. Vroeg in de morgen en in de avond knielde Hij voor de Vader. Aan tafel vouwde Hij Zijn handen en bij sommige genezingen zag Hij op naar de Almachtige. Soms waren de kortste gebeden de vurigste. Maar laten we proberen wat dieper in de geest van Zijn gebeden door te dringen.In de eerste plaats betekent bidden voor Jezus: liefhebben. Hoeveel vóórbedes bevonden zich niet in Zijn gebeden? Lees maar eens het hogepriesterlijke gebed in Joh. 17. Hoe weinig gebed voor Zichzelf en hoeveel vurige vóórbeden? Denk ook eens aan Zijn gebeden voor de mensen die Hem beledigden en vervolgden! (Matt. 5:44). Ja, Hij bad zelfs voor degene die Hem kruisigden (Luc. 23:34).

Maar zeker ook toonde Hij hardop Zijn liefde voor de Vader. Zijn gebed sprak ook van een biddende nood, maar vóór alles van biddende liefde. Niet een ‘Uti Deo’, een gebruik maken van God, was het belangrijkste, maar veel meer het ‘frui Deo’, het genieten van God. Hij wilde Zich in Zijn God verheugen. En des te donkerder de wereld voor Hem werd, des te feller de liefde voor de Vader zich openbaarde: “Uw naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome” (Matt. 6:9); het ging in de eerste plaats om Gods eer. Hij kon voor alles lofprijzend dankzeggen, ook bidden voor de kinderen (Matt. 11:25).

Lofprijzen is immers het overstromen van een door liefde en bewondering gevuld hart. Volgens de leer van de rabbijnen is Hizkia niet Messias geworden, omdat hij na de redding uit Sanheribs hand geen lofzang bad. Jezus begon Zijn tocht naar het kruis met een lofzang (Matt. 26:30). Pascal laat ergens God tot de mensen zeggen: “Jullie zouden Mij niet zoeken als jullie Me niet al gevonden hadden”. Jezus leefde in innige gemeenschap met de Vader, op een zodanige manier dat Hij Hem overal hoorde. Dat alleen was al belangrijk in Zijn gebed, als een noodzakelijk antwoord op een bestendige manier hardop lief te hebben. En dat alles op een zodanige toon van innigste vertrouwelijkheid, zoals nog nooit bestaan heeft in de wereld. Wel had men God als Israëls Vader aangeduid en een ‘Onze Vader’ was ook wel eens gebeden (Jes. 63:16), maar Vader in de zin van mijn Vader (ABBA, Vader), dat had niemand nog durven zeggen...

 Bidden en ontvangen

Bidden betekende bij Jezus ook ontvangen. Jezus had de stellige overtuiging dat men, door te bidden met God, veel van Hem kon ontvangen (Luc. 18:3 vv).
Jezus bad soms voor bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld dat hun vlucht niet in de winter of op de sabbat zou zijn (Matt. 24:20). Hij wist dat God, die het oor geplant had, zou horen (Ps. 94:9). Zo was gebed ook een gehoorde schreeuw om hulp en een zich laten troosten met een liefde die alle verstand te boven gaat. En toch heeft Hij voor Zichzelf nooit op deze manier gebeden, behalve dan in Gethsemane, maar dan ook onder voorbehoud (Matt. 26:39).

Overigens verzekerde Hij een aantal verzen verder dat het voor Hem wel mogelijk was. “Of meent gij dat ik Mijn Vader niet kan aanroepen en Hij Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen zal sturen?”. Hij kon het wel, maar deed het niet. Bij Hem ging het ontvangen in het gebed veelmeer om de inwendige behoeften van Zijn ziel. Hij zocht niet in de eerste plaats de gaven, maar de Gever. Jezus heeft altijd bij de gaven van God Zichzelf gegeven. In zulke gebedsuren zalfde God Hem met de Heilige Geest. Zo groeide Hij geestelijk van kindsbeen aan op (Luc. 2:40,52), verenigd met de Vader. Het was het gebed waardoor Gods Zoon gesterkt werd in de uren waarin Hij de eenheid met de Vader hoe langer hoe sterker voelde.

Hier ligt de eigenlijke bron van Zijn geestelijke kracht. Zijn bidden was een handelen, een geestelijk werken. Door dit contact met de Vader wist Hij op beslissende momenten welke weg Hij in moest slaan. Zijn geest was te allen tijde gewillig. In het gebed werd Hij ook heer over Zijn overigens zondeloze zwakheid van het vlees. In de uren van verzoeking bad Hij des te dringender en aanhoudender om Zijn ongeschonden ziel te bewaren (Matt. 27: 46; Joh. 6:15). De werkzaamste van alle mensen is hij die de grootste bidder is.

 Gebed als offer

Naast liefhebben en ontvangen betekende bidden voor Jezus ook offeren. In het gebed offerde Jezus Zijn eigen wil. Ja, in het gebed verklaarde Hij Zich bereid om Zelf offer te zijn. Aan de eerste lijdensaankondiging ging bijvoorbeeld een gebed in eenzaamheid vooraf (Luc. 9:18). Na de spijziging van de vijfduizend bedacht Jezus dat Zijn werk op dat moment weinig vrucht droeg en dacht Hij aan het nabijkomende kruis. In die omstandigheden trok Hij zich terug en offerde Zichzelf weer op (Joh. 6:15). In het belangrijkste deel van het hogepriesterlijke gebed bad Hij: “Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon” (Joh. 17:1,5), met andere woorden: “Vader, hier hebt Gij Mij” (Joh. 12:27 vv). Bidden was hier voor Jezus niets anders dan Zichzelf offeren. Tot op dat moment heeft Jezus wel van dit offer geweten, maar nu komt het er ook op aan om het te brengen. Onder Gethsemane’s olijfbomen ‘stierf’ Hij de eerste keer. Je zou ook kunnen zeggen: Toen Jezus voor de eerste keer in het water knielde en Zich naast zondaars stelde (Luc. 3:21), heeft Hij Zich biddend tot het dragen van de zonde beschikbaar gesteld (Joh. 1:29). Jezus wist allang wie Hem verraden zou (Joh. 6:64,70), maar Hij heeft Zelf niets ondernomen om Judas tegen te houden. Bij Jezus was in die zin het bidden het zwaarste werk voor een mens.

 En dan begrijpen we ook dat na deze gebeden, tot driemaal toe, een verheerlijking van Jezus door God het gevolg was: namelijk bij de doop, bij de verheerlijking op de berg, en ten dage van de intocht in Jeruzalem (Luc. 3:21 vv; 9:29 vv en Joh. 12:28). Wie beseft niet dat Jezus in alle opzichten een voorbeeld is geweest voor het echte bidden? Hoeveel kan Hij ons niet leren op het gebied van zelfverloochening? En toch zouden we Hem tekort doen als we Hem alleen als een voorbeeld zouden zien. Hij was geheel anders, en wij kunnen niet zo maar in Zijn voetstappen wandelen. Je zou je kunnen afvragen waarom Hij nooit samen met de discipelen bad. Hij heeft wel veel voorbeden gedaan. Hij heeft wel als heer des huizes ook voor het brood gebeden en aan het einde van het Pascha de voorgeschreven lofgezangen (Ps. 113-118) gebeden, samen met Zijn discipelen (Matt. 26:30).

Maar we kennen geen enkel gebed van Jezus waarbij Zijn eenzame Ik in het vertrouwelijke wij is omgezet. Het is ook niet zo dat Jezus ons bij het ‘Onze Vader’ in het heiligdom van Zijn gebedsleven betrekt. Integendeel, juist bij het ‘Onze Vader’ heeft Hij gezegd: “Zo zult gij bidden” (Matt. 6:9). Hij bad anders, alleen al in de aanhef. Maar Hij distantieerde Zich niet van Zijn leerlingen. Op sommige punten verschilde het gebed echter. Zo moest de tollenaar bidden: “O, God, wees mij zondaar genadig” (Luc. 18:13). Jezus had dat gebed niet nodig. Zelfs in Zijn stervensuur had Hij dat gebed niet nodig en was Hij Zich ten volle ervan bewust, dat Hij niet gelijk was aan andere mensen. En net zomin er een gebed van boete en berouw over zijn lippen kwam, bad Hij ook niet voor Zijn heiligmaking, of dat Zijn geloof niet zou ophouden.

 De bede bij het ’Onze Vader’ is een erkentenis van het hebben van een behoefte. Deze behoefte wordt zelfs gevonden bij de man die wist ‘dat alle dingen Hem overgegeven zijn van de Vader’ (Matt. 11:27). Daarom bad Hij soms anders dan wij. Dank, lofprijs en aanbidding vulden Zijn gebed. En als Hij ‘anders’ bad, bad Hij voor anderen en wist Hij dat Hij één met de Vader was (Joh. 11:42). Er lag iets van koninklijke volmacht in Zijn woord, toen Hij ten overstaan van Petrus, teneinde deze tot kalmte te stemmen, verzekerde: “Maar Ik heb voor u gebeden (Luc. 22:32) en nu, Petrus, is het voldoende”. Jezus heeft in het laatste uur voor velen voorbede gedaan. Hij was immers dè Hogepriester, middelaar, mediator.Waarlijk Hij had ook Zelf macht Zijn leven af te leggen of te behouden. Wie echter zelf macht heeft, die is niet, zoals wij in onmacht, op de hulp van anderen aangewezen.

 Jezus en Zijn weergaloze wijsheid

Er hebben veel grote mensen geleefd, die mede dankzij hun hoge ouderdom en wijsheid een heel tijdperk hebben beïnvloed. Jezus heeft echter niet alleen een tijdperk of cultuur beïnvloed, maar heeft de gehele wereld veranderd. Mohammed heeft voor zijn werk 22 jaar de tijd gehad, Boeddha zelfs 45 jaar. Jezus heeft niet langer dan 3 jaar gewerkt. Onder Zijn leerlingen waren de meest gewone handwerkslieden, die zich echter kenmerkten door één geest. Jezus stierf kort na zijn dertigste, maar Zijn invloed op mensen en de wereldgeschiedenis is onnavolgbaar.

Jezus heeft een buitengewone scherpzinnigheid en een bijzondere welsprekendheid. In de eindeloze twistgesprekken met Zijn tegenstanders is dit vele malen gebleken. Men stelde Hem talloze strikvragen en men dacht dat deze ‘eenvoudige timmermanszoon’ wel snel door de mand zou vallen. Zo was er bijvoorbeeld de eeuwenoude discussie over grote en kleine geboden. “Meester, wat is het grootste gebod in de wet?” (Matt. 22:36). Met een onnavolgbare trefzekerheid haalt Jezus Deut. 6: 4-9 aan. “Heb de Heer, uw God, lief met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met heel uw verstand” (Luc. 10:27). Hij voegt er nog een tweede aan toe:

“Heb uw naaste lief als uzelf”. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat. Men weet dat Hij een vriend van tollenaren en zondaren is. Nu sleept men een overspelige vrouw voor Hem en vraagt: “Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt, toen ze overspel pleegde. Mozes draagt ons in de wet op zulke vrouwen te stenigen. Wat vindt U daarvan? Dit zeiden ze, om Hem op de proef te stellen, om te zien of ze Hem konden aanklagen” (Joh. 8: 4 t/m 6). Maar Jezus speelt met een meesterlijke zet Mozes tegen Mozes op het schaakbord uit. In Deut. 17:7 staat: “De getuigen moeten
…….. de dader stenigen ….. en zelf moeten zij de eerste steen werpen”. Met een onnavolgbare spitsvondigheid zegt Jezus in Joh. 8:7: “Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen”! Het gevolg? De vrouw staat, door iedereen verlaten, alléén voor Hem.

In een andere situatie herinnert men zich dat Jezus gezegd heeft: “Ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel, tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel” (Matt. 5:32). Nu legt men Jezus de vraag voor of Hij een dergelijk verbod tegen Mozes woorden wel kan handhaven (Marc.10:2-9). En weer pareert Jezus op weergaloze wijze door Mozes tegen Mozes te laten antwoorden. Jezus zegt: “Hij heeft dit voor u opgeschreven, omdat u zo harteloos en koppig bent” (Marc. 10:5) en geeft aan dat de tweede stelregel door Mozes is ingesteld omdat hij is bezweken voor de hardheid van mensenharten.

In Matt. 22:15 vv sturen de Farizeeën enkele mensen naar Jezus met de vraag of het toegestaan is de keizer belasting te betalen of niet. Bliksemsnel schat Jezus de situatie juist in. Een ‘nee’ maakt Hem een opruier van het gezag, een ‘ja’ een verachter van de heerschappij van God in Israël. Maar slagvaardig antwoordt Hij in vers 19: “’Laat me de belastingmunt zien’. Ze reiken hem een denarie aan. Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is dit opschrift? (En laat ze zo zelf het antwoord geven) Ze antwoordden: ‘Van de keizer’. Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef dan van wat van de keizer is aan de keizer en geef God wat God toebehoort’”.

De Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is en slechts Mozes als autoriteit van Gods Woord zien, stellen Hem de volgende strikvraag over een vrouw die zeven keer trouwt met broers die na elkaar doodgaan: “Wiens vrouw is zij bij de opstanding?” (Luc. 20:27). Op meesterlijke wijze laat Jezus Mozes zelf een antwoord geven, doordat Hij antwoordt met een tekst van Mozes “over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als God van Abraham, Isaak en Jacob. Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven” (vers 37 en 38). Zelfs de tegenstanders van Jezus zijn vol bewondering en verbazing: “Meester, wat U zegt is juist” (vers 39) en niemand durft Hem meer een strikvraag te stellen. In Zijn antwoorden gebruikte Jezus vaak op bijzondere wijze de ‘of-of’ -constructie, waarbij er geen plaats was voor een derde mogelijkheid. “Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of vernietigen?” (Marc. 3:4), “In wiens opdracht doopte Johannes?

Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?” (Matt. 21:25). Geschieden Zijn duiveluitdrijvingen door satans hulp òf, als dat onzinnig is, zou het dan toch Gods vinger zijn? (Luc. 11:18,20). “Als David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?” (Matt. 22:45). Jezus’ antwoorden hebben iets verbluffend eenvoudigs. Het gezonde verstand stemt er gelijk mee in, bijvoorbeeld: “Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel” (Luc. 5:31). Dat is toch voor iedereen duidelijk. “Als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat?” (Luc. 14:5). Zo duidelijk dat zelfs Zijn tegenstanders hun muggenzifterijen opgeven (Joh. 7:23). Je zou zelfs medelijden met hen krijgen.
Jezus is nooit verrast door het onverwachte. Nooit heeft Hij lang tijd nodig omna te denken.

Hij is altijd zeker van Zijn zaak. Hij heeft nooit een ‘verborgen agenda’. Hij is open en transparant. Dat is aan weinigen, die de wereldgeschiedenis gemaakt hebben, gegeven. Vaak zwegen de tegenstanders van Jezus in het besef dat Hij onoverwinnelijk was in het discussiëren (Matt. 22:46, Marc. 12:34; Luc. 20:40). Hij deed dat zonder enige wetenschappelijke vorming of achtergrond (Joh. 7:15). Zonder moeite bracht Hij Zijn gedachten voort uit Zijn eigen scheppende kracht.

 Jezus als spreker in het openbaar

Jezus is ook de beste spreker in het openbaar ooit. Iedereen wordt verrast door Zijn woorden. Zelfs de gerechtsdienaars van de Joodse Raad worden door Hem overwonnen en keren onverrichterzake terug met de woorden: “Nog nooit heeft een mens zo gesproken” (Joh. 7:46). Het kwam regelmatig voor dat vele duizenden mensen zich om Hem heen verzamelden en elkaar om Hem verdrongen (Luc.12:1). In de woestijn zijn onder Zijn woorden duizenden dagenlang bij Hem gebleven om zelfs honger en dorst te vergeten (Marc. 8:2). Steeds weer was het volk ervan overtuigd dat de toespraken van de schriftgeleerden in het niet vielen met die van Jezus (Matt. 7:29).

Er zaten vaak grote aantallen mensen om hem heen (Marc. 3:31 vv) of ze bevonden zich aan de oever van het water, terwijl Jezus sprak vanuit een boot (Marc. 4:1). Galilea was geen onbelangrijk achterland zoals sommige geschiedschrijvers het typeerden, maar veelmeer een belangrijk doorgangsgebied van de groothandel. Het zat vol met kooplieden, kleinhandelaren, allerlei soorten beambten en soldaten. Het bezat het belangrijke voordeel van een tweetalige cultuur, waardoor nagenoeg iedereen in Galilea ook Grieks leerde. Jezus ging door grote steden en kleine dorpen en preekte met grote welsprekendheid in de synagoge én in de open lucht. Hij sprak aan de oevers van het meer van Galilea, maar ook op de berghellingen, en overal met hetzelfde effect: mensen waren diep onder de indruk van Zijn spreken.

Het geschreven woord in de Bijbel geeft slechts een zwak beeld van de uitwerkingskracht van Zijn gesproken woord, maar zelfs in de opgeschreven woorden van Jezus kunnen we duidelijk lezen hoe groot Zijn redenaarskunst is vergeleken met die van Mohammed of Boeddha. Jezus wist zich aan te passen aan alle soorten toehoorders en had de wonderlijke eigenschap voor niemand te eenvoudig of te moeilijk te zijn.
Hij beheerste alle spreektechnieken: de rustige toon van overreding en lesgeven, de zachte toon om te troosten, de verlokkende toon van een zachtmoedig mens die anderen aantrekt. Maar ook kon Hij via de “Wee de …” de oudtestamentische profeten citeren, of opvlammen in een brandende woede en boosheid. Jezus was een meester in het toespreken van mensen. Hij kon Zich vernietigend afwenden van zijn tegenstanders (zie alle ‘Wee u’s in Matt. 23:13 vv). Maar ook kon Hij tot de inwoners van Jeruzalem de hartverscheurende woorden spreken: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt wie naar haar toe zijn gestuurd! Hoe vaak heb ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar jullie hebben het niet gewild” (Matt. 23:37). Hij had een gave van spreken voor jongeren én ouderen (Matt. 5; Matt. 13). Hij kon op eenvoudige wijze het hart van de toehoorders bereiken (Luc. 11:27).

Bij al deze uitmuntende toespraken lezen we nergens dat Jezus Zijn toespraken voorbereidde. Bij Zijn eerste overweldigende toespraak in Zijn vaderstad spreekt Hij voor de vuist weg. De boekrol welke Hem ter lezing wordt overhandigd, wordt door de kerkdienaar aangereikt. Hij staat op en spreekt over het gevonden Schriftwoord (Luc. 4:17). Net zoals we over geen voorbereiding in Zijn toespraken lezen, kunnen we nergens een toename in ontwikkeling en kracht lezen. Zodra Hij optreedt, is Hij klaar. Iedereen was er verbaasd over (Luc. 4:22).

 Jezus in gesprek met de enkeling

Naast discussie en volkstoespraken lezen we ook over Jezus die in gesprek is met de enkeling. Met de vrouw bij de bron (Joh. 4), bij Nicodemus in de nacht (Joh. 3), bij de jongeling die Hem op straat tegenkomt (Marc. 10:17). Hij bereikt mensen waar Hij ze aantreft. Vanuit wat we zouden noemen ‘small talk’ schakelt Hij moeiteloos en verrassend over naar belangrijke en zwaarwichtige zaken (Joh. 4:7 vv). Met weinig woorden antwoordt Jezus mensen op een wijze waarop ze snel de wereld om zich heen vergeten en alleen Hem zien.

Altijd blijft Hij de ‘gevende’ of Hij nu bij een tollenaar te gast is (Luc. 5:29; 15:1 vv) of bij iemand met een hoge status (Luc. 7:36). Nicodemus, een schriftgeleerde wordt door Hem in verwarring gebracht door de volledige verschuiving van het standpunt waarop hij zich bij het gesprek instelde, en moet zich vervolgens blindelings overgeven aan Zijn leiding. (Joh. 3:3 vv). En soms weet Jezus een voorzichtige wending te geven aan een gesprek, altijd rekening houdende met de persoon tegenover Hem. In Marc. 10:19 ontmoet Jezus een rijke en stelt in de plaats van het 9e en 10e gebod de opdracht: “Gij zult niemand tekort doen, niemand iets onthouden voor wat hem toekomt”. Vergelijk dit met Deut. 24:14: “Een dagloner, die het al moeilijk genoeg heeft, mag u niet uitbuiten”.


Jezus als dichter
De welbespraakte Jezus is zeker te rekenen onder de grootste dichters van de wereldgeschiedenis. Van koning Salomo wordt gezegd: Hij sprak drieduizend spreuken, hij sprak over bomen, de cederbomen in de Libanon tot en met de hysop, het plantje wat uit de muren groeit. Hij sprak van het vee, het gevogelte en de kruipende dieren en de vissen (1 Kon. 4:32 vv). Jezus nog veel meer!
Laten we eens een aantal dieren opnoemen die in Zijn spreuken op betekenisvolle wijze gebruikt werden: kameel, wolf, vos, slang, hond, os, ezel, schaap, kalf, zwijn, vis, arend, hen, kuiken, duif, mus, mug, schorpioen, enzovoort. Bijna iedere gedachte wordt bij Jezus tot een spreuk afgerond, precies gedefinieerd, zonder dat het verdere uitleg behoefde.

Elk woord is te zien als een edelsteen, die fonkelt in verschillende kleuren in de steeds nieuwe samenhang waarin de woorden door Jezus belicht werden, waardoor ze van grote waarde waren. Als een van de vele voorbeelden van spreuken kun je Matt. 7:2 bekijken, waar het Hebreeuwse parallellisme op eenvoudige wijze naar voren komt: “Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden”. In Luc. 14:11 wordt het parallellisme tot een tegenstelling: “Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden. In Matt. 10:40 wordt de gedachte in het parallelle (tweede) lid voortgezet: “Wie jullie ontvangt, ontvangt mij, en wie mij ontvangt, ontvangt hem die mij gezonden heeft”.

Daardoor wordt door bepaalde woordspelingen aan spreuken een nieuwe betekenis gegeven zoals in Matt. 10:39 waarin gelijke woorden in verschillende betekenissen worden gebruikt (verliezen en verliezen). “Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden”. Andere spreuken zijn zeer bijzonder hoewel ze soms een schijn van eenzijdigheid (Matt. 7:7 vv), van wonderlijkheid (Joh. 9:39), van overdrevenheid (Matt. 12:30), ja zelfs van tegenstrijdigheid (Joh. 5:31 vergeleken met 8:14) hebben. Vaak hebben ze het doel één kant van de waarheid opzettelijk te benadrukken. Als oosterling denkt Jezus veelal in spreuken met een levendige aanschouwelijkheid.

Veel van deze spreuken zijn dikwijls verrassend in de gewone levenspraktijk: een balk in het oog, een kameel gaande door het oog van een naald, een kameel doorzwelgen, stenen die roepen, het verzetten van bergen, enzovoort (Matt. 7:3; 17:20; 19:24; 23:24). Er zijn spreuken waarbij belangrijke zaken extra benadrukt worden bijvoorbeeld: “Denk niet dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard!” (Matt.
10:34). Jezus laat al de haren op het hoofd geteld zijn (Matt. 10:30) en het evangelie terstond van de daken prediken (Matt. 10:27). Overal komt Zijn pakkend taalgebruik en de geweldige dichtkunst in Zijn spreken naar voren.

De gelijkenissen van Jezus
Als we spreken van de dichterlijke kwaliteiten van Jezus, dan moeten zeker Zijn gelijkenissen genoemd worden. Als slechts die éne gelijkenis van de verloren zoon behouden gebleven zou zijn, dan zou de Here Jezus zonder meer de ‘hoofdprijs’ voor het gebruiken van gelijkenissen gekregen hebben, maar er is nog veel meer! Jezus heeft de schriftgeleerden het gebruik van gelijkenissen bijgebracht. Ze kenden deze vorm wel, maar Jezus overtrof hen in ruime mate. Jezus had het voorrecht en het vermogen om dingen te zien. Hij zag in ‘gewone dingen’ het betekenisvolle en typische. Niemand voor of na Hem had het vermogen tot een dergelijke intuïtieve werkelijkheidszin als Jezus. Hij schildert Zijn woorden zonder veel franje of opsmuk. Hoe een ontaarde zoon zijn geld naar de hoeren brengt ( Luc. 15:13), hoe een bedrieglijke rentmeester te lui is om te werken en te voornaam om te bedelen (Luc. 16:3), hoe een mens zijn zin krijgt als hij maar genoeg doordramt (Luc. 11:8). Jezus weet en schildert het open en eerlijk hoe in het oosten de vele werklozen rondlummelen en naar sprookjesvertellers luisteren of in het gras liggen te slapen (Matt. 20:3). Hoe een rechter op onrechtvaardige wijze zich eerst afsluit voor de klacht van een arme weduwe die geen geld heeft (Luc. 18: vv) en hoe de heer en meester in zijn verschrikkelijke wreedheid zijn slaven zonder pardon in stukken laat zagen (Matt. 24:51). Jezus was het naturalisme en realisme allang vaardig voordat het in de wereldgeschiedenis van de dichtkunst opgang maakte. Jezus ziet dingen. Hij daalt af tot de straat en ziet de eenvoudigste levensverhoudingen.

Hij spreekt van een nieuwe lap die de kleermaker zet op het oude kleed (Matt. 9:16) en van het smerige net dat de vissers uit het meer optrekken (Matt. 13: 47). Van het zuurdeeg dat de vrouw aan de baktrog onder het deeg mengt (Matt.13:33) en van de bruidsmeisjes die aan de huisdeur vermoeid inslapen (Matt. 25:5). Van de heer die op de bruiloft zich te lang opgehouden heeft en pas in de vroege uurtjes thuiskomt (Luc. 12:38). Naast het feit dat Jezus dingen doorzag had Hij ook de magistrale gave om dingen te vertellen. Wie kent niet de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan? In een paar woorden worden heel herkenbare zaken neergezet.Waar is het vaderhart ooit beter geschilderd dan bij de gelijkenis van de verloren zoon? Welke dichter heeft de vaderlijke grootmoedigheid in zo weinig woorden op een dergelijke aangrijpende wijze geschetst? Geen woord te veel of te weinig. Er is niets gekunstelds of overdadigs aan, slechts een edele eenvoud en stille grootsheid. De bijzondere gelijkenis van de barmhartige Samaritaan wordt door Jezus direct verteld als spontane reactie op een vraag van een schriftgeleerde (Luc. 10:29). Jezus heeft Zich nooit bezig gehouden met het aan elkaar plakken van allerlei filosofieën en leerstellingen waarmee Mohammed zich bezig hield, of met de verstandelijke speculaties van Boeddha. De graankorrel die moet sterven

Jezus als denker
Heeft Jezus onder de dichters een ereplaats (hoewel Hij die Zelf nooit begeerd zou hebben), we moeten Hem ook scharen onder de grootste denkers die ooit geleefd hebben. Behalve in het gebruik van analogieën in de natuurwetten bleek Hij ook een meester te zijn in dit gebruik van analogieën als het ging om geestelijke wetten. Jezus heeft als eerste de goddelijke wetten in de natuur vergeleken met die van de geestelijke wereld. In gelijkenissen schildert Hij op voortreffelijke wijze en natuurgetrouw (lees bijv. Matt. 13:3 vv) de noodzakelijkheid van goddelijke wetmatigheden. Hij laat enkele belangrijke grondwetten in het rijk Gods zien. In de gelijkenis van de zaaier ondervindt het zaad hindernissen in de toestand van de bodemgesteldheid. Dit geldt echter ook bij het Woord van God, waarbij de staat en toestand van het menselijke hart van belang is (zie ook Joh. 12:24). Jezus wijst op de levenswet van worden en vergaan, waarbij de geestelijke dood het begin van een nieuw leven is. Volgens de natuurwetten is het zo dat de wijnstok die afgescheiden is van de rank, ten dode is opgeschreven. Dit is ook in geestelijke zin zo (Joh. 15:6). De wasdom van het zaad gebeurt geleidelijk: eerst de halm, dan de aren, dan de vrucht erin.

Dit is net zo duidelijk als het is bij de ontwikkeling van het rijk van God. In de natuur groeit het kleine mosterdzaadje uit tot een geweldig grote plant. Dat geldt ook voor de kleinheid bij aanvang van het Koninkrijk van God, maar het groeit uit tot iets machtigs (Marc. 4:31). Jezus heeft ook krachtige gedachten gesproken over de hoop der opstanding, ontwikkeld uit de veel gebruikte uitdrukking ‘de God van Abraham, Izaak en Jacob’ (Matt. 22:32). Jezus verdiept de woorden van Mozes, bijvoorbeeld bij het zevende gebod: “En Ik zeg zelfs: ’Iedereen die naar een vrouw kijkt om haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd’” (Matt. 5: 28). Dat Jezus de nadruk op het eerste gebod legt, was al door Mozes opgetekend (Deut. 5:4-9). Maar dat Hij daarnaast een gebod formuleerde wat daaraan gelijk was, is uniek (Matt. 22:39). De beide geboden waren allang bekend maar Jezus verbond ze door (goddelijke) liefde samen en benadrukte deze twee naast de honderden andere voorschriften die het oude testament kent.

 Jezus als psycholoog, pedagoog en volmaakt mens

Iedere psycholoog behoort met eerbied over Jezus spreken. Er is niemand die zo gemakkelijk en feilloos de menselijke ziel en geest kan doorgronden. Denk maar eens aan de manier waarop Hij het hart van de mens als akker beschrijft (Matt. 13:3 vv) of aan Zijn waarnemingen die Hij deed toen Hij naast de offerkist zat (Marc. 12:41). En hoe geweldig heeft Hij niet de kinderziel getypeerd (Matt. 18:3; Marc. 10:14) als het wezen van een kind door Hem wordt geanalyseerd. Niet alleen psychologen kunnen bij Jezus in de les, ook pedagogen. Van Hem kunnen ze leren hoe je aanschouwelijk onderwijs geeft (Matt. 18:2; 22:19 vv), hoe je van iets dichtbij naar iets ver weg kunt komen (Joh. 4:7,10), hoe je met een kleine kunstgreep de aandacht krijgt (Joh. 8:6).

Bij Jezus kun je leren hoe je een vraagsteller zelf zijn vragen kunt laten beantwoorden (Luc. 10:29,36) en hoe je tegenover onmondigen hele moeilijke en nieuwe dingen mag verbergen en hen tenslotte zo kunt leiden dat ze later zelf de antwoorden vinden op hun moeilijke vragen. Hier gaat het vooral om Jezus’ terughoudendheid ten aanzien van het afleggen van een getuigenis van Hemzelf.

In het Onze Vader staat: “Vergeef ons onze schulden zoals ook wij hebben vergeven….” (Matt. 6:12). Zo leert Jezus ons geen goedkope beloften te maken, maar laat zien dat Gods kinderen altijd de noodzaak in moeten zien dat ze met hun schuldenaren in het reine moeten komen vóórdat ze zelf vergeving zoeken. Ook de bioloog en de natuurwetenschapper kunnen nog veel leren van Jezus.

Wat een oog heeft hij voor de natuur gehad! Ook in dit opzicht was Hij Zijn tijd ver vooruit. Bijvoorbeeld Zijn uitspraak in Matt. 6:28-29: “Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. … Ik zeg jullie, zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als één van hen”. Jezus wilde niet een sociale hervormer zijn (Luc. 12:14). Nooit heeft Hij door een wonder een arme van zijn armoede afgeholpen. Hij genas de zieke knecht / slaaf van de hoofdman, maar eiste niet dat deze hem eerst vrij zou laten.
De gehele oude wereld heeft nooit de tegenstelling van heren en slaven overwonnen. Jezus hief die tegenstelling met één zin op: “De belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn (Matt. 23.11). Jezus heeft ervan afgezien welke eisen dan ook te stellen aan het maatschappelijke leven, en toch heeft Hij met de uitspraak: “Heb de naaste lief als uzelf” heel wat in de maatschappij in beroering gebracht.

Welk een inzicht heeft Jezus in de geschiedenis. Terwijl Paulus een scherp onderscheid maakt tussen de voorchristelijke tijd en de christelijke tijd, ziet Jezus ook wel het onvolkomene van vroegere tijden, maar door Zijn leven wil Hij slechts tot een goed einde brengen wat onder de oudtestamentische bedeling allang bestond en in werking was. Voor Hem is de gehele wereldgeschiedenis één grote liefdesopenbaring van de Vader. Iemand heeft eens over Jezus gezegd, dat Hij de wereld verloste van theologen. Hij leek zo weinig op een theoloog en toch is er niemand ooit geweest die diepzinniger over God en goddelijke zaken gesproken heeft dan Hij. In twee eenvoudige woorden brengt Hij Gods erbarmen en verhevenheid ‘op de kaart’: “Vader…in de hemelen ….”.

Vele theologen dreven mee op de stromingen van hun tijd. Bij Jezus was dat niet het geval. De discipelen moesten dit ook accepteren. Wilden ze dit niet, dan hadden ze geen deel aan Hem (Joh. 13:8). Bij de rabbijnen gold het als het hoogste wanneer je geen andere leraren citeerde, maar oorspronkelijk was.
Wanneer heeft Jezus Zich ooit op een ander mens beroepen? Integendeel, Hij zei vaak: “Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd …”, maar Ik zeg u (Matt. 5:21).

Men bedenke dat Jezus als timmerman is opgegroeid, zonder noemenswaardige schoolopleiding. Wat een gaven heeft Hij gehad en ontwikkeld om zo aan de ‘spits’ van de mensheid te staan. En toch, al deze zaken betreffen slechts de ‘voorhof’ van Zijn persoonlijkheid. Als we het hart, de geest van de Here Jezus analyseren wordt onze aanbidding voor Hem nog groter. In een volgend artikel (Het reine hart van Jezus) hopen we hier (D.V.) aandacht aan te schenken.

Jezus en de Bijbel.

Wat wij noemen ‘het oude testament’ was voor Jezus de Bijbel. Hij leefde in de oudtestamentische geschiedenis. In Zijn onderwijs heeft Hij verwezen naar Kaïn, Abel, Noach, de zondvloed, Abraham, Lot, Elia, Naäman, Jona, Zacheria en nog veel meer (Matt. 6:29; 12:3 vv, 40,42; 23:35; Luk. 4:25,27; 17: 26,29; Joh.8:40). Oudtestamentische gebeden en verzuchtingen werden door Hem uitgesproken in Gethsemane en aan het kruis (Ps. 43:5 (Matt. 26:38); Ps. 6:4, 42: 6 (Joh. 12:27); Ps. 22:2 (Matt. 27:46); Ps. 31:6 (Luk. 23:46)). Jezus was met
iedere letter van de Bijbel vertrouwd, zelfs tot in de kleinste bijzonderheden, en op een manier die we ons nauwelijks voor kunnen stellen.

Dit komt onder andere tot uiting door allerlei toespelingen die Hij vaak deed en die bewezen OPdat Hij in de gedachtewereld van het oude testament leefde. We zien dat als Hij in Joh .18:11; Matt. 26:39 spreekt over de drinkbeker drinken (zie Jes. 51:17) ; over het roepen van de stenen in Luk. 19:40 (zie Hab. 2:11); over het weggaan van de werkers der ongerechtigheid in Matt. 7:23 (zie Ps. 6:9) of van het zien van de raven in Luk. 12: 24 (zie Ps. 147:9) of van het verwoesten van de tempel in Matt. 23:38 (zie Ps. 69:26; Jer. 22:5); of van de houding van het volk Israël tegenover Hem in Matt. 23: 39 (zie Ps. 118:26); het bedekt worden door de bergen in Luk. 23:30 (zie Hos. 10:8); of het treden op slangen in Luk. 10:19 (zie Ps. 91:13). Verder spreekt Hij in Luk. 8:10 over het niet-zien van zienden (zie Jes. 6:9 vv) of over het verhoogd worden van Kapernaum tot aan de hemel in Luk. 10:15 (zie Jes. 14: 13 vv); over het verheffen van de zoon tegen de vader in Luk. 12: 53 (zie Micha 7:6) of over het opstaan van het ene koninkrijk tegen het andere in Luk. 21 :10 (zie Jer. 19:2).

Op nog veel meer plaatsen heeft Jezus door zinspelingen, zinwijzigingen en uitdrukkingen blijk gegeven van een onuitputtelijke bijbelkennis. Toch is dit vertrouwd worden met de Bijbel niet zo gemakkelijk als in onze tijd waarin de Bijbel vrij en digitaal toegankelijk is. Hij kon alléén in de synagoge toegang tot de boekrollen krijgen om ze te lezen.
We lezen veel van het alleen zijn van Jezus, maar nooit van het alleen zijn om te lezen. Daarom moet de bijbelstudie vooral plaatsgevonden hebben vóórdat Hij in de openbaarheid trad. Daarna, na het zaaien en strijden, moet Jezus vooral geleefd hebben door het tevoren verworven woord uit zijn herinnering.
Tegenwoordig praat men nogal laatdunkend over van buiten leren, maar Jezus moet ongetwijfeld veel van buiten geleerd hebben en Zijn geheugen geoefend om het weer te kunnen gebruiken in de eenzame dagen van de verzoeking in de woestijn of in de woelige tijd en strijd in Jeruzalem.

Niet in de laatste plaats in Zijn laatste dagen en uren, tot aan het kruis! Het was een in goede dagen bijeengebrachte schat, die Hem in moeilijke dagen tot brood, water, schuld en zwaard diende. Jezus’ positie tegenover de Bijbel, was een geheel andere dan die van de Joden vóór die tijd. Voor de Palestijnse Joden was de Bijbel een verzameling van geldende uitspraken, die geleerde rabbijnen moesten uitwerken.

Voor de Alexandrijnse Joden, was de Bijbel een verzameling van geheime kennis, waarin ze hun eigen wijsbegeerte konden inleggen. Jezus vond God in de Bijbel, en als Hij de Bijbel las, communiceerde Hij met Zijn Vader. Voor Jezus was de Bijbel dagelijks ‘voedsel’. Hij leefde van ieder woord. Hij las de Bijbel met een grote oplettendheid, zeker ook om het getuigenis van God over Zichzelf. Hij wist dat Hij Zijn kennis voor een groot deel aan dit boek dankte, omdat de wil van God hierin geopenbaard is, en dat God talloze malen tot Hem gesproken had door dit boek. Daarom had Hij veel eerbied voor de Bijbel. Naast gebed was de Bijbel het element van Zijn geestelijk leven, waaruit stromen van leven voortkwamen.

Hij voedde voortdurend Zijn gedachteleven en gevoelens hiermee en beleefde de gemeenschap met God.
Hij hoorde en vroeg (Luk. 2:46) als kind al om informatie ten aanzien van zijn Vader te verkrijgen. Hij bezat direct inzicht (niet via anderen). Zijn schriftuitleg is eenvoudig en duidelijk, maar toch oneindig diep (Marc. 12:26 vv). Nooit heeft Hij in de Bijbel iets gelezen wat Hem afstootte, want Hij kende de kracht Gods en wist die ook te benutten bij de verklaringen die Hij gaf (Marc. 12:24).
Hij kende ook de hardheid van het hart, die mensen bemoeilijkt de Schrift als Gods woord aan te nemen (Matt. 19:8). De Bijbel was Hem tot een zwaard en schild tegenover satan (Matt. 4:4,6,10) én mensen. Op het “er staat geschreven” rustte Zijn geloof. Het was het licht op Zijn weg. Vóór alles heeft de Bijbel Hem getroost. Kunnen we ons wel genoeg voorstellen hoeveel sterkte en bemoediging Jezus hieruit geput heeft? Bijvoorbeeld uit de tekst van Jes. 52:13 tot Jes. 53:12. Niemand mag één woord misbruiken. Jezus heeft dat nooit gedaan. Hij heeft Zijn kennis en kracht en troost uit het Woord geput, het moest aan Hem volbracht worden, zoals het geschreven is (Matt. 26:54,56). Dat Jezus in Zijn ‘goede’ dagen Zijn Bijbel gelezen had, troostte Hem in de ‘kwade’ dagen.

Jezus de vervulling van de Schrift
De relatie van Jezus met de Bijbel was uniek in twee opzichten. Allereerst wist Jezus dat Hijzelf het doel was van de Schrift (Luk. 24:27,44; Joh. 5:39,46). Hij wist dit al in de synagoge van Nazareth (Luk. 4:21). Toen Hij Zijn ‘koninklijke’ intocht in Jeruzalem op het veulen van een ezelin voorbereidde, wist Hij dat Zacharia van Hem gesproken had (Zach. 9:9). Door het beeld wat Jesaja van de toekomst over Hem had opgetekend, moest men Hem kunnen herkennen (Matt.11:5; Jes. 35:5 vv). En daar waar dat niet letterlijk kon, zijn er talrijke voorbeelden in de Bijbel en in typen die in Hem vervuld moesten worden.

Er zijn heel bijzondere bij zoals de vergelijking van Jozef met Jezus. Jozef werd door Juda voor twintig zilverlingen aan de handelslieden verkocht, zodat die hem voor dertig zilverlingen ‘met winst’ in Egypte van de hand konden doen (Gen. 37:26 vv). Judas ‘verkocht’ Jezus voor dertig zilverlingen (Matt. 26:16). Zoals Jezus de Bijbel las heeft nooit iemand de Bijbel gelezen,
Hij wist dat het over Hem ging. Hij vond Zichzelf terug in de Bijbel, in de wet, in de profeten en in de psalmen, zoals bijvoorbeeld als ‘hoeksteen’ (Ps. 118:22). Dikwijls heeft Hij voor vriend en vijand het Schriftbewijs geleverd over wie Hij Zelf was. In het oude testament staat op veel plaatsen verborgen dat er sprake zou zijn van een God die Zelf zou verlossen (Matt. 11:10, vgl. Mal. 3:1; Matt.
11:14, vgl. Mal. 4:5,6; Matt. 21:16, vgl. Ps. 8:3).
Er is echter nog een belangrijke andere reden waarin Jezus verschilde van ieder ander mens in Zijn relatie met de Bijbel. Hij gedroeg Zich als Heer van de Bijbel. Hij was Zelf iemand die de Schrift vormde, ze in nieuwe vormen preekte en ontwikkelde en zelfs tot vervulling bracht. Uit Hem vloeide een zelfstandige bron van kennis en juist daarom had Hij de sleutel tot het werkelijke begrip van de Bijbel.
Degene die Hem hoorden spreken kregen de indruk dat Hij anders sprak: namelijk als gezaghebbende (Matt 7:29; Joh. 7:46). Zo stelde Hij Zich bijvoorbeeld tegenover de oude geboden met een stellig: “Maar Ik zeg u” (Matt. 5:22,28,32,34,39,44) of door te zeggen: “Ik ben gekomen om ze te vervullen” (Matt. 5:17). Vrijmoedig week Hij af van wat de profeet vroeg als het ging om het neer zenden van vuur uit de hemel (Luk. 9:54) en Hij oefende kritiek op Lamechs uitspraak: zeventig maal zeven gewroken (Gen. 4:24; Matt. 18:22)

 Jezus als Schriftgeleerde

Men verwachtte Elia, Hij noemde Johannes de Doper Zijn Elia, die door de mensen is omgebracht (Marc. 9:13). Hij paste de beschrijving van de Messias als herder op Zichzelf toe, maar Hij gaf die beschrijving een heel nieuwe inhoud door er de levensovergave, die de herder heeft voor de schapen, er aan toe te voegen (Ez. 34:23; Joh. 10:11,15,17,18). Hij eerde de Schrift maar Hij behandelde ze vrij en zelfstandig zoals alleen Gods rechtstreekse afgezant mag doen. Hij wist de Bijbel te ontwikkelen in haar uitspraken. Ook dáárin heeft Hij zich een Heer van de Schrift getoond, die met haar deed wat Hij wilde.

Hij liet onvermeld wat Hij onvermeld wilde laten (Ex. 30:13; Matt. 17:27). Hij gebruikte wat Hij nodig had voor de prediking. Soms stelde Hij Schrift naast Schrift (Matt. 4:6,7). Ook verklaarde hij Schrift met Schrift. Hij koos bijzondere delen uit.

De Bijbel gaf Hem veel voorbeelden om de Messias te schetsen:bijvoorbeeldJes. 60 (wonderen tot onderhouding van het eigen leven), en 1 Kon. 17:13 (tot eigen bescherming). Hij nam de vrijheid om de Schrift voor Zijn doel te gebruiken.
Bijvoorbeeld door uit Jes. 4 t/m 6 eenvoudig vers 4 weg te laten tot rechtvaardiging van Zijn genezingen en Jes. 61:1,2 tot rechtvaardiging van Zijn prediking. En dan het geweldige samenvoegen van Dan. 7:13 vv (De Zoon des mensen op de wolken in de hemel) met Jes. 53, de lijdende Knecht des Heren. Het is moeilijk om te bedenken in welke mate de Schrift de gedachten van Jezus gevormd heeft en in welke mate dit Zijn bron van kennis was. Heel vaak krijgen we de indruk dat Hij de Bijbel ook met een geweldig groot bezit van eigen kennis benaderde.

Immers ook hierdoor zou Hij in staat geweest zijn de ‘goudaders’ van de Bijbel bloot te leggen, die voorheen verborgen bleven (Matt. 4:4, Marc. 12:26). In de sabbatkwestie (Matt. 12:7) haalde Hij Hosea 6:6 aan en verder de hongerende David en de dienstdoende priesters (Matt. 12:3,5) en leidde uit de werken van Zijn Vader Zijn eigen, door geen sabbatsrust te verstoren, heilzaam werken af (Joh. 5:17). In alles heeft Hij bewezen dat Hij het was die de vaderen beloofd hebben (Num. 21:8,9; Joh. 3:14; Jona 1:17; Matt. 12:40, Ps. 110 en Matt. 22:42 vv).

 Jezus en de natuurlijke wereld

Hoe heeft Jezus Zich opgesteld ten opzichte van alles wat de wereld te bieden heeft? De wereld heeft bijzonder veel te bieden als het gaat om zintuiglijke prikkels, maar ook aan verleidingen. Je zou in de eerste plaats kunnen zeggen dat Jezus Zich op een onbevangen wijze heeft opgesteld voor alle zaken, die in de wereld ‘te koop’ zijn. Zelfs het kleed dat de Romeinse soldaten Hem uittrokken op Golgotha was in zekere zin een luxe artikel (Joh. 19:23). En de zalving van Zijn voeten, zes dagen vóór Zijn dood, een kostbare zaak, liet Hij Zich zonder protest welgevallen. Iemand die misschien meer benepen was, zou misschien gezegd hebben, dat dit geld beter aan de armen ten goede had kunnen komen (Matt. 26:8 vv).


We zien dat Jezus zonder veel moeite tijdens Zijn leven, hier op onbevangen wijze genoot van wat de wereld Hem bood. Dikwijls heeft Hij deelgenomen aan maaltijden, feesten en bruiloftsvieringen, die juist in het oosten uitbundig gevierd werden (Luk. 7:36 vv,10:38 vv, 14:1, Joh. 12:2 ). Lasteraars konden Hem gemakkelijk uitmaken voor een veelvraat en alcoholist (Matt. 11:19). Hij vond het prima dat men voor Hem feestmaaltijden organiseerde, ook als middel om aan Hem te denken (Matt. 9:10, Joh. 12:2). Het laatste ongestoorde uur dat Hij met Zijn discipelen doorbracht was een feestmaaltijd. En als Hij sprak over het afleggen van Zijn leven, dan verbond Hij er na Zijn opstanding aan: ‘Ik zal met u zijn in het koninkrijk van Mijn Vader en opnieuw met u van de vrucht van de wijnstok genieten’ (Matt. 26:29). Hij heeft zonder enige aarzeling de vruchten van de tegenwoordige (Matt. 22:2) en de heerlijkheid van het toekomstige (Matt. 25:1) Rijk Gods met de geneugten van een gastmaal vergeleken of ook Zichzelf met de Bruidegom (Matt. 9:15).

 Zijn moeder wist dat ze met vragen als ‘ze hebben geen wijn’ rustig bij Hem kon komen (Joh. 2:3). En Hij wist Zelf dat de oude wijn beter smaakt dan de nieuwe en dat de mensen, die de oude wijn gedronken hebben, het nieuwe niet meer lekker vinden (Luk. 5:39). Wanneer Jezus in Zijn gelijkenissen de vreugde schilderde, dan ontbreken het gemeste kalf en muziek en dans niet (Luk.15:23,25). Hij heeft de behoeften van het lichaam nooit ontkend. In honger en dorst zocht Hij bevrediging, ook in de aanwezigheid van een Samaritaanse; Hij had ook wel kunnen wachten totdat Zijn discipelen terugkeerden. Ja, zelfs nog aan het kruis; Zijn laatste lafenis is een onaanzienlijke zure wijn, die de arbeiders en de soldaten drinken (Joh. 19:29). Geweigerd heeft Hij slechts toen Hij de slechte bedoelingen van mensen proefde (Matt. 27:34; Marc. 15:23). In het begin van Zijn kruislijden weigerde Hij de verdovende drank. Daarentegen gaf Hij, als een vanzelfsprekendheid, er aan toe een kussen te gebruiken om uit te rusten (Marc. 4:38). Ook sprak Hij niet tegen toen men het rijden op een ezel vergemakkelijkte met kledingstukken (Matt. 21:7).

 Hij wist dat een voetwassing weldadig aanvoelt, denk maar eens aan de voetwassing van de discipelen (Joh. 13:4 vv). Ook liet Hij de zalving van Zijn voeten Zich tot twee maal toe welgevallen (Luk. 7:38; Joh. 12:3). Hij verbood Martha Hem allerlei diensten te bewijzen, ook al deed ze het vanuit haar liefde (Luk. 10:40). Mohammed heeft iets goeds gezien in het versmaden en haten van de wijn gezien. Jezus heeft zelfs de herinnering aan Hem verbonden met wijn (Marc.14:23 vv) en Hij had er kennelijk geen moeite mee bij het jonge paar in Kana 500 liter wijn als huwelijksgeschenk achter te laten (Joh. 2:6).

Jezus preekte zeker geen ascese, Hij zorgde voor de behoefte van het volk in de woestijn (Marc. 8:2 vv). Hij verdedigde Zijn leerlingen als zij hun honger stillen, zelfs als ze daarmee het Sabbatsgebod breken (Matt. 12:7(1)). Voor Hem had vasten, als een gebod van buiten opgelegd en zonder juiste motivatie, geen betekenis (Marc. 2:19 vv). Dit alles is nog belangrijker als je je realiseert dat Hij zich daarmee afzette tegen de heersende mening in die tijd (Marc. 2:18; Matt.
11:19) en zelfs afweek van de praktijk van Zijn voorganger, Johannes de Doper (Matt. 3:1,4). De ons omringende wereld biedt zoveel aan vreugde en genietingen. En Jezus heeft er op een onbevangen manier gebruik van gemaakt. Hij moet een geweldig oog voor de natuur gehad hebben. Jezus heeft als niet vele anderen in Zijn tijd verschillende zee-, berg- en landschappen gezien, en dit alles te voet, als de natuur zich hulde in de oosterse zon.

Het is bijvoorbeeld bekend dat je op de weg van Jeruzalem naar Jericho binnen enkele uren door verschillende klimaatzones wandelt, die normaal gesproken duizenden kilometers uit elkaar liggen. Neem het lieflijke beeld van het landschap van Cesarea Philippi. Een hof van de Heer met overvloed van water en bomen. Alpenbeken en alpenweiden die vaak met ereprijs bekleed zijn en eruit zien als een blauw bloemtapijt. Of daal van het oosten af naar het meer van Tiberias. Het gaat door weelderig hoog gras en bonte weidebloemen, daar groeit de vuurrode maankop en de diepblauwe iris, net als de anemonen, het adonisroosje, de anjer, tulp en ereprijs. En dan opeens is er het uitzicht vanaf het 700 meter hoge plateau over het glinsterende meer. Hoe mooi zijn deze kleuren in hun glans en gloed!

En in het noorden troont zwijgend boven dat alles de met sneeuw bedekte berg Hermon. Ik denk dat Jezus hier ook vaak van genoten heeft. Dit kun je afleiden uit Zijn spreken over leliën, mussen, bergen en heuvelen, wijnstokken, bliksem, plasregen en zonneschijn, van goede en slechte bomen, van het morgen- en avondrood. Nu is die bewondering voor de natuur heel gewoon, kijk maar eens in het boek Psalmen, maar Jezus had een bijzonder ‘oog’ voor de natuur. Net als in Psalm 29 bewonderde Hij de pracht van het onweer met zijn uitwerking op het meer, het hooggebergte of het dichte woud. Jezus knielde neer voor het weidebloempje en zag met één oogopslag de schoonheid die zelfs de schoonheid van Salomo doet verbleken (Matt. 6:29). Ja, in het kleine van de vogels (Matt. 6:26), zelfs in de mussen (Matt. 10:29 vv) vond Jezus voorwerpen van bewondering. Jezus had een vreugdevolle blik naar Zijn omgeving, Zijn hart ging open bij het zien van de groene landouwen.

Het rijpende zaad zei Hem niet dat het snel gemaaid moest worden, maar veelmeer dat waar de zaaier ook langs wandelt, de aarde, wat haar toevertrouwd wordt, door Gods zon tot gouden korenaren laat rijpen (Marc. 4:26-29). En als in de winter de raven kraaien dan vertelde dat Hem niet in de eerste plaats over de honger en behoeften, maar van een rijke God die zelfs de raven voedsel geeft. Zo laafde Jezus Zich aan een mooie wereld onder de heerlijke oosterse zon en dronk Hij vrolijkheid en niét droefgeestigheid in uit datgene wat de natuur Hem te bieden had. Voor Jezus stond vast: de aarde is van de Heer. De natuur is om van te genieten en is ons door de Vader gegeven. In 1 Tim. 4: 4 staat:

‘ Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets daarvan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt, geheiligd door het Woord Gods en gebed’. Jezus heeft Zich nooit bezondigd tegenover de natuur of aan overmaat, daarom kon Hij ook met grote vreugde gebruik maken van alles wat de natuur bood. Hoe anders is Hij dan bijvoorbeeld Boeddha.
De ‘vromen’ in Zijn tijd waren bang voor een te groot geluk. Ze hadden het gevoel dat ze eerst de berg van hun zonden moesten verminderen. Het is natuurlijk ook duidelijk dat Jezus die vreugde had omdat Hij de Heer van de natuur is. Over Hem had de wereld geen macht, noch door angst noch verleiding. Hij verheugde zich over de wereld, maar wanneer Zijn Vader in het geding kwam was de wereld van ondergeschikt belang. Voor ons is de wereld met al haar verlokkingen een groot gevaar. Jezus wist dat, Hij zei dat Hij liever had dat mensen met één oog of één arm het Rijk van God binnenkwamen dan dat ze ‘gezond’ buiten blijven (Matt. 18:8 vv).

Jezus en het huwelijk

Jezus heeft die zelfverminking nooit nodig gehad en nooit in toepassing gebracht. Of toch wel? Heeft Hij ooit een vrouw de Zijne genoemd? Het lijdt geen twijfel dat Jezus veel goeds zag in het huwelijk. Aan de bruiloftsvreugde, die misschien wel de grootste vreugde is die er bestaat, heeft Hij meerdere gelijkenissen ontleend, en daarbij Zichzelf als bruidegom vergeleken. Hij heeft nooit geweigerd om als gast aan een bruiloft te zitten. Hij hield van de kinderen die uit het huwelijk voortkwamen (Ps. 128:3).

Bovendien hield Hij het huwelijk hoog, ondanks de vele scheidingen (Matt. 19:4 vv). Jezus heeft nooit behoord tot hen die het huwelijk verbieden (1 Tim. 4:3). Het is zelfs de vraag of Jezus het volmondig met Paulus eens zou zijn om in veel gevallen niet te trouwen (1 Kor. 7:27,38,40). Des te meer blijft de vraag waarom Hij ongehuwd bleef, als Hij de ongehuwde stand niet als iets ‘hogers’ beschouwde. Paulus en ook Johannes de Doper zagen af van hun natuurlijke rechten om getrouwd te zijn omwille van het Rijk Gods (1 Kor. 9:5). Hoeveel temeer Jezus die veel taken moest vervullen. Jezus, Die zelfs op een bepaalde manier Zijn moeder corrigeerde omdat Hij het Lam Gods was die de zonden der wereld op Zich zou nemen. In die tijd toen Jezus optrad, lagen de dagen dat Hij normaal gesproken zou trouwen als Hebreeuwse jongeling (omstreek het 18e jaar) al achter Hem. Maar Hij beantwoordde al aan de wetten van het voleindigde koninkrijk van God. In Matt. 22:30 staat immers: ‘In de opstanding huwen zij niet en worden niet ten huwelijk genomen’. In die zin was Jezus uniek (Joh. 3:13). En niemand is opgevaren naar de hemel dan die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des Mensen.

De waarachtige Jezus
Als we het leven van Jezus volgen, valt op dat Hij vóór alles waarachtig was. Hij deed Zich niet anders voor dan dat Hij was. Bij Hem was alles oprecht, eenvoudig en natuurlijk. Ongetwijfeld lag hierin ook een majestueuze hoogheid, Hij wees ieder oneerlijk middel verre van Zich. Hij kende niet wat wij opportuniteit noemen, zelfs niet als het Zijn zaak op dat moment zou kunnen helpen, Hij ging in alles ‘recht door zee’. Als waarachtige schaamde Jezus Zich niet voor moeilijke situaties waarin Hij terechtkwam: “Hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is” (Luc. 12:50), “Mijn ziel is bedroefd, tot stervens toe” (Matt. 26:38), “Mij dorst” (Joh. 19:28).

Zo heeft Hij bij vrienden en vijanden zijn leed verwoord. De ‘wijsheid’ van die tijd was echter geheel anders. De Stoïcijnen wilden namelijk de schijn bewaren onder de tegenslagen van het leven door te zeggen dat het ze niets uitmaakte. Jezus was geheel anders: “Van die dag en die ure weet niemand, ook de Zoon niet” (Marc. 13:32),”Het zitten aan de rechter- of linkerhand is niet aan Mij” (Marc. 10:40). Zou het niet ‘verstandiger’ geweest zijn om daarover te zwijgen? Echter Hij is degene die van Zichzelf zegt: “Ik ben de Waarheid” (Joh. 14:6).De ziel van Jezus was zo doorzichtig als een bron in de bergen. Iemand heeft eens gezegd:

“Er zijn vele deugden te vinden bij veel volkeren, maar nergens treft men liefde aan voor de waarheid”. Jezus wilde het zweren bij Zijn discipelen verbieden (Matt. 5:34). Hij gebood hen: “Laat je ja een ja zijn en je nee een nee”. Bij onze waarachtigheid vinden we steeds ‘leugentjes om bestwil’, vaak ook om elkaar te sparen. Jezus was open, zonder iets of iemand te sparen. In Matt. 21:32 zegt Hij: “De tollenaars en de hoeren zullen vóór de Schriftgeleerden en Farizeeën het koninkrijk Gods binnengaan”. Tegen de voorname Nicodemus zei Hij dat hij wedergeboren moest worden (Joh. 3:4). De wereld buigt zich voor het geld en de macht. Jezus zei in tegenwoordigheid van de rijke en hebzuchtige Farizeeën: “Voorwaar, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft het meeste in de offerkist geworpen van allen die er iets in geworpen hebben” (Marc. 12:43). En toen Hij in Samaria ervaren had dat Samaritanen, zonder dat Hij een wonder had gedaan, Hem op Zijn woord geloofden (Joh. 4:41 vv) en, op een andere tijd, een Samaritaan terugkeerde om Hem te bedanken, terwijl negen Joden dit nalieten (Luc. 17:16), nam Hij geen blad voor Zijn mond met de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, die meer naastenliefde bleek te bezitten dan de Joodse priester en Leviet ( Luc. 19:33 vv).

Hij wist dat de zaligheid uit de Joden is en dat de Samaritanen niet wisten wat ze aanbidden (Joh. 4:22) maar niettemin zei Hij tegen de Samaritaanse vrouw dat men eenmaal noch in Jeruzalem noch op de Gerizim zal aanbidden (Joh. 4:21). Ja, Hij was waarheid en sprak waarheid, waar een ander het met stilzwijgen toedekte. Zonder twijfel had Hij het brandende verlangen gehad om velen te winnen. Maar Hij bleef de eerlijke, die het Zijn discipelen nooit op een oneerlijke manier lichter maakte dan anderen. “ De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om

Zijn hoofd neer te leggen (Matt. 8:20). Zelfs in het vertellen van Zijn gelijkenissen is Jezus geen duimbreed van de waarheid en werkelijkheid afgeweken. Hij weet bijvoorbeeld hoe arbeiders die het eerst gehuurd zijn, afgunstig worden op arbeiders die het laatste uur ingehuurd zijn en evenveel geld krijgen (Matt. 20:11). Hij weet hoe onbeschaamd doorzetten in de wereld meer uitwerkt dan nederig en behulpzaam zijn. Uit Jezus’ woorden blijkt duidelijk dat Hij Zich van de tegenspraak met het tot dan toe geldende levensideaal ten volle bewust was. Matt. 20:25 vv zegt: “Gij weet dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten macht over hen. Zo is het onder u niet”. In dat opzicht was een Jood ongeveer hetzelfde als een Griek. Welstand, eer, aanzien en macht waren heel belangrijk. De Grieken hadden het ideaal van de ‘vrije man’. Voor Jezus was dat heel anders. Van meeste waarde waren niet geest, schoonheid, macht, kracht, rijkdom en aanzien, maar deemoedigheid en nederigheid, en het vrijwillige dienen.

 Liefde, de band van volmaaktheid.

Jezus kende tijdens Zijn rondwandeling op aarde één doel: dienstbaar zijn (Matt. 20:28). Hij had een grote bewogenheid voor lichamelijke en geestelijke problemen. Hij overzag dat vaak direct (Matt. 9:36 vv,14:14). Hij raakte bewogen als Hij tranen zag (Luc. 7:13; 8:52). Bij ieder mens was Hij betrokken, de gehele jammerlijke toestand van de mensheid grijpt Hem aan.
Confucius zei: “Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Daarmee beval hij een gerechtigheid aan, die ieder het zijne geeft zonder zich zelf op te offeren. Jezus ging veel verder: “Wat gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij alzo” (Matt. 7:12). Natuurlijk wist Jezus dat de begeerten van een mens onverzadigbaar waren.Bij Hem was de liefde echter zo sterk, dat Hij, die het liefst met God alleen was, veranderde in iemand die een uiterste liefde voor mensen had. Nooit is de liefde alleen maar een opwelling geweest, nooit was zelfopoffering alleen het doel.
Zijn liefde was een onbuigzame wil, daad en dienst. Het was een werkzame liefde van zelfopoffering. De nacht wordt tot dag als Nicodemus komt (Joh. 3:2).

Moeheid werd ook vergeten omwille van de Samaritaanse vrouw (Joh. 4: 6), soms moest zelfs Zijn behoefte aan eten en drinken wijken (Joh. 4:31 vv, Marc.3: 20). Om zo voor anderen te leven is voor natuurlijke mensen onbegrijpelijk, daarom werd Jezus ook versleten als iemand buiten zinnen (Marc. 3:21). Zijn motief lag echter in God, daar lag Zijn anker. Een dergelijke liefde zonder voorbehoud en zonder een greintje zelfzucht was bij geen ander mens ooit gevonden. Het was die Jezus die zei: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkaar liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad (Joh. 13:34).

Maar ook op een andere manier gaf Hij dat gebod van de liefde nieuwe inhoud. In Rome kende men de uitdrukking: ‘Een mens is voor een onbekende een wolf’. En ook bij de Jood kende het begrip ‘de naaste’ zijn begrenzing bij de slagboom van de grenzen. Was de liefde tot zijn volksgenoten door de wet bewerkt, de Jood koesterde vaak haat tegenover de vreemdelinge. Jezus beantwoordde de vraag ‘Wie is mijn naaste?’, gesteld door de Farizeeën, met: ga niet na of iemand ‘verder’ van je af staat, maar maak iedere hulpbehoevende tot je naaste (Luc.10:36).

Wat wij vaak alleen bereid zijn te doen in onze eigen kring, deed Jezus aan allen. In Joh. 10: 16 spreekt Jezus: “Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn, ook die moet Ik verzorgen.” In de dagen van Jezus verloor de liefde haar begrenzing! De profeten waren vaak werkzaam tegenover het gehele volk, Jezus bleef ook, zelfs na Zijn opstanding, stilstaan bij de individuele mens. Hij had tijd voor iedereen, telkens lijkt het of Hij geen haast heeft, Hij bleef staan bij de bedelaar die Hem riep (Luc. 18:40). Ja, Hij deed moeite dat de doofstomme Hem zou verstaan (Marc. 7:33) en steeds ging Zijn liefde weer naar de hele wereld uit. Zo werd het ‘vaderoor’ en ‘vaderhart’ van God voor altijd geloofwaardig gemaakt. “De liefde gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen” zo verzekert Paulus ons in het beroemde hooglied van de liefde.

Maar in welk opzicht heeft Paulus bij Jezus dit hopende geloof in de liefde waargenomen? Jezus heeft de mens in zeker opzicht hoog geacht en respect voor hen gehad, want Hij geloofde aan hun toekomst. Niet wat de mens is, maar dat wat hij moet worden, geeft hem aanzien. En daarom is het zo dat ieder mens, zelfs de kleine onaanzienlijke domme, dezelfde waarde heeft als een Michel Angelo of Beethoven. Ieder mens is van gelijke en hoge waarde. Zo geloofde Hij alle dingen en hoopte Hij alle dingen. Maar daarom kon Hij ook liefhebben en stierf Hij toch niet aan een gebroken hart.

 Liefde en wonderen

Als we gaan kijken naar de wonderen van Jezus, dan wordt Zijn grote liefde overduidelijk. Waarom deed Jezus Zijn wonderen? Zonder twijfel deed Hij ze ook om mensen tot stilstaan te brengen en Zich hoorders te verschaffen. Waren er eenmaal toehoorders, dan was Hij wel eens bezorgd dat de tijd voor genezing de tijd van het onderwijs in gevaar bracht (Matt. 9: 27-31, eerst genezing, dan een verbod om dit verder te vertellen). Johannes noemt deze wonderen ‘tekenen’ (Joh. 2:11; 20:30) omdat de wonderen zinnebeelden zijn van wat er in het geestelijk leven gebeurde. Origenes heeft ooit gezegd dat de wonderen van Jezus hoog boven die van heidense wonderdoeners uitstaken, omdat het geen toverijen waren, maar steeds in dienst stonden van geestelijk en zedelijke doeleinden.

Anders gezegd: ze dienen Zijn liefde. Daarmee was het doen van wonderen op een geheel eigenaardige manier in het wezen van Zijn persoonlijkheid vervlochten. Hij genas en leerde, zo hebben de evangelisten zijn dagelijks werk beschreven (Matt. 4:23; 9:35; Luc. 5:15,17). De ellende van ziekte en zonde hebben veel verbindingen met elkaar; lichamelijke, psychische en geestelijke nood zijn niet te scheiden. Jezus heeft te allen tijde al die aspecten erkend. Hij was tegelijkertijd leraar en arts en in beide beroepen strekte de liefde zich het meeste uit naar de ‘minsten’.

En als Hij leerde en genas, straalde Hij een heerlijkheid uit die vol was van genade en heerlijkheid. Macht corrumpeert, zegt men. Als er een persoon is die zich zou kunnen verheffen boven alle anderen dan was het wel Jezus, en toch leidde bij Hem die macht alleen maar tot dienstbaarheid. Veel bijbelse helden gebruikten hun macht soms ten dienste van henzelf, bij Jezus echter stond alle macht ten dienste van Zijn heilige liefde. En zelfs in de laatste nacht heeft Hij niet toegelaten dat een mens door Zijn toedoen schade zou lijden (Luc. 22:51). Bij Zijn wonderen ging het meestal om genezingen, vooral omdat er bijna altijd in die zin een beroep op Hem gedaan werd. Maar Hij heeft ongevraagd ook vele andere wonderen gedaan: in de woestijn, bij de wonderbare spijziging, op het meer in de storm, bij gebrek aan wijn op de bruiloft, bij de dode in het huis der droefheid. Altijd weer was het Zijn liefde die Hem drong, omdat Hij hen wilde dienen. De liefde beheerste Zijn wonderen.

Een bijzonder aspect van Zijn liefde was het aanraken van zieken. In die tijd was een stomme meer een voorwerp van ontsteltenis dan van medelijden. Aristoteles, die toch vaak meer inzicht had dan andere mensen, zei: “De doofstommen zijn voor de ontwikkeling van de menselijke beschaving ongeschikt”. Hoe dikwijls zijn zij die voor een doofstomme bij Jezus om genezing vragen eerst zijn pijnigers geweest! Daarom nam Hij hen terzijde (Marc. 7:33). In het Hebreeuws is een melaatse een door God ‘geslagene’.

Na zijn genezing zijn zoenoffers nodig. Men stootte hen uit om niet zelf onrein te worden, en daarbij kwam natuurlijk de gerechtvaardigde angst om zelf aangestoken te worden. Het was een warme zonnestraal van onverwachte liefde die deze mensen ervoeren, toen ze door Jezus werden aangeraakt, een onbezorgde en warme aanraking (Marc. 1:41). Het waren diepe en betekenisvolle aanrakingen die Jezus bij zieken deed.

We kunnen een klein beetje begrijpen wat een liefdevolle aanraking voor een blinde, die Jezus’ vriendelijk oog niet kon zien, betekende, net als bij een doofstomme. En wat ging er door de ouders van het dode dochtertje heen, toen Jezus de koude hand greep en het kind tot leven wekte (Marc. 5:41). In die dagen maakte het aanraken van een dode je voor het heiligdom onrein.

Zijn liefde en Zijn profetieën
Behalve in de wonderen kwam de liefde van Jezus bij uitstek terug in Zijn profetieën. Waren het de oude profeten, die vaak ook door inspanning van hun eigen aanzien, met vlammende blik dreigende straffen verkondigden, Jezus verkondigde het oordeel aan de stad die de profeten doodt, met tranen in Zijn ogen (Luc. 19:41). Voor velen was dit een laatste woord van trouwe waarschuwing. Ook de profetieën die Hij uitsprak naar Zijn leerlingen waren ingegeven door liefde. Waarom sprak Hij zo vaak tot hen over Zijn naderend lijden? Toch alleen hierom, opdat ze zich niet, als die tijd komt, ongetroost aan Hem aanstoot zouden nemen. Maar veel meer, Hij heeft het vooruit geweten, en nu komt het erop aan de betekenis en bedoeling daarvan te doorgronden opdat zij, wanneer het geschiedt, geloven dat Hij het is (Joh. 13:19). Hij had dezelfde motivatie als Hij sprak over de val van de tempel. Zijn liefde zorgde ervoor dat ze toch maar op tijd voor het gevaar vluchtten (Marc. 13:14 vv). Of als Hij over Zijn wederkomst sprak, Zijn liefde hen op het hart drukte om getroost te leven en dat ze moesten waken (Marc. 13: 28 vv, 23,33, 36 vv).

Ja, Zijn voorzeggingen werden zo tot een heel bijzondere zielzorg. Petrus blijft door Jezus’ voorspelling weliswaar niet voor zijn val bewaard (Matt. 26:34), maar hierna is een blik van Jezus ogen voldoende om hem van die verkeerde weg tot inkeer te brengen (Luc. 22:61). En Zijn discipelen die wegvluchtten wisten in ieder zeker dat ze weer verenigd zouden worden (Matt. 26:31 vv). Zo is elke voorzegging en profetie een ingeving van Zijn liefde geweest.

Jezus’ liefde en welsprekendheid
Of het nu tot de enkeling gericht was of tot de massa, uit zijn manier van communicatie sprak Zijn liefde. Tot Zijn discipelen sprak Hij als een liefdevolle leraar, tot het volk vriendelijk en tot de Farizeeën soms met een donderspeech. En wie Hem hoorde spreken tegen de Samaritaanse (Joh. 4) of tot de Farizeeër Simon (Luc. 7:30 vv) of tot de landvoogd Pilatus (Joh. 18 en 19) kon nauwelijks geloven dat het dezelfde persoon was die sprak.

Tot niemand zei Hij te veel of te weinig, in elke bijzondere toestand of stemming of denkwijze sprak Zijn bijzondere liefde. De maatstaf voor Zijn spreken was nooit Hij zelf, nooit Zijn eigen weten, maar steeds de mens die voor Hem stond. Aan diens vermogen om dingen te begrijpen paste Hij Zijn manier van spreken aan (Joh. 3:12). Veel van de dingen die de zijnen toch zouden moeten weten, hield Hij in het begin vaak achter, zoals Zijn taak als Messias en de noodzakelijkheid van Zijn lijden.

Zelfs nog aan de avond vóór Zijn dood verzweeg Zijn liefde veel, omdat de zijnen te zwak waren om het te verdragen (Joh. 16:12). Anderzijds was Hij nooit te moe het onbegrepene, zo veel als nodig is, te herhalen, en vaak ook in vaste gelijke formules te communiceren (Matt. 16:21; 17:22; 20:18), zodat, als de tijd rijp was, ze het eindelijk zouden begrijpen. Ook het feit dat Jezus vaak het loon benadrukte, is niet anders te zien dan het neerbuigen naar de zwakken. Voor Zichzelf speelde de gedachte aan loon geen belangrijke rol. Spot, ironie en satire was niet in Zijn spreken te beluisteren. Dit in tegenstelling tot Elia die de Baälpriesters bespotte (1 Kon. 18:27).

 Bij Jesaja vinden we soms een satire die liefdeloos is (Jes. 41:6 vv; 44:12-19; 58:5). Jezus was meester in ‘zonnige’ gelijkenissen. Hij kon soms een kant van iets sterk benadrukken zodat Zijn tegenstanders Hem vaak vonden overdrijven. Het ging Jezus er vaak om dat ze wakker werden, zonder gelijk weg te lopen (Marc. 4:33). Zo sprak Hij zelfs in geheimenissen die in het begin voor de discipelen in grote lijnen vaak raadselen waren. Jezus hield van gelijkenissen. Door Zijn ogen was de geestelijke wereld open en ontbloot. Hij schilderde in zulke mooie bewoordingen waaruit veel liefde sprak.

Het volk bevond zich op het niveau van eerst zien, dan geloven. Daarom sprak er veel veraanschouwelijking in Zijn gelijkenissen. Hij liet Zich een belastingpenning aangeven (Matt. 22:19), Hij stelde een kind in het midden (Matt. 18:2), Hij wees met de vinger naar de leliën van het veld. En verder op de vogels in de hemel (Matt. 6:26,28), op het vissersnet aan de oever van de zee (Matt. 13:47) en op de zaaier op diens akker (Matt. 13:3).
Hij gaf met deze voorbeelden aanschouwelijk onderwijs. Zijn discipelen moesten leren dat hij die de grootste wil zijn, de dienaar van allen moet zijn. Jezus liet dit zien door een linnen doek te nemen en een waterbekken en ging hun voeten wassen (Joh. 13:14). Ze moesten weten dat Hij zou gaan sterven: het brood is een teken van Zijn lichaam en Hij verbreekt het voor hun ogen (Matt.
26:26). Ze moesten weten dat Hij voor hen zou sterven en daarom gaf Hij hun het brood opdat ze het zouden eten (Matt. 26:26). Ze moesten weten waar Hij zou blijven: Hij zou naar de Vader gaan die in de hemelen is, en daarom verdween Hij voor hun ogen in de richting van de hemel (Hand. 1:9). Alle woorden over Zijn dood waren onbegrepen, maar hier heeft de liefde die zo sterk is, een middel gevonden dat het begrip van Zijn sterven voor de toekomst tot een zekerheid maakte: voor u! De liefde buigt zich neer om begrijpelijk te zijn.

 De fijngevoeligheid van Jezus’ liefde

Bij de eetzaal van de Farizeeër Simon glipt een angstige vrouw naar binnen. Ze werpt zich aan Jezus’ voeten, ze bevochtigt Zijn voeten met haar tranen en droogt ze met haar haar, en zalft ze met dure zalf. Iedereen in de eetzaal minacht deze vrouw, maar Jezus behandelt haar met de grootst mogelijke tact. Hij spreekt niet tot haar, Hij vermaant haar noch prijst Hij haar. Hij spreekt zachtmoedig over haar en vertelt Simon subtiel dat ook hij voor God schuldig is, al denkt hij tien maal beter te zijn dan die vrouw.
Jezus maakt haar daarna tot middelpunt en zegt: “Aan haar grote liefde zie Ik dat zij een groot zondares is”, maar direct daarna “… vergeven zijn haar vele zonden” (Luc. 7: 36-48). Aan de Jacobsbron ontmoet Hij een vrouw die niet veel beter is. Het verleden van deze vrouw staat Hem helder voor ogen (Joh. 4:18), Hij laat haar niet gelijk schrikken. Hij komt eerst tot Zijn doel langs een andere weg. Zo wordt bijvoorbeeld Petrus in plaats van terechtgewezen drie maal gevraagd: “Heb je me lief?” (Joh. 21:15; Matt. 26:33). Bijna alleen door Zijn woorden te herhalen, wordt de twijfelaar Thomas ‘gestraft’ (Joh. 20:27).

Pas naderhand, als het onder vier ogen kan, wordt de oude man, die 38 jaar lang zonder genezing bij Bethesda gelegen heeft, aan vroegere zonden herinnerd ( Joh. 5:14). Ja, zelfs de verrader Judas wordt eerst gespaard toen Johannes ernaar vroeg (Joh. 13:26). Overal komen we Jezus’ tederheid en fijngevoeligheid tegen. We weten hoe op niets ontziende wijze vroegere profeten bij de ziekbedden van hun koningen gezeten hebben (2 Kon. 20:1; 1:6). Jezus kende de samenhang tussen straf en zonde ook. Maar tijdens Zijn rondwandeling biedt Hij altijd medelijden en louter liefde aan. Hij moet steeds vriendelijkheid en goedheid uitgestraald hebben.

(© )Gerard Feller

o.a.(Fragmenten uit: ‘De Christus der Schriften, de Here der Heerlijkheid’ geschreven door Otto Borchert, 1924)


Share:Del.icio.us!Facebook!Google!Live!Yahoo!

Categorie: Bijbelstudie: geestelijke kennis